De vrouwenstrijders van Tunesië

‘Mijn zus is gek!’

Na de revolutie van 2010 ontstonden in Tunesië veel nieuwe vrouwenorganisaties. Uit angst voor de oprukkende politieke islam, maar ook om de vrouwen- (en homo)rechten in het meest seculiere land van de Arabische wereld verder te beschermen.

Medium hh 2286174

Groepjes jongeren zitten dicht tegen elkaar aan geschoven rond de rode olievaten die als tafels worden gebruikt. Anderen hangen op de trappen. Door de openstaande ramen klinkt het geraas van de Middellandse Zee. Het alternatieve café is gevestigd in een oud fort aan de kust van Marsa Ville, een koloniaal ogend voorstadje van de uitgestrekte hoofdstad Tunis. Tomboys, queers, homo’s en transseksuelen, alles loopt hier rond. The Plug, door bezoekers ook wel gekscherend de ‘buttplug’ genoemd, is geen officieel gaycafé. Wel gay friendly, zoals meer cafés en clubs in de omgeving.

Er wordt een fles lokale rosé opengetrokken, terwijl Esma (23) en Mariam (24), voormalige geliefden die elkaar niet helemaal kunnen loslaten (‘niets is beter dan seks met je ex’) hun liefdesdrama’s omstandig uit de doeken doen. Ahmed kijkt ondertussen verveeld om zich heen.

Ik was nog geen uur in Tunesië of dit drietal kwam me met de nodige herrie en omstandige kussen ophalen. Een simpele aanbeveling van een vriend uit Koerdistan en een bevriende activiste in Egypte in een Facebook-groep was genoeg om met hen in contact te komen. ‘Een vriend van één iemand uit onze groep is een vriend van de hele groep.’

In The Plug zoenen meiden elkaar openlijk en doen jongens weinig moeite hun affectie voor elkaar te verbergen. Het café is een van de vele nieuwe uitgaansplekken die na de revolutie van 2010 zijn ontstaan. In het weekend staat het hier bomvol. Honderden jongeren dansen op technomuziek of kletsen in de caféruimte waar Caribische muziek en reggae overheersen. Twee bewakers met rastavlechtjes drukken ons bij binnenkomst met een grote grijns een condoom in de hand. Een grapje. Ze weten dat we van de vrouwen zijn. ‘Kom hier in het weekend’, zegt Ahmed, een Franse Tunesiër die het land aandoet voor familiebezoek. ‘Je zult mensen gewoon met elkaar zien vrijen. Alles kan.’

Mariam en haar huisgenoot Selwa bieden me een kamer aan in hun krakkemikkige studentenappartement. Gezamenlijk hangen we tot diep in de nacht in de hipste bars en eten in de goedkoopste tentjes, dansen tot de ochtend, of pakken zonder mannelijke begeleiding de nachttrein naar de kust. ’s Nachts dwalen we door lege straten, met een fles rode wijn in de hand. Alles is bespreekbaar en wordt dus ook besproken. Rijk zijn de meiden niet. Verre van zelfs. ‘Gebrek aan geld maakt ons manipuleerbaar. We zijn financieel van onze ouders afhankelijk’, verzucht Selwa. Terwijl broers en zussen in Canada en Europa studeren, krijgen zij slechts een kleine toelage. Een straf voor hun ‘frivole’ levensstijl en rebelse gedrag. Hun appartement verkeert dan ook in slechte staat. De deuren kunnen niet op slot, de ramen houden wind en regen nauwelijks tegen en tijdens mijn verblijf doet het warme water het dagenlang niet.

Maar vrijheid hebben ze in overvloed. Dat het in de omringende landen ongebruikelijk is om als student op kamers te gaan, zeker voor vrouwen, kunnen ze amper geloven. Ook dat het in andere Arabische landen ongepast is om op straat te dansen of te zingen vinden ze onbegrijpelijk. Tunesië is het meest seculiere land van de Arabische wereld. Geen ander land in de regio kent zo’n hoge mate van emancipatie en seksuele vrijheid. Abortus was lange tijd niet alleen legaal, maar werd in sommige gevallen zelfs aangemoedigd of verplicht gesteld, bijvoorbeeld bij overmatig grote gezinnen zonder afdoende economische middelen.

Ook is Tunesië naast Libanon het enige Arabische land waar prostitutie indirect legaal is. Prostituees beschikken over een kaart van het ministerie van Binnenlandse Zaken die hen aanmerkt als ambtenaar. Eén keer kost acht dinar (omgerekend 3,60 euro), waarvoor een kaartje dient te worden aangeschaft bij een loket. Wie meer seksuele handelingen wil verrichten, moet opnieuw een kaartje kopen.

Tunis ademt de sfeer van Parijs. Vrouwen roken ongegeneerd een sigaret in een van de brasseries en drinken er een espresso of pastis bij. In de salon du thé zitten alle mannen aan het bier. De favoriete gerechten op het menu zijn crêpes en Italiaanse pizza’s met originele dunne bodem. Rokjes of tatoeages, losse haren of een halfkaal geschoren hoofd: je kunt je als meisje tonen zoals je wilt, zolang de familie maar akkoord gaat.

En daar ligt nu vaak het probleem. Zo is een van Esma’s zussen op de hoogte van haar geaardheid. Als psycholoog en seksuoloog behandelt ze alcoholisten, homo’s en seksverslaafden zonder enig oordeel, maar haar eigen zus wil ze hoe dan ook ‘genezen’. Esma’s oudste broer wordt met de dag religieuzer en moedigt de overige leden van het gezin aan dat ook te worden.Sinds Tunesië als eerste land door de Arabische lente werd gegrepen is er veel veranderd. De hoerenstraat in de oude medina van de stad werd door een uitzinnige menigte aangevallen, vervolgens gesloten en later weer heropend. De regering probeert de straat nu weer dicht te krijgen, maar de acties hebben demonstraties van boze prostituees tot gevolg. ‘Baas over eigen vagina!’ is het motto.

Tieners en twintigers roken, drinken, blowen, flirten, shoppen en luisteren naar agressieve hiphop

Tegelijkertijd vertrekken religieuze meisjes naar Syrië om God te dienen door zichzelf als hoeren aan de strijders aan te bieden. De jihad niqéh is een seksuele strijd. Daarmee lijkt ‘jihad’ steeds meer een term die goedpraat wat Allah juist verboden heeft. Het gevolg is niet alleen een uitbraak van schimmelinfecties en soa’s onder strijders in Syrië en teruggekeerde jihadisten in Tunesië, maar ook een stroom zwangere meisjes. Gebruik van enige vorm van voorbehoedmiddelen is immers haram.

Ironisch genoeg heeft de kersverse islamitische overheid juist de jacht op de alleenstaande moeder geopend en doet ze pogingen het door de staat betaalde instituut voor alleenstaande moeders te sluiten. Om de seksuele jihad tegen te gaan mochten meisjes onder de 24 jaar alleen nog maar met toestemming van hun ouders naar doorgangsland Turkije reizen. De maatregel werd door de internationale media uitgelegd als een teken van inperking van de bewegingsvrijheid van vrouwen en was na twee maanden weer van de baan.

Ondertussen groeit het aantal Tunesische jihadisten gestaag. De minister van Buitenlandse Zaken Othmane Jarandi sprak in maart 2013 nog van zo’n achthonderd jihadisten. Maar dit aantal is in het afgelopen jaar flink opgelopen. Lokale zenders tonen emotionele ouders die de overheid smeken hun zonen en dochters naar huis te halen en in de gevangenis te zetten.

Er vindt een sociale en religieuze verandering plaats in de Tunesische samenleving. Zo droegen Esma’s moeder en haar zussen nooit een hoofddoek. Nu hebben de getrouwde zussen de hoofddoek om gedaan en de moeder volgde al snel. Zij bidt nu vijf keer per dag. Ook de baard rukt op. Onder de vroegere president Ben Ali werd alles onderdrukt wat religieus was. Nu vindt er een religieuze uitbarsting plaats waaraan alle religies meedoen. Zo is de kathedraal onlangs gerenoveerd en weer opengesteld voor publiek. Groepjes islamitische vrouwen druppelen binnen om een kijkje te nemen.

Er zijn ook veel jongeren die niets van de religieuze opleving moeten hebben. Overal in Tunis hangen tieners en twintigers rond. Ze roken, drinken, blowen, flirten, shoppen en luisteren naar agressieve Franse en Tunesische hiphop. De beats en ruwe teksten klinken op elke straathoek terwijl uitzinnige graffiti de passant overal toeschreeuwt. De weerstand tegen de politieke islam wordt breed gedeeld. De Ennahda-partij, het gematigder Tunesische zusje van de Egyptische Moslimbroederschap, is de afgelopen maanden in zwaar weer beland. Juist ook bij religieuze Tunesiërs die genieten van de nieuwe religieuze vrijheid groeit de weerstand.

In een aftandse buitenwijk van Tunis ontmoet ik Ghofran (20), geneeskundestudent en trots drager van de traditionele Tunesische hoofddoek. Haar ouders waren er fel op tegen, bang dat het haar studie zou belemmeren. ‘Maar ik wilde mijn middelbare school afmaken én een hoofddoek dragen’, zegt ze. ‘Het is mijn eigen keuze. Na lange studie van de islam en de koran geloof ik dat dit is wat God van mij vraagt. Maar ik leg het anderen niet op, hoor!’

Als vrouwelijke student werd ze gepest en bedreigd, maar ze was verzekerd van de steun van enkele leraren en haalde haar diploma. Haar nichtje daarentegen mocht niet afstuderen en kreeg haar diploma pas na de val van Ben Ali. ‘Ik had echt geluk!’

Ghofran is tegen de politieke islam: ‘Dat is slechts een manier om het religieuze discours te domineren en mensen te controleren door hun eigen, menselijke interpretatie van de islam. Hun islam is niet de mijne. Het zijn gewoon terroristen.’ Ze is onlangs toegetreden tot de communistische partij en runt met enkele andere jongeren een organisatie om vrouwen bewuster te maken van hun rechten. ‘We bezoeken vrouwen thuis en proberen ze zelf in te laten zien wat hun problemen zijn. Ze doen al het werk, zorgen voor inkomen, zorgen voor de kinderen en doen het huishouden. Maar als het erop aankomt beslist hun man. Vaak is dit inzicht al genoeg. De Tunesische vrouw is van nature vrij. Tunesische vrouwen houden er niet van te worden gedomineerd.’

Zelf komt Ghofran uit een conservatieve familie. Haar ouders zijn aanhangers van Ennahda. Haar zus draagt tegenwoordig een nikaab en vindt de bestaande islamitische partijen te gematigd. ‘Te gematigd! Ha!’ lacht Ghofran. ‘Ze is gek. Ik mag het niet zeggen, maar ze is gek.’ Dan: ‘Maar ze is wel mijn zus. Ik deel haar standpunten niet en ben tegen de nikaab of boerka. Ze zijn on-Tunesisch. Maar we moeten respecteren dat ook zij onderdeel van onze samenleving zijn. Veel mensen zijn bang voor de terroristische dreiging in ons land. Het is een fase waar we doorheen moeten. Sommigen zijn nog steeds onder de betovering van de islamisten. Maar de politieke islam verliest snel terrein. Mensen beginnen in te zien dat ze religie alleen maar gebruiken om hun eigen belangen te behartigen.’

De hele buurt raakte verslingerd aan de religieuze talkshows en preken die ze dan met elkaar bediscussieerden

Religieuze televisiezenders hebben inmiddels in Tunesië de overhand gekregen. Vanuit de Golfstaten en Saoedi-Arabië preken ultraorthodoxe imams via de tv in de woonkamers van de Arabische wereld. In Tunesië was vooral het recent door de Egyptische regering gesloten tv-station An-nas (‘De mensen’) populair. ‘Opeens werd deze zender ons dagelijkse tv-station’, vertelt Esma. ‘Mijn moeder keek nergens anders meer naar. De hele buurt raakte verslingerd aan de religieuze talkshows en preken die ze vervolgens met elkaar bediscussieerden. En Al Jazeera natuurlijk. Op het eigen nieuws hoorde je niets anders dan hoe geweldig Ben Ali was, YouTube was compleet vergrendeld. Maar door Al Jazeera beleefden we nine eleven, de tweede intifada, de inval in Afghanistan en Irak. Alles werd politiek en alles werd religie.’

‘Ik heb dit jaar voor het eerst in mijn leven in Tunesië een nikaab gezien’, zegt Esma. Ze zucht en haalt haar handen door haar kortgeknipte krulhaar. Rockmuziek dendert door de speakers van The Plug. De bediende in strak zwart minishirtje heeft net de emmer met ijs en een fles rosé neergezet als Esma’s telefoon gaat. Het is negen uur ’s avonds, maar haar tante wil weten waar ze blijft. Nu Esma tijdelijk bij haar inwoont, zit ze flink onder de plak van het strakke familieregime. ‘Ik moet naar huis.’ We drinken de fles in recordtempo leeg. Ondertussen belt haar moeder, nog een keer haar tante en weer haar moeder. ‘We moeten echt gaan.’ In de auto spuit ze zich onder de deodorant om de rooklucht te verbloemen. Het is een bekende methode die ik de komende weken voortdurend zal zien. Want hoewel iedere vrouw die ik hier ontmoet rookt, durven de meesten dat niet aan hun familie toe te geven.

Tunesië staat bol van dergelijke ambiguïteiten. Zo patrouilleren er doodleuk vrouwelijke politieagenten en soldaten door de straten, een unicum in de Arabische wereld. Maar dit levert ook spanningen op. Zo zou de jonge fruitverkoper Mohammed Bouazizi, die met zijn dood de Arabische lente ontketende, zich niet uit economische ellende maar uit schaamte met benzine hebben overgoten. Dit stelt althans onderzoekster Alcinda Honwana in haar boek Youth and Revolution in Tunisia (2013). Een vrouwelijke politieagent had hem namelijk in het openbaar vernederd en zelfs een klap in het gezicht gegeven.

Medium hh 13418524

Een vrouw bakt op een verhitte steen een plat brood; bij tentjes langs de weg kunnen hongerige reizigers een broodje ei of vlees kopen. Ik ben met Mariam en Selwa op weg naar Kairouan. Deze stad was ooit een Byzantijnse garnizoensplaats en ontpopte zich met de komst van moslimstrijders in 670 na Christus tot het islamitische hart van Noord-Afrika. Pas na de Franse overname in 1881 kregen niet-moslims het recht om deze heilige stad te betreden.

De opmars van de islam verliep echter niet zonder slag of stoot. De inheemse Berberbevolking verzette zich krachtig en wist de stad herhaaldelijk te heroveren. In 702 vond er een massale bekeringsgolf van de Berbers plaats. Deze zogeheten Kharijitische Berbers stichtten vervolgens een egalitaire en puriteinse sekte waarin grote nadruk wordt gelegd op de gelijkheid van man en vrouw. Tegenwoordig wonen ze nog steeds op het Tunesische eiland Djerba.Het was in die tijd dat Tunesiërs hun eigen geloofsbeleving vonden en een gematigde, geëmancipeerde versie van de islam het leven zag. Of zoals Mariam het zegt: ‘Tunesiërs hebben religie altijd als een persoonlijke zaak gezien. Ja, je vindt hier extremisten, maar zelfs de grootste Tunesische extremist lijkt in niets op de meest gematigde Arabische moslim.’

‘Vrouwen zijn de geschiedenis en de toekomst van Tunesië’, roept Selwa met een vuist in de lucht vanaf de achterbank. Vrouwen spelen inderdaad een opvallende rol in de Tunesische geschiedenis. Niet alleen werd de klassieke stad Carthago door een Phoenisische prinses gesticht, ook was het de Berberse koningin Al-Kahina, tevens religieuze leider, die het gewapende verzet tegen de islamitische Arabieren aanvoerde voordat de grote bekering plaatsvond.

De grote Arabische stadsmuren, moskeeën en enorme waterwerken van Kairouan trekken busladingen vol toeristen, waaronder opvallend veel Tunesiërs die sinds de volksopstand tegen Ben Ali eind 2010 een hernieuwde interesse in hun eigen geschiedenis aan de dag leggen. Trots vertelt een oude man over de grote werken van de Arabische strijders en de moslims. ‘Hier ligt het hart van de islam, hier vond de wedergeboorte van het ware geloof plaats, waarna het licht mocht brengen in heel Afrika, el-hamd il-Allah (“God zij geprezen” – ms).’

De vrouwen van Kairouan en omstreken werken van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Hun economische zelfstandigheid wordt steeds belangrijker. Nu de werkloosheid onder mannen meer en meer toeneemt, zijn vrouwen namelijk vaker de kostwinner. Ze hebben soms hele bedrijfstakken overgenomen. Zoals in de textielfabriek van Sbetla, een stadje ten zuidwesten van Kairouan op zo’n anderhalf uur rijden van de Algerijnse grens. In het lege kantoor ontmoet ik secretaris-generaal Fatma Zohra en haar acht medestanders van Association des Femmes Chómeuses Non-diplômées. Fatma is socialist en vakbondsvrouw. Na de revolutie richtte ze een organisatie op die opkomt voor de belangen van werkende en laagopgeleide vrouwen. ‘Je moet goed begrijpen dat Tunesië nauwelijks onopgeleide vrouwen kent’, legt ze uit. ‘Non-diplômées betekent niet dat deze vrouwen niet zijn opgeleid. Ze zijn alleen laagopgeleid. In dit gebied is wellicht één op de honderd vrouwen analfabeet. Maar slechts één op de vijf volwassen vrouwen heeft hoger onderwijs afgerond, de rest heeft zowel thuis als op het werk een kwetsbare positie.’

‘Onze vrijheden zijn niet afgenomen. Vrouwen zijn nog nooit zo mondig geweest als nu. Kijk dan!’

Door grote nationale campagnes heeft Tunesië inderdaad de laagste analfabetismegraad van de hele regio. Toch blijken de cijfers iets minder rooskleurig dan je zou vermoeden: volgens Unicef lag het percentage geletterden onder volwassenen in de periode 2008 tot 2012 op 79,1. Zo’n één op de vijf Tunesische volwassenen is dus toch analfabeet, ook veel vrouwen.

‘Na de revolutie wilden wij de vrouw bewust maken van haar politieke en sociale rechten omdat die niet genoeg werden gehoord’, vertelt Fatma. De organisatie initieerde allereerst een politieke bewustwordingscampagne. ‘We stelden vrouwen vragen als: wat betekent stemrecht, welke afwegingen zijn voor jou belangrijk, hoe zou de nieuwe grondwet eruit moeten zien?’ Ook stelde Fatma zich persoonlijk kandidaat.

‘Natuurlijk werd dit tegen mijn moeder gebruikt’, zegt haar twintigjarige zoon Wasem, die net binnenkomt. Hij is de rechterhand van zijn moeder en de enige mannelijke kracht binnen de organisatie. ‘Het management van de kledingfabriek was helemaal niet blij met de vrouwenvakbond en begon een lastercampagne. Maar de mensen kenden mijn moeder al te lang om hun laster aan te nemen. Mijn moeder heeft zich altijd ingezet voor de gemeenschap, zij weet haar politieke carrière en maatschappelijk werk prima te scheiden.’

Nu de zoon merkt dat hij zijn Engels kan oefenen neemt hij onmiddellijk het gesprek over. Ik protesteer nog dat het gesprek mij prima in het Frans en Arabisch afgaat, maar hij wil van geen wijken weten en zijn moeder maakt een uitnodigend gebaar. ’Ik maak me enorm boos over de morele verloedering van na de revolutie’, zegt hij oprecht verontwaardigd. ‘Voor de revolutie werd iedere man die zijn vrouw sloeg gearresteerd en in de gevangenis gezet. Maar nu zie ik mannen hun echtgenotes uitschelden of slaan, gewoon midden op straat. Ik was laatst op bezoek bij mijn studerende zus in Tunis en toen zag ik een man zijn vrouw zelfs een klap geven op Avenue Bourguiba. De politie stond erbij en keek ernaar. Ze deden niets! Dit is de nieuwe wetteloosheid waartegen wij strijden. Ennahda is maar kort aan de macht geweest, maar heeft de publieke cultuur ingrijpend veranderd. Vroeger waren vrouwenzaken staatszaken, maar nu worden vrouwen weer meer als het bezit van de man gezien.’

Zijn moeder knikt geestdriftig. Wasem vervolgt: ‘Vrouwen werken heel hard. Zonder te klagen. Ik heb altijd respect voor vrouwen gehad. Veel mannen hebben schoenen in hun hoofd in plaats van hersenen. Als je een jongen bent en je wordt met een meisje aangetroffen zal niemand je een strobreed in de weg leggen. Je bent stoer, een man.’ Hij bloost even. ‘Andersom is het meisje direct in enorme problemen. Zij heeft niet dezelfde bewegingsvrijheid. De salafisten denken dat een vrouw niet meer waard is dan de stoel waarop je zit.’ Hij zucht diep en klakt even met zijn tong. ‘De hele strijd die nu in Tunesië plaatsvindt, draait om de positie van de vrouw. Ik geloof dat een stem op Ennahda vooral voortkwam uit angst voor de groeiende aanwezigheid van vrouwen.’

‘En vergeet niet, de wens om te trouwen!’ zegt Mariam snel. ‘Na de revolutie werden er door Ennahda publieke huwelijksvoltrekkingen georganiseerd waarbij zes tot acht koppels in één keer werden getrouwd. Imam en bandje erbij en klaar.’

Wasem kijkt haar spottend aan. ‘Ja, trouwen. Voor een nacht zeker? Zelfs imams trouwden elkaar voor een pleziertje van een uur of twee.’ De andere vrouwen sissen en schudden hun hoofd. ‘Dat is geen islam, het is hoerengedrag’, zegt een oudere vrouw met hoofddoek. ‘Ja, ze verzinnen alles om vrouwen als koeien te behandelen.’

Fatma trekt met haar medestanders van huis naar huis om met vrouwen en echtgenoten in gesprek te gaan over huiselijk geweld, seksueel misbruik en arbeidsparticipatie. ‘Wij proberen mannen er echt van te overtuigen dat het voor iedereen goed is als een vrouw mag werken. Soms lukt het omdat de vrouw haar man weet te overtuigen. Soms gaat ze stiekem aan de slag. En soms lukt het niet. We blijven het proberen, maar we kunnen niemand dwingen.’

Veel organisaties voor vrouwenrechten zijn na de revolutie ontstaan. Deels omdat de nieuwe vrijheid het toeliet, maar soms ook uit angst voor de oprukkende politieke islam. Vrouwen namen zelf het heft in handen. Zoals de vroedvrouwen, die nu voor het eerst een eigen landelijke vakbond en belangenorganisatie hebben opgericht. Ze bemoeien zich niet met de verhitte discussies die mijn kamergenoten voeren over feminisme en seksuele identiteit. ‘Ik begrijp die angst voor de islam niet’, zegt Amal (50), secretaris-generaal van de Union National Syndicate des Sages-femmes. ‘Ja, ik draag een hoofddoek en ik ben blij dat ik dat na de revolutie vrij kan doen. Maar maakt me dit nu een bange vrouw die thuis zit te kniezen?’ De vrouw naast haar, een oudere vroedvrouw met een gerimpeld gezicht, knikt ijverig.

‘Het internet werkt emanciperend. Het geeft vrouwen wapens die ze eerst niet hadden’

‘Nee!’ Amal priemt met haar vinger in de lucht. ‘Wij zijn onderdeel van de enige beroepsgroep die uitsluitend uit vrouwen bestaat. In onze inzet voor betere medische voorzieningen komen we op voor alle vrouwen, van alle klassen en alle standen. Onze vrijheden zijn niet afgenomen. Vrouwen zijn nog nooit zo mondig geweest als nu. Kijk dan!’ Ze wijst vanaf het terras naar de straat, waar net een demonstratie tegen de regering voorbij trekt. De roep van vrouwen klinkt luid boven die van de mannelijke demonstranten uit.

Maar niet alle demonstraties zijn even vriendelijk. Tunesië viert de nationale Onafhankelijkheidsdag op 20 maart weinig eendrachtig. De demonstranten willen een islamitisch Tunesië en zijn woedend over de weerstand die dat bij het progressieve en seculiere deel van de bevolking oproept. Woedend schreeuwt de ene na de andere spreker door de speakers. Het aantal demonstranten op Avenue Bourguiba, de grote hoofdstraat van Tunis, is opgelopen tot in de duizenden. De demonstranten zitten overal. De cafés en terrassen zijn overgenomen, evenals sommige zijstraten.

Overal wappert de Tunesische vlag. Kinderen hebben bandana’s om en twee vlaggetjes in de hand: een van Tunesië en een met het partijsymbool van de islamitische Ennahda-partij. Het is een vreemd gezicht: de brede avenue waar vrouwen gewoonlijk zonder hoofddoek koket met hun vriendjes flirten, waar lesbische en homoseksuele koppels openlijk hand in hand over straat gaan, en waar ik soms op klaarlichte dag op een terras een glas pastis drink, wordt plotseling bevolkt door een gesluierde en bebaarde massa. Alcohol wordt er vandaag niet geserveerd. Wie zonder hoofddoek de straat op gaat, loopt liever een blokje om.

Nu krijgen Israël, het Egyptische leger, de Amerikanen en iedere vrijzinnige Tunesiër (lees: aanhanger van de linkse oppositie) ervan langs. Ernstig ogende mannen lopen naast hun jonge, gesluierde vrouw, een vlag in de hand. Hier en daar passeert een vrouw in nikaab, er zijn imams in traditionele djellaba’s, de rode fez op het hoofd. En overal staan buggy’s en kinderwagens. Demografische disbalans als klassiek wapen voor politiek overwicht.

O, ik heb zo’n kater.’ Met een zucht schuift Lina bin Mhenni (30) aan bij het instabiele tafeltje. Ze is een bekende persoonlijkheid in dit overvolle rokerige café aan Avenue Bourguiba. De straat, vernoemd naar de eerste en bekendste president van Tunesië, heeft wel iets weg van de Champs-Élysées, zonder Gucci of Louis Vuitton, maar met de merken voor de moderne Tunesiërs: Zara en Benetton.

Lina’s pony valt over haar ogen maar kan haar wallen amper verbergen. Wie haar nu zo ziet zitten zou haast vergeten dat dit de bekendste vrouwelijke blogger van Tunesië is die overal in Noord-Afrika en het Midden-Oosten wordt gelezen. Samen met andere digitale activisten, zoals de Egyptische Esraa Abdel Fatah, alias The Facebook Girl, en de Egyptische Google-held Wael Ghonim, werd ze in 2011 genomineerd voor de Nobelprijs voor de vrede. Lina begon haar blog A Tunisian Girl in 2007. Ze schreef eerst in het Arabisch en Frans, maar stapte later gedeeltelijk over op het Engels vanwege de staatscontrole en haar wens een groter publiek te bereiken. In eerste instantie schreef ze over het leven als jonge vrouw in Tunesië, zij het uit de gegoede klasse en opgegroeid in een liberaal-seculier milieu. Ze had het over vriendschap en over liefde.

Maar met de toename van de sociale onrust en de opmars van kleine maar steeds luidere protesten tegen het nepotisme en de corruptie van het regime van Ben Ali in 2008 werden haar blogs steeds politieker. Ze begon haar mening over de maatschappelijke en politieke situatie van het land te delen en deed onder haar eigen naam verslag van demonstraties en de brute reacties van het regime. Tijdens de opstand tegen Ben Ali trok ze als enige blogger naar het zuiden van het land om vanuit brandhaarden als Regueb en Kasserine, waar het geweld het hevigst was, verslag te doen. ‘Ze hebben van alles gedaan om me af te schrikken’, zegt ze. ‘Soms werd ik midden in de nacht gebeld, andere keren stonden ze opeens voor het bureau in mijn lokaal (Lina was enkele jaren als assistent-professor Engels verbonden aan de Universiteit van Tunis – ms) of probeerden ze me op klaarlichte dag op straat te arresteren. Mijn studenten werden aangemoedigd een petitie te onderteken waarin mijn ontslag werd geëist omdat ik te jong zou zijn. Maar uiteindelijk hebben ze me nooit de cel in gekregen.’

‘Wat willen de salafisten nog meer? De wetenschappelijke boeken aanpassen, zodat we niets meer leren over Darwin?’

Wie haar blog bezocht, kreeg regelmatig foutmelding 404 op het scherm, omdat de overheid YouTube en andere ‘subversieve websites’ blokkeerde. ‘Er is altijd een manier om de filters te omzeilen en de veiligheidsdiensten te slim af te zijn. Daarom werkt het internet emanciperend. Het geeft vrouwen wapens die ze eerst niet hadden. Een vrouw in Saoedi-Arabië heeft amper bewegingsvrijheid, maar op het internet kan ze zeggen wat ze wil.’

In maatschappijen waar de seksen zo veel mogelijk uit elkaar worden gehouden, geven blogs ook mannen inzicht in vrouwelijke gedachten en tonen ze aan dat vrouwen waardevolle politieke ideeën kunnen hebben. Dit emanciperende effect geeft internet een unieke rol in de Arabische wereld en maakt van digitaal activisme niet alleen een politiek, maar ook een sociaal wapen.

Medium hh 16136665

‘Ik wil al weer drinken’, lispelt Lina in het oor van Selwa die naast me zit. De nominatie voor de Nobelprijs heeft haar leven ingrijpend veranderd. Een tafeltje verderop zit een kleerkast van een kerel zogenaamd de krant te lezen. Hij is haar bodyguard, aangesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken, die haar dag en nacht vergezelt. Toch heeft Lina geen goed woord over voor de huidige regering. ‘Geloof me, ze zouden me liever dood hebben. Graag zelfs. Ze beschermen me alleen omdat het moet. Een Nobelprijs-genomineerde kan moeilijk zomaar spoorloos verdwijnen.’ Ze lacht even terwijl ze haar sigaret bruusk uitdrukt. Net op dat moment valt me de grote doodskop op haar shirt op.

Van een revolutie wil ze niet spreken. ‘Het systeem is nog steeds intact, we hebben Ben Ali doen aftreden, maar voor de rest is het hetzelfde regime. Er zijn nog evenveel rechtszaken tegen activisten en journalisten. En daar komt nu de islamitische terreur bovenop.’

Na een broeierige zomer waarin activisten en kunstenaars al dan niet digitaal werden bedreigd, zit de schrik er goed in. De toenemende zichtbaarheid van de islam en het aantreden van islamitische partijen als Ennahda zorgden voor veel sociale onrust. Zeker na de politieke moord op de linkse sociaal-democraat Chokri Belaid op 6 januari 2013 en een half jaar later op de pan-Arabist Mohamed Brahmi op 25 juli 2013. De moordaanslagen schudden Tunesië flink op en door het hele land ging een golf van protest. Ennahda wordt door haar tegenstanders tot op de dag van vandaag verantwoordelijk gehouden voor de aanslagen.

Lina vertelt: ‘Met een groep activisten hebben we een onafhankelijke onderzoekscommissie opgericht om de moorden te reconstrueren en geloof me, het wordt steeds duidelijker dat Ennahda eigen politie had die rechtstreeks onder de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken valt. Daarbij is de regering verantwoordelijk voor de bescherming van haar burgers. Maar zelfs al zou je Ennahda daar niet verantwoordelijk voor willen houden, dan hebben ze toch indirect een fatwa uitgesproken door deze twee politici in hun campagnes voortdurend als afvalligen te bestempelen, waarmee hun dood op religieuze grond werd gelegitimeerd.’

De massale demonstraties die na de moorden uitbraken, leidden uiteindelijk tot de val van de regering, maar de angst blijkt onverminderd groot. ‘De Ennahda-partij heeft in feite nog steeds alle macht. Dat zeggen hun woordvoerders ook. En ze hebben gelijk: Ennahda heeft een meerderheid in het parlement en de constitutionele raad. Daarnaast hebben ze in de korte periode dat ze aan de macht waren hun sleutelfiguren op alle belangrijke posten van het land gezet’, zegt Lina.

Jamina Thebit is even kritisch als Lina bin Mhenni, maar tegelijkertijd een stuk opgewekter. Ze is in het dagelijks leven medisch specialist en op ieder vrij uur secretaris-generaal van Aqaliyet, de eerste en enige organisatie ter bescherming van alle minderheden: joden, christenen, Afrikaanse Tunesiërs, verstandelijk en lichamelijk beperkten, illegalen uit sub-Sahara Afrika, gastarbeiders, homoseksuelen en atheïsten. Geen enkele organisatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika houdt er zo’n brede interpretatie van minderheden op na.

Al jaren liepen Jamina en drie vrienden met het idee rond om een organisatie op te richten om het toenemende racisme, de xenofobie en de religieuze discriminatie tegen te gaan. Na de val van Ben Ali zag Jamina haar kans schoon. In 2011 richtte ze haar organisatie op en lanceerde direct een nationale antidiscriminatiecampagne. Zo organiseerde Aqaliyet een herdenking van de afschaffing van de slavernij. Een unicum in de Arabische wereld. ‘Tunesië was een van de eerste landen ter wereld die de slavernij afschafte, op 23 januari 1846, eerder dan Frankrijk of Nederland. Maar deze stap was nooit gevierd. Ook wilden we met de herdenking laten zien dat racisme vandaag de dag nog steeds springlevend is. Zo worden zwarten in Tunesië nog steeds gera gera of wasif genoemd (beide uitdrukkingen voor ‘slaaf’ – ms).’

Aqaliyet heeft twee doelen: de vrijheid en gelijkheid van minderheden beschermen, en ervoor zorgen dat die rechten in de nieuwe grondwet worden vastgelegd. De organisatie heeft inmiddels honderden medestanders en vrijwilligers. Tot grote ergernis van Jamina werd de constitutionele raad vrijwel geheel aangevoerd door leden van de islamitische Ennahda-partij, die een heel ander Tunesië voor ogen hebben. ‘Onze nieuwe grondwet wordt in Europa geprezen als een van de meest vooruitstrevende van de hele regio. Officieel is onze grondwet geschreven voor alle Tunesiërs. Maar wie zijn dat? De nieuwe grondwet definieert de Tunesiër als een heteroseksuele soennitische Arabier. Er is geen ruimte voor niet-Arabieren of niet-moslims en op homoseksualiteit blijft nog steeds 3,5 jaar cel staan.’

Ze schetst de dubbelhartigheid van de grondwet: ‘We hebben een artikel dat de burger vrijheid van geweten geeft, maar in hetzelfde artikel staat ook “dat het heilige moet worden beschermd”. Maar wat is heilig? Salafisten zien in alles een aanval op hun “heilige zaken”. Ook de voorwaarde dat de president een soennitische moslim moet zijn is belachelijk. En dan is er nog artikel 38 dat stelt dat de Arabisch-islamitische cultuur in het onderwijs moet worden versterkt. Maar hoe moet dat dan gebeuren? We hebben al Arabisch en islamitisch onderwijs op alle scholen, ook de publieke. Dus wat willen ze nog meer? Geen filosofie meer geven? De wetenschappelijke boeken aanpassen, zodat we niets meer leren over Darwin?’

Jamina hield op televisie een pleidooi voor de afschaffing van de sodomiewetten en de gelijkstelling van homo- en heteroseksuelen. Ze kreeg veel bedreigingen. Het weerhield haar er niet van een nog veel grotere strijd aan te gaan: die tegen het antisemitisme. Ze neemt een slok van haar koffie en buigt zich met een glimlach naar me toe. ‘In 2012 hebben we als eerste Arabische organisatie en als eerste Arabische land een herdenking voor de slachtoffers van de holocaust georganiseerd. Het animo was gigantisch. Niet alleen kwamen er honderden bezoekers, de journalisten cirkelden om ons heen als vliegen om een pot honing. Tijdens de persconferentie wezen historici op de beschermende rol die islamitische gezinnen speelden in het bieden van onderdak aan hun joodse buren. Zonder de afschuwelijke verhalen van deportatie en moord te willen bagatelliseren, wilden we ook dit verhaal laten horen. We willen Tunesiërs laten zien hoe normaal het was om in één huis met een joodse en christelijke kamergenoot te wonen. Dat is een belangrijk geluid in een tijd waarin salafisten tijdens een demonstratie met nazivlaggen de Hitlergroet uitbrengen en we een partijleider hebben die Hitler openlijk zijn grootste voorbeeld noemt.’

Bij de laatste regionale boekenbeurs presenteerde Aqaliyet verschillende boeken over de holocaust die ze op eigen kosten naar het Arabisch had laten vertalen. ‘Pijnlijk genoeg hing er naast ons een enorme poster van het omslag van de Arabische editie van Mein Kampf. De Egyptische boekhandelaar stond nota bene naast ons met zijn verderfelijke Hilter-literatuur. “O, hebben jullie ook boeken over de Tweede Wereldoorlog? Misschien kunnen we ze naast elkaar leggen!” reageerde hij enthousiast. De mensen zijn zo onwetend. Het wordt tijd dat we onze zwarte kanten in gaan zien, zelfs al betekent dit een pijnlijke blik in onze eigen verwrongen spiegel.’

Na het bezoek aan Sbetla gaan we naar Kasserine, de meest onrustige stad van Tunesië. Mariam, Selwa en ik passeren uitgestrekte Romeinse ruïnes met triomfbogen en al, maar hier geen toeristen of geïnteresseerde stadsbewoners. De islamitische geschiedenis vinden velen blijkbaar toch interessanter. Elke vierkante meter in de straten van Kasserine herinnert aan de revolutionaire tijden die dit stadje heeft doorgemaakt. Politieke graffiti op elke muur. Maar vrouwen zie ik niet. Ook niet werkend langs de weg.

Anders dan Kairouan is Kasserine geen uitgesproken islamitische stad. Het plaatsje staat zelfs bekend als communistisch bolwerk. Maar ook hier rukt de islam op. Opeens zie ik een blauw beschilderde muur waarop in grote zwarte letters ‘muSlim’ is geschreven. De S in het midden heeft de vorm van het logo van superman. De mannen die de vrouwen liever achter het aanrecht zien staan, hebben er met de revolutie slechts een nieuw wapen bij gekregen: de naam van God.


Beeld: (1) Tunis, demonstranten voor het ministerie van Binnenlandse Zaken vragen om de arrestatie van de echte moordenaars van Chokri Belaid (Chedly Ben Ibrahim/Demotix). (2) Tunis, lesbiennes dansen in een bar (Maro Kouri/Polaris/HH). (3) Studenten tijdens een protest tegen het verbieden van de nikaab op de Universiteit van Tunis (Alfredo Caliz/Panos/HH).