Militaire incompetentie

Nederland stuurt twee Patriot-raketeenheden met 360 man personeel naar Turkije om te helpen tegen mogelijke luchtaanvallen uit Syrië. De Duitsers doen hetzelfde met vierhonderd man. Ankara heeft de Navo om deze hulp gevraagd. In juni is door de Syriërs ergens in het grensgebied een Turks vliegtuig neergeschoten. Sindsdien is de toestand in Syrië niet gekalmeerd. Turkije is sinds 1952 een trouw bondgenoot van de Navo, het heeft in de gevaarlijkste tijd van de Koude Oorlog Thor-rakettten op zijn grondgebied toegelaten. Er is voldoende rechtvaardiging om aan het verzoek gevolg te geven.

Bovendien draagt Turkije waarschijnlijk bij tot het containment van de Syrische burgeroorlog, wat op zichzelf al een grote politieke zelfbeheersing vraagt. De voortdurende stroom van vluchtelingen werkt ontwrichtend op de Turkse samenleving en maakt dus de verleiding tot ingrijpen groter. Opnieuw een Navo-lid dat betrokken raakt bij een gewapend conflict in het Midden-Oosten? Dat vergroot de kans op westelijke betrokkenheid bij de volgende eindeloze nachtmerrie. Zolang de Patriots alleen een defensief doel dienen, is onze hulp gerechtvaardigd.

Niettemin komt door deze hulp opnieuw de vraag aan de orde hoe en in welke mate Nederland zich militair in internationale conflicten moet laten betrekken. Tot vorig jaar hadden we als lid van de European Union Force nog 86 soldaten in de buurt van Sarajevo. We doen krachtig mee aan de bescherming van koopvaardijschepen tegen Somalische piraten, met af en toe een opzienbarend succes. Allemaal in orde. Maar in de afgelopen jaren zijn de rampen en uitzichtloze situaties van onze militaire buitenlandse politiek op de achtergrond geraakt. Ten onrechte. De manier waarop we in de catastrofe van de oorlog in Irak terecht zijn gekomen hoort nu tot het terrein van de historici (die er nog niet veel werk van gemaakt hebben, maar misschien is er een opzienbarende dissertatie in voorbereiding). Maar onze aanwezigheid in Afghanistan betekent nog volop politieke verantwoordelijkheid.

De nationale aandacht wordt nu volledig in beslag genomen door het voetbalgeweld met de tragische gevolgen, de jokkentjes en vergissingen van de minister-president en volgende week is het weer de crisis. Intussen zijn sinds ongeveer een jaar zo’n vijfhonderd Nederlandse militairen in Kunduz bezig Afghanen op te leiden tot politieagent. Ze mogen zelf niet aan gevechtshandelingen deelnemen, ze worden beschermd door Duitse soldaten. Die zullen geleidelijk worden teruggetrokken. In 2014 moet de hele missie beëindigd zijn. Onze militaire missie, eerst in Uruzgan en nu in Kunduz, is onderdeel van de grote Amerikaanse operatie die een paar maanden na 11 september 2001 onder president George W. Bush is begonnen, en die, zoals het er nu uitziet, door president Obama in 2014 zal worden beëindigd. Vorig jaar is eindelijk Osama bin Laden in het grensgebied met Pakistan door speciale troepen gedood. Intussen hebben meer dan tien jaar ervaring geleerd dat de Afghanen de grilligste, meest verrassende bondgenoten zijn, in dusdanige mate dat het ieder militair voorstellingsvermogen overtreft. De Russen hadden al eerder deze ervaring opgedaan en zijn ten slotte bij gebrek aan vooruitzicht op de overwinning vertrokken. Daarna is gebleken dat de Amerikanen van deze ervaring niets geleerd hebben.

Niemand kan zich er een voorstelling van maken in welke staat de westelijke bondgenoten in 2014 het land zullen achterlaten. Wel zou het voor ons langzamerhand duidelijk moeten zijn dat we in de jaren van onze aanwezigheid in Afghanistan in grote trekken de uitvoerders zijn geweest van Washingtons wisselende strategieën, waarvan er geen enkele tot het beoogde resultaat heeft geleid.

De militaire geschiedenis is rijk aan enorme mislukkingen en daarover bestaat een uitgebreide literatuur. Het grootste deel daarvan heeft een beschrijvend karakter. Ik ken één boek waarvan de schrijver dieper op de zaken ingaat: On the Psychology of Military Incompetence, van de Britse psycholoog Norman Dixon, verschenen in 1976. Hij analyseert een aantal historische militaire mislukkingen, van de Krimoorlog tot de nederlaag van de Geallieerden bij Arnhem in 1944, die voor de Randstad de inleiding tot de hongerwinter was. Dixon beweert niet dat alle militaire leiders per slot van rekening een psychologisch mankement hebben. Maar in het militaire denken komen vaak patronen voor die een ramp waarschijnlijker maken. Autoritaire inslag, met als gevolg vervormde informatie die weer cumulatief werkt, ten slotte in die mate dat de catastrofe zich traag maar onvermijdelijk voltrekt.

Als lid van de Navo heeft Nederland zijn militaire verplichtingen. De recente geschiedenis leert dat we twee keer nagenoeg kritiekloos het leiderschap van Washington hebben gevolgd. Onze verplichtingen duren voort, het risico van de militaire incompetentie blijft bestaan, maar het karakter van de oorlog is radicaal veranderd. Bovendien hebben we een nieuw kabinet. Ik beveel de ministers Hennis en Timmermans het boek van Dixon aan. Desnoods mogen ze het van me lenen.