Peter d’Hamecourt, Rusland in gijzeling

Minachting voor eigen burgers

Peter d’Hamecourt

Rusland in gijzeling:

De dramatische afloop van de musical Nord-Ost

Uitg. Mets & Schilt, 255 blz., € 20,

De laatste jaren wordt in Nederland in toenemende mate geklaagd over de afstand tussen de politiek en de burger. Deze zou veel te groot zijn, waardoor de burger het gevoel krijgt dat de overheid er niet voor hem is, maar dat het een op zichzelf staande macht is, met belangen die tegengesteld zijn aan die van hem.

Nog afgezien van de vraag in hoeverre een zekere afstand tussen bestuur en bestuurden noodzakelijk is, stelt die «kloof» in Nederland absoluut niets voor als we die vergelijken met de oceaan die er in Rusland spoelt tussen de overheid en de burger. Russen zien de staat niet als een instrument ter bevordering van het algemeen belang, maar als een vijandelijke mogendheid, een bezettingsmacht. Dat verschijnsel is niet van vandaag of gisteren, en dateert van ver voor de communistische dictatuur. De negentiende-eeuwse historicus V.O. Kljoetsjevski schreef: «Ik ken geen samenleving die meer geduld heeft met — ik wil niet zeggen vertrouwen in — haar regering. Evenzo weet ik geen regering, die zo kwistig omspringt met het geduld van de samenleving, als was het overheidsgeld.»

Dit citaat vormt het motto van Rusland in gijzeling, het boek dat NOS-correspondent Peter d’Hamecourt schreef over de dramatische gijzelingsactie van Tsjetsjeense rebellen in een Moskous theater, oktober vorig jaar. De titel van dit bloedspannende, meeslepende en zonder literaire opsmuk geschreven boek is voor verschillende uitleg vatbaar. Uiteraard werd Rusland in overdrachtelijke zin gegijzeld door Tsjetsjeense opstandelingen, die hiermee de uiterst vuile oorlog in de Kaukasus op de stoep van de Moskovieten deponeerden. Maar uit het verhaal van D’Hamecourt wordt tevens duidelijk dat de Russische samenleving nog steeds wordt gegijzeld door haar eigen overheid. «De kortste afstand tussen twee punten is goed georganiseerd geweld.» Deze woorden van Trotski lijken nog steeds het uitgangspunt van president Poetin, al mogen we aannemen dat hij de verbannen en later vermoorde mede oprichter van de Sovjet-Unie nooit heeft gelezen.

Nu kan men uiteraard tegenwerpen dat het geweld waarmee op zaterdag 26 oktober 2002 een einde werd gemaakt aan de gijzeling in het musicaltheater aan de Eerste Doebrovka-straat, en waarbij niet alleen de 42 gijzelnemers maar ook nog 190 gijzelaars om het leven kwamen, allesbehalve «goed georganiseerd» was. Dat is echter een kwestie van perceptie. Het streven van de Russische regering was er immers op gericht de Tsjetsjeense terroristen te liquideren en te voorkomen dat zij het met explosieven volgestouwde theater de lucht in bliezen. Uit militair oogpunt was de actie van de zogenaamde Alfa-eenheid een succes. De collateral damage viel weliswaar iets hoger uit dan gehoopt, maar dat maakte het triomfalisme van de militaire en politieke top er niet minder om.

In het boek van D’Hamecourt worden op vrijwel elke bladzijde bewijzen geleverd voor de abgrundtiefe minachting die de overheid koestert jegens haar eigen bevolking. Op beeldende wijze schetst de auteur, die niet alleen de gehele gijzelingsactie heeft gevolgd maar ook met tal van betrokkenen heeft gesproken, de volkomen chaos in het crisiscentrum, de elkaar tegenwerkende bureaucratieën en de lamlendige wijze waarop soldaten het kordon rond het theater bewaakten.

Dat laatste was er de oorzaak van dat verschillende keren verwarde, vaak aangeschoten burgers het theater binnenwandelden met als doel de gijzelnemers op andere gedachten te brengen. Zij werden zonder omhaal door de Tsjetsjenen afgemaakt. Overigens is het ook de overheid te verwijten dat deze mensen dachten dat er met de terroristen te praten viel, aangezien de bevolking door de scherpe censuur geen enkel idee had van wat zich in Tsjetsjenië afspeelt. Men besefte niet in welke mate de Russen worden gehaat.

Maar het duidelijkst bleek de minachting voor de burgers uit de wijze waarop de gijzelaars, na de succesvolle commandoactie, werden geëvacueerd en opgevangen. Het gebruik van explosieven en gas was al zeer riskant geweest, maar een goed evacuatieplan had vele slachtoffers kunnen voorkomen. Nu was dit cruciale aspect van de operatie overgelaten aan hiervoor niet opgeleide soldaten en een handjevol vrijwilligers. Die hadden geen idee hoe de bedwelmde gijzelaars moesten worden vervoerd. Mensen werden op de schouders getild of zelfs gesleept, om daarna in auto bussen te worden neergezet. Aangezien het gebruikte gas een spierverslappend middel bevatte, had men de tong van de slachtoffers met een veiligheidsspeld aan de kleding moeten vastzetten, en de mensen op hun zij moeten neerleggen. Omdat dat niet gebeurde zijn veel gijzelaars na hun «bevrijding» gestikt omdat hun tong hun luchtweg afsloot.

Bijzonder navrant is ook het verhaal van Marat Abdrachimov, een van de gegijzelde acteurs. In de musical was hij een piloot en droeg een uniform. Daarbij was hij afkomstig uit Basjkirië en kon hij met zijn donkere uiterlijk doorgaan voor een Tsjetsjeen. Het was al een wonder dat hij niet direct overhoop was geschoten, maar het urenlange, ruwe verhoor waaraan hij na de bevrijdingsactie werd onderworpen moet een gruwelijke ervaring zijn geweest. Bedwelmd door het gas was hij half van de wereld, en moest hij vragen beantwoorden om te bewijzen dat hij inderdaad bij de cast hoorde. Toen alle twijfels over zijn identiteit waren weggenomen, stuurden de soldaten hem geïrriteerd en zonder pardon weg.

Dit verhaal is een van de vele die het boek van D’Hamecourt zo aangrijpend maken. Centraal in het boek staat evenwel de familie Zjirov, die op het moment van de gijzeling twee jaar de Nederlandse nationaliteit bezat en voor familiebezoek in Moskou was. Natasja en Oleg Zjirov hadden Rusland verlaten wegens de bureaucratie, de corruptie, de algehele desorganisatie en de willekeur. Natasja Zjirov bevond zich samen met haar veertienjarige zoon Dima in het theater om te genieten van die kant van Rusland waar ze zo van hield: het overdadige theaterleven.

Gedurende het gehele boek leeft de lezer intens mee met Oleg, die in de ijskoude druilregen buiten het theater dagenlang rondloopt met zijn mobiele telefoon, in de hoop iets te kunnen doen voor zijn vrouw. Omdat er steeds sprake van is dat de buitenlandse gijzelaars wellicht worden vrijgelaten, flakkert er telkens een sprankje hoop op — die steeds weer de bodem in wordt geslagen. Olegs zoon Dima overleeft de bestorming van het theater, maar aan het einde van die gruwelijke zaterdag blijkt dat zijn vrouw is omgekomen. Ze was ingehaald door het Rusland dat ze zo verafschuwde.