Op een persfoto uit 2018 zit Mikis Theodorakis in een rolstoel tijdens een massademonstratie tegen het invoeren van de officiële naam Macedonië voor het buurland van Griekenland. Een indrukwekkende verschijning door zijn lengte van ruim 1 meter 90, zware postuur en grijze haarkuif. In zijn handen heeft hij de tekst van de gloedvolle speech die hij daar hield. Want een deel van zijn land draagt al eeuwenlang met trots diezelfde naam, en dat laat je dan niet even verkwanselen.

Hij ondersteunde hiermee niet het rechtse nationalisme, maar als patriottistisch communist stond hij vierkant achter de wens van het volk – en zoveel verschillen die sentimenten soms niet van elkaar. Voor alle Grieken was zijn stem belangrijk; hun Mikis die met zijn politieke onverzettelijkheid uitsteeg boven het partijpolitieke gewoel en die als componist van een enorm muziekoeuvre, gevarieerd in genre maar met een herkenbare melodielijn, werd omarmd als een figuur van mythische proporties.

Al vanaf jonge leeftijd bepaalden politiek en muziek zijn leven. Zijn eerste compositie schreef hij op zijn dertiende, zijn eerste concert van zelf gecomponeerde koormuziek gaf hij op zijn zeventiende, waarna hij een klassieke scholing volgde aan het conservatorium van Athene en daarna aan dat van Parijs. Tegelijkertijd raakte hij vanaf 1942 betrokken in het verzet tegen de nazi’s. Hij werd gearresteerd en tijdens zijn gevangenschap gemarteld, wat hem na zijn vrijlating er niet van weerhield om zich als communist te storten in de Griekse Burgeroorlog. Hij belandde in een heropvoedingskamp waar hij opnieuw folteringen te verduren kreeg die hem levenslang gezondheidsproblemen bezorgden.

Zijn land verkeerde in chaos na het einde van de strijd in 1949, maar voor hem brak een bloeitijd aan. Hij schreef vanaf toen in hoog tempo symfonische muziek, opera, ballet, liederen, cantates, vaak op teksten van dichters, en filmmuziek, waarvan de soundtrack voor de film Zorba the Greek (1964) hem grenzeloze roem bracht. Nog steeds dansen over al ter wereld op deze opzwepende ritmiek feestgangers schouder aan schouder de sirtaki. Ook hoor je tijdens het eten van moussaka of tzatziki bij ‘de Griek’ altijd weer dit nummer uit de boxen schallen.

‘Er is geen muziekvorm die op zich elitair is, maar de omstandigheden kunnen dit veroorzaken’

Door de oorspronkelijke volksmuziek nieuw leven in te blazen, door gebruik te maken van traditionele instrumenten en oude ritmes, creëerde Theodorakis een nieuwe typisch Griekse sound. Geheel apolitiek was zijn keuze niet. In een interview zei hij: ‘Er is geen muziekvorm die op zich elitair is, maar de omstandigheden kunnen dit veroorzaken. Zo ben ik op een zeker moment bewust afgestapt van het schrijven van symfonieën en ben ik me op traditionele liederen gaan toeleggen. Ik wilde hiermee het publiek als het ware opvoeden.’

Het genre sloeg in de jaren zestig, zeventig ook ver buiten zijn vaderland aan, mede als gevolg van de opkomst van het massatoerisme naar de zonovergoten stranden met de vissersdorpjes vol witte en helblauwe huisjes. Aan die klanken kleefden heimwee naar het goede leven aan de Middellandse Zee.

Populair werd Theodorakis bovendien met vertolkingen door onder meer The Beatles (The Honeymoon Song), Shirley Bassey, Joan Baez, Edith Piaf, Georges Moustaki en Liesbeth List. In 1966 bezocht hij, meegetroond door zijn vriend Nico Scheepmaker, in Scheveningen een voorstelling van het cabaret Shaffy Chantant. De ontmoeting met de zangeres met haar donkere timbre leidde tot een samenwerking. Op haar elpee Liesbeth List zingt Theodorakis bracht zij zijn liederen uit de Mauthausen Cyclus op teksten van de Griekse holocaust-overlevende Iakovos Kambanellis. Muziek die door de ziel snijdt en uit de koker kwam van zijn activistische kant. Want in de componist school altijd een ruige idealist, die zich als lid van de communistische partij keerde tegen het kolonelsregime dat in 1967 na een staatsgreep aan de macht kwam. Weer toonde hij zich standvastig; hij liet zijn studio achter zich, ging ondergronds en zette het patriottisch front op. Met decreet nummer 13 verbood het regime om zijn muziek te spelen of te beluisteren, terwijl de oproerkraaier zelf achter de tralies verdween. Dankzij een internationale campagne van beroemdheden als Dmitri Sjostakovitsj, Leonard Bernstein, Arthur Miller en Harry Belafonte kwam hij in 1970 vrij maar werd hij tevens verbannen. In Parijs zette hij zijn protest voort met honderden concerten.

Hij pakte zijn leven in Griekenland na de val van de junta in 1974 weer op en keerde terug naar het begin van zijn muzikale loopbaan: het componeren van opera’s, symfonieën en een requiem. Ook stapte hij op het toneel van de gevestigde politiek, jarenlang als lid van het parlement namens de communistische partij en begin jaren negentig als minister zonder portefeuille in een conservatieve regering. ‘Vroeger was ik politieker, nu doe ik aan politiek’, verklaarde hij zich nader. Na 2008 trok hij zijn oude jasje als activist weer aan om mee te protesteren tegen de door Brussel opgelegde financiële wurggreep, maar ook tegen de eigen verbureaucratiseerde cultuur van ambtenaren waardoor er volgens hem een potje van werd gemaakt.

Bij zijn overlijden dompelde Griekenland zich drie dagen in nationale rouw; de vlaggen hingen halfstok, in het parlement memoreerde premier Kyriakos Mitsotakis hem als ‘de universele Griek van wie we bijna waren vergeten dat hij sterfelijk was’. Zelf zei hij in een interview over zijn naderende einde: ‘Ik heb alles meegemaakt wat het leven te bieden heeft. Ik ben diepgelukkig en het zou oneerlijk zijn nog langer te leven.’