Arabische geldkraan: omstreden maar nodig

Miljoenen van de sultan

De London School of Economics nam geld aan van Kadhafi, maar ook Nederlandse universiteiten hebben banden met autoritaire regimes.

TOEN SARTRE en De Beauvoir op uitnodiging van Mao Zedong in de jaren vijftig China per trein bereisden, waren ze bijzonder te spreken over het vloeiende Frans en het diepe begrip van het existentialisme van de arbeiders in hun treincoupé: dat bewees maar weer eens dat het onderwijs in deze maoïstische heilstaat spectaculair goed was. Iedereen kan bedenken dat deze ontmoeting van hogerhand zorgvuldig geregisseerd was, maar de twee slimste mensen van Frankrijk deden bij thuiskomst enthousiast verslag van de Volksrepubliek. Dat Franse intellectuelen zich graag – gratis – voor de verkeerde politieke karretjes laten spannen is bekend, maar inmiddels zijn het de Angelsaksische intellectuelen en academici die zich door een evident fout regime hebben laten inpakken – tegen een ruime vergoeding.

Om Kadhafi ‘als denker en intellectueel’ te portretteren en de ‘bijdrage van Libië aan de wereld’ over het voetlicht van de westerse pers te brengen werd de Monitor Group ingeschakeld, een Amerikaans pr-firma van voormalige Harvard-professoren. Voor 250.000 dollar per maand spande zij zich vanaf 2006 enkele jaren in om publieke intellectuelen en academici ‘die in staat zijn Amerikaans beleid te beïnvloeden’ naar Tripoli te vliegen, zodat ze met eigen ogen konden zien welke heilzame weg Libië was ingeslagen. Richard Perle, Anthony Giddens, Robert Putnam, Francis Fukuyama, Nicholas Negroponte, Muhammad Hisham Kabbani, Bernard Lewis, Steven Walt, Andrew Moravcsik, David Frost, Benjamin Barber en Joseph Nye gingen op dit aanbod in en schreven positieve verhalen in kranten als The New York Times en The Washington Post. Werd het oordeelsvermogen van ’s werelds bekendste denkers aangetast door het marktmodel van vraag en aanbod?

Behalve met de Monitor Group werd ook op andere manieren geprobeerd Kadhafi’s reputatie op het wereldtoneel op te vijzelen. Zijn tweede zoon, Saif al-Islam al-Kadhafi, werd in 2002 op dertigjarige leeftijd toegelaten tot de London School of Economics (LSE). Hij woonde in de chique wijk Hampstead, voorzien van privé-bioscoop, en zou vaak nachtelijk bezoek krijgen van callgirls. Zijn economiedocent John Christensen wanhoopt op zijn blog over Saifs academische niveau. ‘Hij was totaal niet geïnteresseerd in economie’, schrijft Christensen terugkijkend, ‘toonde geen bereidheid om ook maar iets te lezen of voor te bereiden’ en ‘miste het intellect voor deze opleiding’. Toch voltooide hij in 2008 een proefschrift, dat samenviel met een gift van anderhalf miljoen pond aan het Centre for the Study of Global Governance van de LSE.

Saifs gift werd door de universiteitsraad weliswaar als ‘potentieel risicovol voor de reputatie’ beschouwd, ‘zeker in relatie tot de grootte van de geldsom’ maar werd uiteindelijk geaccepteerd wegens de ‘gevaren van het laten varen van iedere hoop op rehabilitatie van geïsoleerde staten’, zo valt te lezen op de webpagina waar de universiteit steevast naar doorverwijst sinds het begin van de affaire.

Ondanks alle signalen dat er iets goed mis is, worden pas harde noten gekraakt als Kadhafi in februari met geweld ingrijpt tegen zijn bevolking en Saif door openbaar oproepen tot geweld tegen de rebellen de kant kiest van zijn vader. Op 3 maart treedt LSE-directeur Howard Davies af wegens ‘inschattingsfouten’ en wordt een onderzoekscommissie ingesteld. Niet alleen nam Davies geld aan van Saif, ook vloog hij in 2007 naar Libië om tegen ruime betaling investeringsadvies te geven aan het Libische staatsfonds. Ook zijn voorganger, Anthony Giddens, reisde twee keer naar Tripoli om zichzelf te overtuigen van de beste bedoelingen van Kadhafi – waarover hij een artikel in The Guardian schreef (My chat with the colonel). Hij weet hier niet alleen te melden dat Kadhafi ‘werkelijk populair lijkt onder de bevolking’, maar ook dat de leider noodzakelijk is om Libië binnen dertig jaar te transformeren tot ‘het Noorwegen van Noord-Afrika’.

Raheem Kassam, voorzitter van Student Rights en het brein achter het blootleggen van de Libische banden van LSE, vindt het jammer dat er pas zo laat media-ophef is ontstaan: ‘Het is beangstigend dat wanneer Libië niet in opstand was gekomen tegen Kadhafi de kans klein zou zijn geweest dat deze onderwerpen naar buiten waren gekomen. Hetzelfde zie je nu aan de Universiteit van Durham, waar onderzoeksprogramma’s met Iraans geld worden gefinancierd. Iedere dag worden in Iran leden van de oppositie opgehangen, maar zolang de media er geen aandacht aan besteden, blijft dit soort belangenverstrengeling onopgemerkt. Hetzelfde geldt voor het Oxford Centre for Islamic Studies, dat bijna helemaal gefinancierd wordt door Saoedi-Arabië en waar je ziet dat er in hun onderzoek zelden mensenrechtenkwesties worden aangekaart.’

Inmiddels heeft de parlementariër Robert Halfon, die nauw met Kassam samenwerkt, een verzoek neergelegd bij honderd Britse universiteiten om transparant te zijn over wie hun geldschieters precies zijn, en wordt bekend dat drie andere Britse universiteiten banden met Libië onderhielden.

A DEGREE OF INFLUENCE, een rapport uit 2008 van The Centre for Social Cohesion, een Brits onderzoeksinstituut, legt nog fundamentelere en verder reikende verbanden bloot tussen Iran, China en Britse universiteiten. De auteur van het rapport, Robin Simcox, betreurt dat de Britse pers de affaire op LSE ziet als een uitzondering op de regel. ‘Het probleem van belangenverstrengeling is endemisch, bijna alle Britse universiteiten nemen geld van deze regimes aan, simpelweg omdat ze het geld nodig hebben. Dat deze geldstroom wederzijds begrip oplevert – wat de universiteiten altijd beweren – is nog nooit bewezen. Britse universiteiten laten zich nu gewoon gebruiken als uithangborden, en landen als China zien hun kans schoon om hun verhaal uit te dragen. Maar zelfs wanneer universiteiten alle mogelijke maatregelen tegen beïnvloeding nemen, legitimeert het aannemen van geld en het instellen van een leerstoel kwalijke regimes. De legitimatie die Libië kreeg van LSE had ze nooit van haar eigen burgers gekregen.’ Volgens Simcox past de onnadenkendheid van de LSE binnen een groter geheel, en is het symptomatisch voor het marktdenken op Britse universiteiten.

Kassam: ‘De fundamentele oorzaak is het Britse universiteitsmodel in het algemeen en de commerciële instelling van LSE in het bijzonder. Het Britse departement van hoger onderwijs, en daarmee de universiteiten, ressorteert niet onder een onderwijsministerie (zoals in Nederland – pv) maar onder het Department for Business, Innovation and Skills, waar toevallig ook de aanwijzingen vandaan kwamen om Libië weer salonfähig te maken. Door agressief groeibeleid zocht LSE de afgelopen twee decennia steeds meer fondsen buiten de deur: momenteel is nog maar vijftien procent van de geldstroom publiek, tegen veertig tot vijftig procent bij andere Britse universiteiten. Bijdragen van alumni – die zich concentreren in Washington DC en New York – kunnen de groei slechts deels financieren, waardoor geldschieters uit het Midden-Oosten en China vrij baan krijgen. Daarbij is het een illusie dat geld van onderzoek te scheiden is. Het is in het financiële belang van universiteiten om ons dat te doen geloven.’

In Nederland lijkt er vooralsnog weinig aan de hand. In Wetenschappelijke Integriteit (2010), een rapport van de Koninklijk Nederlandse Academie van de Wetenschappen (KNAW), wordt de mogelijke invloed van kwalijke regimes niet eens gesignaleerd. Robbert Dijkgraaf, president van de KNAW, maakt zich ook geen zorgen: ‘Wij hebben algemene richtlijnen voor dit soort situaties ontwikkeld, die in Nederland onomstreden zijn. Onze aanbeveling is die van volledige openheid en transparantie. Wij verwachten dat hiervan een zelfzuiverend effect uitgaat. Zo vinden wij bijvoorbeeld dat universiteiten actief lijsten moeten publiceren van alle gesponsorde hoogleraren.’

En de Universiteit Leiden dan, waar de leerstoel The Sultan of Oman Chair of Oriental Studies is ingesteld na eenmalige betaling (vier miljoen euro) door de sultan van Oman? Op de website van de Universiteit Leiden staat te lezen: ‘Onder de huidige sultan, Qaboos bin Said Al Said (regerend sinds 1970), is de economische situatie van het land enorm verbeterd en bleef de vrede met alle andere landen van het Midden-Oosten gehandhaafd. Vrouwen kregen tijdens zijn sultanaat kiesrecht en er is veel geïnvesteerd in onderwijs.’ Volgens Freedom House, een ngo die landen op basis van vrijheid indexeert, is dit kiesrecht van zeer beperkte betekenis: het parlement heeft geen invloed. Ook braken er recent opstanden uit die koningin Beatrix in verlegenheid brachten. Bij navraag reageert de Universiteit Leiden getergd: ‘De sultan financiert een heleboel leerstoelen over de hele wereld. Waarom hij dit doet? Dat weten we niet. Hij bemoeit zich in elk geval nergens mee, onze wetenschappers zijn volledig vrij.’ De schijn van belangenverstrengeling of legitimatie van een ondemocratisch regime brengt daar ‘geen enkele’ verandering in: ‘Niemand heeft deze geldstroom ooit in twijfel getrokken, ook niet na de opstanden.’

Maurits Berger, hoogleraar islam in het Westen, bekleedt sinds drie jaar de leerstoel en laat een lichte zucht klinken aan het begin van het telefonisch interview. ‘Laat ik vooropstellen: Oman is geen Libië. Een Kadhafi-leerstoel of iets dergelijks had ik nooit aanvaard. De sultan van Oman financiert nog twaalf andere leerstoelen, onder meer op Harvard en Oxford. Ik denk dat hij hiervoor grotendeels idealistische motieven heeft: hij is oprecht bezorgd over het imago van de islam in het Westen en wil het onderwijs in zijn land verbeteren. Maar toen hij de Universiteit Leiden vroeg ‘een positief beeld uit te dragen van de islam’ zeiden de leerstoelhouders: dát is onze opdracht niet, dit is een wetenschappelijk instituut, geen pr-bureau.’

Berger gelooft in een constructie waarbij academische vrijheid gewaarborgd blijft. Zo is de geldsom uit Oman eenmalig, wordt hijzelf betaald door de Universiteit Leiden en had Oman geen invloed op zijn benoeming. Toch erkent Berger dat het een oplossing betreft die uit nood is geboren: ‘Ik propageer de islam niet en ik ontzie Oman ook niet. Wat mij steekt is het gebrek aan vertrouwen in een oude en gerenommeerde universiteit als die van Leiden. Denkt men nu echt dat men zich onderwijstaken laat voorschrijven door het buitenland? Als je het vertrouwen, net als die van de rechterlijke macht, wil afbreken, zeg ik: jongens, ga je gang maar. Maar begrijp wel goed dat we dit soort financiering nodig hebben, wanneer de overheid de geldkraan dichtdraait. Het Midden-Oosten kent slecht onderwijs, maar bulkt van het geld. Wij moeten dus wel. Ik heb nu niet eens een secretaresse.’ En wanneer de situatie in Oman verslechtert? ‘Als Oman echt zijn boekje te buiten gaat, zou ik me kunnen voorstellen dat de universiteit deze leerstoel niet wil handhaven. Maar dat is niet voorzienbaar. Het gaat hier niet om een Kadhafi of een Al-Assad. In die gevallen zou ik een leerstoel ook niet aanvaard hebben.’

Aan dezelfde universiteit promoveert David Suurland op de totalitaire wortels van de radicale islam. ‘Wat je de laatste tijd ziet is dat Saoedi-Arabië veel geld naar westerse universiteiten sluist. Het koningshuis van Saoud heeft het op een akkoordje gegooid met de religieuze oppositie, waarbij ze zeggen: zolang jullie ons in het zadel houden, krijgen jullie een paar miljard dollar per jaar om het wahibisme in het buitenland te verspreiden. Veel van dit geld stroomt naar het Westen, naar Amerika en Groot-Brittannië.’

Zouden academici in de geesteswetenschappen misschien gevoeliger moeten worden voor psychologische effecten van geldstromen? Een universiteit moet uiteraard de schijn van belangenverstrengeling vermijden, wil het onderzoek dat ze verricht serieus genomen worden. De LSE betaalt nu als zondebok een hoge prijs voor zijn agressieve fondsenwerving en zal nog wel een tijdje als de Libyan School of Extremism door het leven moeten gaan. Maar ook andere universiteiten en intellectuelen die de markt op gaan zullen zich moeten afvragen of het geld de eventuele schade aan de reputatie wel waard is, nu wetenschappelijke autoriteit minder vanzelfsprekend is dan ooit.