Minder

De rechtszaak tegen Geert Wilders bewijst het weer: het inperken van de vrijheid van meningsuiting is een middel dat de kwaal kan doen verergeren. Intolerantie vraagt om weerwoord.

Het uitlekken van de conceptpleitnota in het proces tegen pvv-leider Geert Wilders is voer voor een lekker lezende detective. Of anders wel voor een televisieserie die het midden houdt tussen het Deense politieke drama Borgen en het immens populaire Homeland over een Amerikaanse cia-agent.

Het Algemeen Dagblad had het concept van de pleitnota vorige week in handen gekregen, kort voor de eerste openbare zittingsdag in het proces tegen Wilders waarin hij terechtstaat voor het beledigen van een bevolkingsgroep en het aanzetten tot haat en discriminatie. De pleitnota blijkt ook te zijn aangeboden aan de Volkskrant. Maar, zo schrijft deze krant, ‘uiteindelijk werd een afspraak voor een telefonisch gesprek niet nagekomen en ging het contact verloren’. Spannend, toch?

Het lekken naar de pers roept allerlei vragen op. Is de computer van de advocaat van Wilders gehackt, zoals zijn advocaat Geert Jan Knoops beweert? Door wie dan? Of komt het concept in handen van de krant via iemand uit Wilders’ eigen fractie? Is dat misschien zelfs met medeweten van Wilders zelf gegaan? Wie heeft er eigenlijk belang bij dit lek? Thuis op de bank zou dat heerlijke kost zijn. Maar nu het werkelijkheid is en geen gespeeld drama is het verontrustend.

Twee jaar geleden, op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen, vroeg Wilders aan de pvv-aanhang in een Haags etablissement of deze meer of minder Marokkanen wilde. Een driewerf ‘minder’ was het antwoord, met dank aan de aanmoediging daartoe van een medewerker van Wilders. Is wat Wilders deed strafbaar of valt het onder de vrijheid van meningsuiting? En verschilt zijn vraag van twee jaar geleden van het pvv-verkiezingsprogramma waarin al in 2006 stond dat er een ‘immigratiestop voor niet-westerse allochtonen (Turken en Marokkanen)’ moet komen? Heel ongemakkelijk voelt die vraag, maar toch is het goed daar eens over na te denken.

Het is de tweede keer in een dikke vijf jaar tijd dat Wilders terechtstaat voor zijn uitlatingen. De eerste keer was dat onder meer naar aanleiding van zijn film Fitna en het waarschuwen voor een ‘tsunami van islamisering’. Wilders werd vrijgesproken.

Net als nu was er ook toen vooraf tumult. Twee keer werd gepoogd de rechters te wraken, de tweede keer met succes. Nu zijn er nadrukkelijk rechters op de zaak gezet die geen lid zijn van een politieke partij. Allemaal om Wilders toch maar niet de kans te geven te zeggen dat de rechters bevooroordeeld, links of lid van d66 zijn. Wilders maakt anderen graag het verwijt er een ‘politiek proces’ van te maken, maar doet er zelf alles aan om dat beeld in stand te houden. De benoeming van de rechters is buigen voor die tactiek.

Wilt u meer of minder rechts­zaken over de vrijheid van meningsuiting?

Onderdeel van de tactiek lijkt ook het verzoek tot uitstel van de inhoudelijke behandeling van de zaak tot komend najaar. Dat verzoek kwam van de verdediging. De rechtbank zal het puur inhoudelijk hebben beoordeeld en toegewezen, maar het gevolg is wel dat het de politicus Wilders in de kaart speelt. Dit najaar is de opmaat naar de Kamerverkiezingen van volgend jaar maart. Met de rechtszaak weet Wilders zich gegarandeerd van publiciteit en kan hij zich wentelen in zijn favoriete rol van slachtoffer. Wederom, wie maakt er nu eigenlijk een politiek proces van?

De Raad voor de Rechtspraak kwam deze week met haar advies op het initiatiefwetsvoorstel van het cda om het verheerlijken van gewapende strijd en terroristische misdrijven strafbaar te stellen. Ook hier speelt de vrijheid van meningsuiting een hoofdrol, nu met de vraag of deze extra wettelijk begrensd moet worden.

Het driewerf ‘minder’ was misselijkmakend, het zwaaien met IS-vlaggen is dat zo mogelijk nog meer. Maar de Raad heeft ‘zwaarwegende’ bezwaren tegen het wetsvoorstel. Is de verheerlijking van gewapende strijd van de ene groepering wel geoorloofd en die van een andere niet? Wie beslist daarover? En wie bestempelt een daad als een terroristisch misdrijf? Stel dat een twintigjarige een in scène gezette ‘onthoofding’ verheerlijkt?

De Raad waarschuwt ook voor de kritiek en media-aandacht als het Openbaar Ministerie meent dat er geen zaak is, maar degene die aangifte heeft gedaan toch vervolging probeert af te dwingen. IS-vlaggen die wel tot een rechtszaak leiden, maar het verheerlijken van de gruweldaden van de Syrische president Assad niet? Ook zal de verontwaardiging groot zijn als het OM een keer een zaak niet doorzet waarin aangifte is gedaan tegen blanke mannen en vrouwen vanwege het verheerlijken van terrorisme. Het kan leiden tot het verwijt dat het politieke processen zijn.

Mede daarom moet uiterst voorzichtig en zorgvuldig worden omgegaan met wetsvoorstellen die de vrijheid van meningsuiting beperken of met rechtszaken die deze vrijheid beogen in te perken. Dat is geen zwichten voor intolerantie, abjecte meningen of het dwepen met geweld – maar inzien dat het aan banden leggen van de vrijheid van meningsuiting een middel is dat de kwaal kan doen verergeren. Het is het kind met het badwater weggooien.

Meningen bestrijd je volgens mij met meningen. Keer op keer, telkens weer. Zeker als je die meningen abject vindt. Tolerantie voor intolerantie is een verkeerde houding. Intolerantie behoeft weerwoord, vergt ‘strijd’. Pas als meningen worden omgezet in geweld of in het dreigen met dan wel oproepen tot geweld komen het OM en de rechtbank om de hoek kijken. Maar wat vindt u? Wilt u meer of minder rechtszaken waarin de vrijheid van meningsuiting een hoofdrol speelt?