Mild dronken

Een van de redenen waarom ik drink is om mijn slechtheid te verbergen, denk ik wel eens; de staat van milde dronkenschap maakt mij vrijgevig (‘De volgende drie rondjes zijn van mij, jongens’), stoer (‘Dus ik zeg tegen die agent: wou u dan beweren dat ik die auto gemist heb!’), geil poëtisch (‘Kun jij zwijgen? Ja? Zullen we dan neuken?’) en eerlijk (‘Iedereen heeft gelijk: ik ben gewoon mislukt’).

Vervelend is de periode als de milde dronkenschap voorbij is, en de zware dronkenschap zich in mijn geest genesteld heeft.

De goede karaktereigenschappen die door de alcohol gepolitoerd naar voren kwamen, lossen op en – een ieder kent het – het beest in mij ontwaakt.

Gisteren.

Het rustige drinken was om een uur of vijf begonnen, al ging het mij net iets te snel. Het kwam door een begrafenis met drank, en ik was daar met mijn tante en een taxi naartoe gegaan, dus ik dacht: we hoeven ons niet in te houden met drank, we kunnen rustig van start gaan. (Wie drinkt praat vaak in de wij-vorm – hij ontduikt daarmee zijn eigen verantwoordelijkheid.)

Op de begrafenis werd wijn, bier, sherry en jenever gedronken, maar omdat ik per ongeluk een mild biertje van het blad had gepakt, ging ik meteen over op de jenever. ‘Kom op, niet huilen tante Emmi, ’t is uw begrafenis niet’, zei ik, maar dat was meer tegen mijn omgeving dan tegen mijn tante – en de grap viel goed, dus ik nam nog een jenever.

‘Drink je niet te veel, schat’, zei tante nog, ‘we moeten straks met tante Els en oom Frans eten.’

Eigenlijk was die opmerking reden om onmiddellijk weer een jenever van het blad te pakken, maar ik bedacht: ik moet me inderdaad inhouden, anders ben ik aan tafel niet te genieten. Ik ging over op Spa.

Van de begrafenis werd rechtstreeks doorgegaan naar een Chinees waar tante Els en oom Frans waren.

Ik ben al jaren niet meer in een Chinees geweest, dus dat zei ik tegen Peter die ook aan tafel zat, en die barstte meteen in een daverend gelach uit, terwijl ik niet had bedoeld een grap te maken. Maar Peter, zoon van tante Emmi en een nicht als een paard, dacht dat ik met de zin ‘Ik ben al jaren niet meer in een Chinees geweest’ een heel dubbelzinnige opmerking maakte, hetgeen ik weer zo verwarrend vond dat ik weer jenever ging bestellen en die naast mijn bier zette.

‘Niet te veel drinken, hè?’ zei tante Emmi.

‘Precies’, zei ik tegen mijn tante, ‘je weet het wel, handel er dan ook naar!’ Ik vond deze bewuste spraakverwarring zelf hoogst komisch, maar ik had de aandacht niet. Niet erg. Het stadium van de milde dronkenschap kwam naderbij. Bier jenever, bier jenever, dat maal twee en toen was ik er.

Het drinken nam dus toe en ik wist de kaken op elkaar te houden, maar het tot je nemen en niet praten leidt tot ernstige verzuring in lichaam en geest. Er werd een grens overschreden.

Dus nadat ik mijn tante Emmi in een taxi had geplempt – ik hou tegenwoordig al automatisch mijn hand boven haar hoofd als ze een auto binnenstapt en altijd lukt het haar toch om d’r kop te stoten – en ik haar thuis afgeleverd had, wilde ik naar een café.

In de Bilderdijkstraat ging een deur open.

Twee ambulancebroeders droegen een lijk naar buiten.

Er is veel dood, deze zomer. Ik kan er niets aan doen, dacht ik met mijn dronken kop.

Ik wilde naar huis. Ik voelde mij oud. Als de dood zo dichtbij komt, is dat een teken. Waarvan weet ik niet.

Misschien een teken dat je aan je eigen sterfelijkheid moet wennen.


Beeld: Milo