Piet Gerbrandy over Tomas Lieske

Mimesis pur sang

Jij, heilige zon

De zon als vuurbol recht boven ons en kokend met vlammen van gas,

zelf lui achterover en ons warmen en voeding geven en energie en licht.

Taaie, wiskundige zon, uitvinder van logaritmes en epicykels, tekenaar

van alle raaklijnen en colorist van de asgrijze en mauve schaduwtinten.

Grote atheïstische lichtgod, die met titaanse tiara en ijzergevoerde mantels

het dagwerk van de aarde beschijnt en zegent en verwarmt.

Dierbare mediterrane vriend boven de lillende runderen van Umbrië,

stuiterend op dorpspleinen en op oude, bloedbevlekte binnenplaatsen.

Grote afwezige in de sombere ineengevlochten en vochtige kerkers

van het pauselijk schrikbewind, kloppend op de keteldikke muren.

Brandende wandelaar over het sterrenpad tussen de blinde, fonkelende dieren,

zachtaardige kampioen die uithaalt naar reuzen die ver weg zich vermaken.

Kleine jeugdgod met wiens hulp de liefde groeit, de lust sprongsgewijs toeneemt,

de geile gedachten warme klauwen uitstrekken naar de veel te korte jurken.

Zon, heilige goddelijke zon, bloedmooie strijdwagen vol lichtend gas,

die ons altijd genas, wees mild en strooi uw gunsten op aarde.

Een van de meest verwarrende stukken van de Romeinse komedie-dichter Plautus (ca. 200 voor Chr.) is gewijd aan de Thebaanse veldheer Amphitruo. Wanneer deze een naburige stad belegert, verschijnt de bronstige oppergod Jupiter in de gedaante van Amphitruo aan diens echtgenote Alcumene, om nachtenlang op spectaculaire wijze de liefde met haar te bedrijven. Alcumene heeft niets in de gaten, totdat de echte Amphitruo thuiskomt, die hoogst verbaasd is over het feit dat zijn vrouw hem niet gemist heeft. Als zij verklaart dat hij vannacht nog bij haar geweest is, ontsteekt hij in razernij. Na een reeks duizelingwekkende verwikkelingen, waarin de gekwelde echtgenoot met zijn goddelijk evenbeeld geconfronteerd wordt en zich serieus begint af te vragen of hij zelf wel de echte Amphitruo is, bevalt Alcumene van een tweeling en verneemt het echtpaar de ware toedracht.

Het aardige van dit stuk is dat het ervaringen oproept die iedereen kent. Hoe weet je zeker dat je bent wie je bent, en dat jij de enige bent die jij bent? Zou er niet een parallelle wereld kunnen bestaan waarin wij allemaal rondlopen en vrijwel precies hetzelfde doen als wat we hier doen? Hebben we dubbelgangers? Hoe zou het zijn die te ontmoeten? Is het mogelijk je in een ander te verplaatsen? En als dat kon, zou je dan zo naadloos met die ander kunnen samenvallen dat je vertolking van zijn persoon perfecter is dan die van hemzelf?

In Hoe je geliefde te herkennen van Tomas Lieske (1943) wordt deze thematiek in verband gebracht met het schrijven. De eerste manier om in de huid van een ander te kruipen is ‘iemand omzichtig benaderen’, dan zijn geest te bezetten. In het begin voelt dat nog onwennig, maar al gauw ‘voel je de kwaliteit van de spieren, je went/ aan de wijze waarop de gewrichten buigen./ Je probeert de inwendige kraantjes.’ Nadeel van deze methode is dat het een vorm van geweldpleging blijft.

De tweede manier is die van Jupiter. ‘Dat is het hoge/ goochelen, dat is mimesis pur sang./ Je imiteert van de ander zijn verende passen,/ de onverwachte grijns, de Haagse glijders in de stem’, en dan kun je dus ongestraft met zijn vrouw naar bed. Maar, zegt Lieske,

Er is nog een derde manier, een waarbij je daverend

al zijn doen en denken beschrijft, woord voor woord verovert.

De dichter is een god die een tweede werkelijkheid schept, een Second Life waarin mogelijkheden die in de eerste wereld niet gerealiseerd zijn alsnog een kans krijgen.

In die wereld kun je je eigen geliefde opnieuw tegen het lijf lopen. Dat zij het is, en niet een slap surrogaat, merk je ogenblikkelijk, ook al heb je haar nog nooit gezien:

De naam van je geliefde sist van voltage;

de stap wordt vlak voor het rendez-vous een fractie

gewijzigd: iets ingehouden of juist extra -versneld.

De geliefde verspreidt ‘een geur van zomerlinde, van avondmelk,/ van naakte huid onder een joppertje,/ een geur van liguster aan het eind van de tuinen,/ waar in het lage licht met het geduld/ van spinnen de geheimen worden prijsgegeven’. Doet zich dat voor, dan weet je ‘dat je tot zelfs na de dood samen/ hand in hand de eeuwigheid zal bewandelen’.

In de middelste afdeling van de bundel, die de titel De stem draagt, kruipt Lieske in de huid van veertien personages. We horen de stemmen van een otter, van kardinaal Simonis, van een zogende merrie en van koningin Beatrix, die zich tot de papegaaien van Artis richt.

Ook komt een uit ‘Knoets Bos’ afkomstige ‘Pet of the Month’ aan het woord. Nu is Henny Knoet een van de geestelijke vaders van de Efteling, dus het onnozele meisje representeert niet eens een echt sprookje, maar slechts een kitscherige nabootsing daarvan. Dat blijkt: ‘Wat ben ik jong, veerkrachtig, wenswurgend, tot in de nietjes geolied;/ wat springen kan, springt; wat zingen kan, zingt; wat trillen kan, trilt.’ Ze is niets meer dan papier en inkt, maar ‘tegelijk ben ik de ingebeelde smaak van strak vlees, de likbaarheid,/ de lichaamsvocht-opslurpbaarheid, de tactiele extase van knoetsbos-arbeid’.

Uit dit gedicht blijkt dat Lieskes virtuoze vermogen zich met alle zintuigen in zijn scheppingen te verplaatsen niet altijd alleen maar tot vrolijkheid aanleiding geeft. Lieske glipt sensueel onder zomerjurken, hij laat de lezer voelen hoe het moet zijn om te kunnen -zwemmen als een otter of als minister Donner door Den Haag te fietsen, maar de bundel bevat ook genadeloze scènes: ‘Een kompel dringt haar lichaam binnen, op de wijze: souterrain.’ In het laatste gedicht probeert een god een vrouw aan te randen. Zij weigert met zijn spel mee te doen. Daarmee toont Lieske ook de grenzen van het Tweede Leven. Uiteindelijk is het de harde realiteit die je bij de kladden grijpt. Zelfs in de verleidelijke fictie van deze poëzie.