Mike Nichols, 6 november 1931 - 19 november 2014

Met The Graduate (1967) verbeeldde filmmaker Mike Nichols de zucht naar bevrijding van jonge mensen. De film sloeg in als een bom, maar een paar jaar later volgde een productie waar niemand vat op kreeg.

Een paar jaar nadat hij het conservatieve klimaat van de jaren vijftig had opgeblazen met zijn beste film maakte Mike Nichols zijn vreemdste film. Het verhaal gaat ongeveer als volgt: een marinebioloog slaagt erin dolfijnen te leren praten waarna een schimmige organisatie ze kidnapt. Het doel: de dieren als zwemmende kamikaze inzetten om een zeiljacht op te blazen met aan boord de Amerikaanse president. Op The Day of the Dolphin (1973) kregen critici noch publiek vat. Hoe Nichols na The Graduate zoiets kon regisseren, zelfs met zijn kompaan Buck Henry opnieuw als scenarist, is tot aan zijn dood een raadsel gebleven.

Bekend is dat Nichols na zijn seksuele-moraalfilms The Graduate (1967) en Carnal Knowledge (1971) – beide illustratief voor de revolutionaire tijdgeest die aan de basis van het gouden tijdperk van Hollywood lag – de film maakte omdat hij er contractueel toe verplicht was. Maar zelfs dan blijft The Day of the Dolphin een anomalie. De film is gebaseerd op een boek van de Franse schrijver Robert Merle, die redelijk succesvol was met het schrijven van historische romans. Buck Henry vindt Merle’s thriller maar slecht, en vertelt graag dat hij zich in allerlei bochten moest wringen om nog iets van de bespottelijke plot rond die pratende dolfijnen te maken. Overigens is Henry zelf stemacteur in Nichols’ verfilming – hij spreekt de teksten van de dolfijnen Fa en Da in.

Goedbeschouwd past zowel de productiegeschiedenis als het verhaal van The Day of the Dolphin bij Nichols en Henry en de creatieve omgeving waarin ze in die tijd werkten. Voor cineasten was Amerika in het tijdperk tussen midden jaren zestig en 1977 een walhalla, een plaats waar producenten artiesten waren en andersom, waar het geld rolde en waar niemand een cent gaf om recette of publiekswaardering of de vraag of er zoiets als ‘arthouse’ bestond, waar een term als ‘algoritme’, nu verstikkend aanwezig in video on demand-diensten als Netflix, slechts sexy kon zijn als je stoned of dronken of allebei naast een zwembad bij het huis van Jack Nicholson lag. Film zonder grenzen – dat maakten de helden van toen.

Mike Nichols begon als acteur, onder meer als partner van Elaine May in satirische producties op Broadway. Nadat hij ook als toneelregisseur actief was geweest, maakte hij in 1966 de stap naar film met Who’s Afraid of Virginia Woolf? met Richard Burton en Elizabeth Taylor in de hoofdrollen. Een handvol Oscar-nominaties volgde. Een jaar later kwam The Graduate, waarin Anne Bancroft als Mrs. Robinson de jongeman Dustin Hoffman verleidt op de maat van Simon Garfunkel. De film sloeg in als een bom. De opstand tegen het verstikkende denken was een feit. Met een potente mix van satire en tragiek verbeeldden Nichols en Henry de toenemende isolatie en de zucht naar bevrijding van jonge mensen.

De pratende dolfijnen blazen de boot van de corporatieve types op

Met Carnal Knowledge (1971) ging Nichols nog een stapje verder. In de film delen twee vrienden gespeeld door de vrouwenhater Jack Nicholson en de cerebrale Art Garfunkel hun seksuele ervaringen. Het lijkt een viering van de vrije seksuele moraal, maar Nichols problematiseert dat idee door een conservatisme in de kern van de mannelijke identiteit bloot te leggen. Nicholson ziet vrouwen als gebruiksobjecten, ziet alleen borsten en zegt dingen als ‘zou jij met dát in bed willen duiken?’ Waarop de intellectuele Garfunkel, die heel politiek correct vrouwen zegt te respecteren, als een idioot grinnikt, duidelijk verleid door het idee dat je een vrouw zou kunnen gebruiken, sterker, misbruiken.

Nichols graaft dieper dan misogynie; hij onderzoekt zelfhaat. Hiermee kampt niet alleen Nicholson in deze film, en Burton en Taylor, het echtpaar dat in Virginia Woolf een zoon verzint om een manier te vinden met elkaar te leven, maar ook Mrs. Robinson die in The Graduate als een roofdier op de onervaren Dustin Hoffman af gaat. Mrs. Robinson draagt lingerie met pantermotief. Mrs. Robinson is even erg als Jack Nicholson. Ze ziet alleen jong vlees, dat ze wil verslinden om te kunnen ontsnappen uit haar pathetische burgermansbestaan.

Nichols’ satire in deze films is zo dodelijk omdat ze gespeend is van humor of ironie als modus van opstand en verzet. Dat blijkt uit de beroemde scène uit The Graduate waarin Mrs. Robinson afscheid neemt van Hoffman, die inmiddels verliefd is op haar dochter (Katharine Ross). De camera trekt naar achteren, zodat een symbolisch diepteveld ontstaat waarin de tragische oude vrouw klein en alleen in het hoekje van de kamer achterblijft. Het shot is van historische betekenis; het verbeeldt binnen een paar seconden de ideologische machtsverschuiving van het establishment naar de nieuwe generatie. En de wijze waarop Nichols dat doet is even belangrijk: weg is de satirische toon die tot op dat moment de film bepaalt, weg is de lach en het bespotten van het voorstedelijk leven, wat overblijft is een rijke vrouw van middelbare leeftijd die walgt van zichzelf.

Misschien ligt hierin iets van een antwoord op het mysterie van Nichols’ pratende dolfijnen. In The Day of the Dolphin zijn er twee werelden: het idyllische eiland, waar bioloog George C. Scott, zijn echtgenote Trish Van Devere en hun helpers in korte broek en sandalen rondlopen, en de technologische setting van machtige mannen in pakken en stropdassen. Idealisme botst met politiek-economisch realisme – een echo van de ideologische tegenstellingen in The Graduate en Carnal Knowledge. Uiteindelijk overwinnen de slimme, pratende dolfijnen. Ze blazen de boot van de corporatieve types op. Scott en Van Devere blijven ontnuchterd op het eiland achter. De dolfijnen verdwijnen in de zee. De natuur overwint. Love and peace. Dat waren de jaren zeventig, toen regisseurs als Mike Nichols films als The Day of the Dolphin maakten.


Beeld: De set van Catch-22, 1970 (Everett Collection / HH)