Mimiek

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: Bernard Haitink: De mysterieuze maestro.

‘Mijn eerste Bruckner hoorde ik in 1938 in het Concertgebouw’, zegt Bernard Haitink tegen BBC-documentairemaker John Bridcut. ‘Zo oud ben ik dus’, voegt hij haast gegeneerd toe. En ik besef plots dat ik daar als student Otto Klemperer nog heb gezien en gehoord met het Concertgebouworkest. Zoals een doodenkele student (waarschijnlijk als suppoost) Haitinks afscheid met het Radio Filharmonisch (Bruckners Zevende) in 2019 zal hebben meegemaakt. Klemperer, dat was late jaren vijftig of begin jaren zestig (zo oud ben ik dus). Hoogstwaarschijnlijk zat Haitink, toen beginnend dirigent, ook in de zaal. En zag hij hoe een wankele, oude collega op het podium en zelfs de ‘bok’ geholpen moest worden. We hielden ons hart vast, maar vanaf de eerste maat Beethoven was het raak, waarbij het orkest perfect reageerde op een wel heel curieuze, schokkerige motoriek.

Otto wie? Klemperer was een van de allergrootste Duitse dirigenten, vooral thuis in de ‘Weense klassieken’ tot en met Bruckner en Mahler (met wie hij bevriend was). Dat werd ook het repertoire van Haitink, die even ‘wars van sentimentele opvattingen’ (Wikipedia) was, hoe verschillend ze zonder twijfel ook artistiek waren/zijn. (Otto was de neef van Victor Klemperer, romanist, hoogleraar in Dresden, die we pas veel later leerden kennen toen zijn verpletterende dagboeken over de nazitijd, Tot het bittere einde, werden uitgegeven. Net als Otto was hij joods en werd hij christen. Heb je Anne Frank gelezen, moet je ook Klemperer lezen: de gruwel in het land van de daders zelf, gezien en ervaren door een volwassen intellectueel die zelfs het bombardement van 1945 overleefde. Neef Otto verliet tijdig Duitsland én het katholieke geloof waartoe hij zich net als Mahler bekeerd had, om weer joods te worden. Viktor werd partijlid in de DDR, zij het al gauw ontgoocheld.)

Net als Otto dirigeerde Haitink dus tot op zeer hoge leeftijd en veranderde hij, het is in de documentaire heel goed te zien, van breekbare bejaarde in superieure maestro zodra hij het stokje ophief. Met vloeiende bewegingen en subtiele mimiek voltrok zich in hem een metamorfose, die, belangrijker, het mirakel teweegbracht van tachtig mensen die tot één organisme worden dat, pakweg, die Zevende symfonie van Bruckner tot een intense ervaring maakt. Mirakel, want ook de vele muzikanten die onder en met hem speelden, en de musicologen en artistiek leiders van zijn orkesten die in de film aan het woord komen, brengen het, hoe bloemrijk soms ook, in wezen niet verder dan: ‘magisch, paranormaal, betoverend’.

Logisch, want ook het mooiste woord legt het uiteindelijk af tegen de klank – het diepgaande wonder van de muziek (sorry). Maar dat woord moet en wil wel gehoord, zeker als het komt van pakweg mezzo Sarah Connolly, pianist Emanuel Ax, hoboïst Werner Herbers, componist Mark-Anthony Turnage en concertmeesters van tal van grote orkesten plus aanvoerders van andere secties. (Over Klemperer schrijf je vanzelfsprekend in de verleden tijd, maar ik merk hoe lastig ik het vind die ook voor Haitink te gebruiken, zo levend als hij in de film zit, juist ook bij zijn afscheidsconcerten. Sommige vrienden vinden het helemaal niets dat hij gestopt is: hij moet en kan door. Maar de val in het Concertgebouw zal een zet hebben gegeven – hij vertelt erover. En, zegt Haitink, als musici zich zorgen gaan maken over mijn evenwicht, is dat niet goed voor de muziek. Maar helemaal gelukkig lijkt hij niet met de leegte.)

Vloeiende bewegingen, subtiele mimiek, zei ik, maar dat was niet altijd zo. Bridcut laat ook beelden zien uit zijn jonge jaren, waarin hij bijvoorbeeld de ouverture-fantasie Romeo en Julia van Tsjaikovski wild bewegend en bekken trekkend dirigeert – Haitink denkt er haast schaamtevol aan terug. Opvallend ook dat de muzikantengetuigenissen over Haitink steeds lovender lijken te worden naarmate de sprekers later in zijn leven met hem speelden. En niet alleen lovender over de muzikaliteit, ook liefdevoller. Dat zal voor een klein deel komen vanuit de vertedering die bejaarden kunnen oproepen als we ons kunstje (bij Haitink zijn Grote Kunst) lang blijven doen, waarin iets meewarigs kan schuilen – maar dat komt hier vooral doordat Haitink in decennia veranderd is. Zullen we zeggen milder, warmer, menselijker? Hij kijkt met gêne terug op zijn eerste Concertgebouwjaren, toen de oude garde van topmuzikanten niets van ‘dat broekie’ moest weten. Het leidde tot ‘woede-uitbarstingen die nergens op sloegen’. Ja, hij was, en is wellicht nog, ook een moeilijke man – voor anderen en vooral voor zichzelf. En hoeveel bevestiging hij ook kreeg (me dunkt) diep vanbinnen blijft onzekerheid, en was het nooit genoeg. Niet zozeer waarschijnlijk over de muziek en zijn interpretaties, maar over de omgang met mensen.

Een Britse documentaire over ‘onze’ man. Dat heeft een paar nadelen (de naam Van Beinum, bijvoorbeeld, valt niet één keer) maar ook grote voordelen. Haitink is immers allang een ‘Brits’ dirigent en zijn carrière daar krijgt volop aandacht. Het is goed alles een keer van ‘een ander’ te horen. De kleinzieligheid van beide kanten rond de verstoorde relatie met Concertgebouworkest en Nederland krijgt relatief weinig aandacht, maar de operacarrière die hij in Glyndebourne en Covent Garden opbouwde juist veel. Er zijn geweldige beelden, gemaakt tijdens de voorbereidingen op Wagners Ring in 1996. Klassieke botsing tussen traditioneel dirigent en vernieuwend regisseur (Richard Jones). Haitink zag helemaal niets in Rijndochters in naakt- en dikmaakpak; en in een harmonicavormig automobiel (‘misschien ben ik ouderwets’). Daar zat de artistieke leiding danig mee in de maag, en die lastige gesprekken, zonder Jones trouwens, zijn vastgelegd. Haitink nu: ‘Vaak is opera een speeltje voor moderne regisseurs: ze willen altijd anders dan anders’. Godzijdank, zou ik zeggen als ik alleen al aan De Nederlandse Opera sinds Audi denk; maar soms heeft Haitink gelijk en dragen Rijndochters noch keizer kleren. Tot mijn verbazing ging Haitink destijds bij een doorloop van Das Rheingold zowaar om: het ‘anders’ bleek in dit geval toch raak, zelfs in zijn ogen.

Er zit trouwens toch nog verrassend veel Nederland in de documentaire, omdat uitgebreid aandacht wordt besteed aan zijn jonge jaren, getekend door de oorlog. Elf was hij toen die hier begon, zestien bij de bevrijding. We zien een foto van zijn vijfde verjaardag, 1934: een groot aantal kinderen, feestelijk gekleed (vader directeur van het Gemeentelijk Energie Bedrijf, het gezin redelijk welvarend). Maar een groot aantal van hen leefde elf jaar later niet meer: joods.

Het doet zichtbaar pijn. Een eigen oma was joods, wat veel angst moet hebben meegebracht, al had het voor haar geen noodlottige consequenties. Maar Haitinks woede over de perfecte Nederlandse bevolkingsregistratie en de ambtelijke dienstbaarheid (‘elke stip tien joden’, om met wijlen Hedda van Gennep te spreken) is nog altijd groot. Indrukwekkend is zijn relaas over de bevrijding. ‘Een gruwelijke tijd.‘ Wat viel er te vieren, vraagt hij zich af, bij dat gigantisch verlies aan medeburgers, vriendjes en vriendinnetjes. Als een vriend van hem plots rondloopt met een armband die moet wijzen op een verzetsverleden dat er niet was, is hij ontzet. ‘De hypocrisie’, de leugens, en niet alleen bij die vriend, maar alom. De verschrikkelijke behandeling van meisjes die met Duitsers hadden gevreeën. Gedrag waarvan hij walgde.

Schaamteloosheid die hem vreemd was: hij vertelt juist hoezeer zijn vader klem kwam tussen fatsoen en bezetter, schipperend. Ik lijk op hem, zegt hij elders: ik kijk liever weg, vermijd, ben een beetje laf. Die passage over de oorlog is centraal en uitgebreid en al die Hollandse beelden in een Engelse documentaire geven het een net weer een ander karakter dan je gewend bent. Hij is ook pijnlijk, zozeer dat je het gevoel krijgt dat het mede een rol heeft gespeeld in het zich afwenden van Nederland. Naast al dan niet vermeende miskenning.

Waar een pijnlijkheid bij komt, in mijn ogen. Direct na de oorlogspassage gaat de film over in een jubelende behandeling door direct betrokkenen (bariton Thomas Allen die Hans Sachs zong) van een volgens hen meesterlijke Meistersinger von Nürnberg. Na uren woede en onenigheid kijkt Sachs over de stad uit en denkt: ‘Wat kan die ook vredig zijn.’ Allen prijst Haitink die het orkest op hoog niveau laat spelen, maar toch volledig in dienst van de zangers. Bravo. Maar in de film geen woord over de keus om antisemiet Richard Wagner hier zo aan vrede en rust te koppelen. Een curieuze keus.

‘Veel twijfels, lichtgeraakt’, zegt Werner Herbers over Haitink. ‘Complex karakter, daarom is hij ook zo een goede Mahler-dirigent: complexe muziek.’ Tja, ik moet er een beetje om lachen, maar dat hij een meester in Mahler werd, dat staat buiten kijf. Dat was trouwens een lange reis: hij was net aangesteld toen de leiding van wat nu KCO heet hem een complete Mahler-cyclus wilde laten doen. Koppig (en wijs) verdomde hij dat: ‘één per jaar’ eiste hij. Grijnzend: ‘Ik heb er tien jaar over gedaan’.

En nu? ‘Voor mijn vermoeide oren zijn de Mahler-symfonieën soms te lang en te luid. Te veel Mahler is niet goed voor een mens.’ Zijn ultieme liefde is Bruckner geworden. De Zevende dus, zijn zwanenzang in Amsterdam (met zijn eerste orkest, het Radio Filharmonisch, en dus niet KCO!); in Londen en Luzern met de Wiener Philharmoniker. Luzern de allerlaatste. Lyrisch zijn kenners, liefhebbers en recensenten. Wat hij geleerd heeft, zegt hij, is doseren. Het is als een tocht door de bergen: niet bij het eerste uitzicht blijven staan: er komt nog zoveel moois. Emanuel Ax: ‘Weinigen zien de hele tocht, hij wel. Hij blijft opbouwen tot een geluid van vreugde. Zijn rust is zo geweldig. Hij heeft me van Bruckner leren houden.’ Lange lijnen tekenen zijn meesterschap, daar is iedereen het over eens.

Ach, er is zoveel meer. En het is niet louter hagiografie. Laat ik sluiten met typerende citaten. Haitink is het gelukkigst in zijn studeerkamer met een partituur. Liefst een schone, zonder zijn eerdere aantekeningen (wat wijst op vermijden van routine, op steeds opnieuw consciëntieus beginnen.) Na één of twee uur studie beseft hij: ‘Heerlijk alleen geweest, zonder te denken: o god, ik heb iets verkeerds gezegd, hem of haar gekwetst of wat dan ook’. Een geniale, sociaal onhandige, verlegen man. En een citaat over muziek. Bridcut zegt over de Zevende van Bruckner: ‘Maar dat is zo een moeilijk stuk om te dirigeren’. Haitink glimlacht: ‘Noem mij een stuk dat makkelijk is om te dirigeren’. Einde film.


John Bridcut, Bernard Haitink: De mysterieuze maestro, NTR Het uur van de wolf, zondag 3 januari, NPO 2, 19.50 uur