Milena jesenská is jarig

Elke fanclub, of het nu die van Charles S.Chaplin of die van Tina Turner betreft, heeft zijn eigen blaadje. Daarin wordt alles over het vereerde object gedocumenteerd, van het formaat der boordeknopen van W.F.Hermans tot die historische augustusmiddag in 1952, toen Simon Carmiggelt merkwaardigerwijze niet in een hoofdstedelijke tapperij is gesignaleerd.

Ik lees dit soort geschriften graag. Intellectueel zijn zij veelal verwaarloosbaar. Uit idolatrie wordt zelden iets vruchtbaars geboren. Al zijn er uitzonderingen. Waarom ben ik niet vier jaar geleden onmiddellijk lid van de Kafkakring, respectievelijk abonnee op het driemaandelijkse Kafka-katern, geworden? Onlangs heb ik met terugwerkende kracht de vier verschenen jaargangen in mijn bus gekregen, waarmee ik inmiddels een paar verrukkelijke avonden heb doorgebracht. En even moet ik denken aan de onsterfelijke J.M.den Uyl, een van die schaarse politici die wel eens een boek ter hand nam, maar die niettemin de fout maakte, gevraagd naar zijn letterkundige voorkeur, te verklaren dat hij ‘bijna alles’ van Kafka had gelezen. Het kwam hem op een berisping van Gerrit Komrij te staan. Want als je een schrijver zo vereert als Den Uyl pretendeerde, hoor je immers niet 'bijna alles’ maar 'alles’ op te zuigen.
Zou Den Uyl ooit Kafka’s brieven aan Milena onder ogen hebben gekregen? Ik denk van wel. Mijn eigen exemplaar valt inmiddels van ellende uit elkaar. Grote literatuur: 'Ich habe die Lust, hier in diesen letzten Zeilen noch etwas Wahnsinniges aufzuschreien (etwas Wahnsinniges-ifersüchtiges), glücklich unterdruckt.’ Zij heette voluit Milena Jesenská en was Kafka’s epistolaire minnares. Niet lang, de schrijver stierf in 1924, toen de schrijfster nog het belangrijkste deel van haar korte maar krachtige carrière voor zich had. Zij publiceerde over honderden onderwerpen in talloze bladen, ook in de bladen van de communisten. Daar zag zij wel iets in. Waarom? Zij was een uitgesproken vrijdenkster, die qua temperament veeleer in de omgeving van ’s lands president, Tomás Masaryk (een radicaal-gematige intellectueel en een monument van burgerlijke moed) zou moeten worden gesitueerd. Totdat zij de partij uit ging of de partij werd uitgezet - daar zijn de historici het nog steeds niet over eens. Vervolgens bezetten de nazi’s haar Tsjechoslowaakse vaderland, waarna zij onmiddellijk een vluchtroute voor de bedreigde joden organiseerde. En belandde in het concentratiekamp Ravensbrück, waar zij in 1944 stierf.
Het staat allemaal uitgebreid in het nieuwste Kafka-katern (Columbusplein 173, 1057 TW Amsterdam), dat geheel aan haar is gewijd, want zij was D.v. in augustus honderd jaar geworden. Het portret van Milena Jesenská staat op de voorpagina. Zij was, om eens een historisch-literair irrelevante opmerking te maken, even oogverblindend knap als Kafka’s zusjes Elli, Valli en Ottla, die - dit terzijde - evenmin de oorlog hebben overleefd.
Margarethe Buber-Neumann heeft een boek over haar geschreven. Heldinnen onder elkaar. Vera Belmont heeft een film over haar gemaakt. Nooit gezien, tot mijn bittere spijt, een probleem dat gelukkig binnenkort wordt opgelost: op donderdagavond 26 oktober, om acht uur, als dit docudrama op initiatief van de Kafkakring in het Amsterdamse Goethe-instituut zal worden vertoond.