Reconstructie: Klimaatverandering in de polder

Minder CO2, méér subsidie

Het kabinet wil het Klimaatberaad vlottrekken door bij alle onderhandelingen een topambtenaar met een zak geld aan tafel te zetten. Vertragingstactieken hebben de Nederlandse industrie geen windeieren gelegd.

De hoogovens van Tata Steel in IJmuiden © Robin Utrecht / HH

‘Wablief?! Moet de belastingbetaler opdraaien voor de vervuiling van multinationals die zelf hun winsten naar belastingparadijzen wegsluizen?’ De vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft tijdens vier maanden onderhandelen niet veel gezegd. Maar nu kan hij zich niet beheersen. Het is woensdag 27 juni, de avond voordat de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord naar de minister moeten. De setting is een zalencentrum langs de A20 in Alexanderpolder, waar de ‘Industrietafel’ van het Klimaatberaad bijeen is. Zojuist heeft de industrie een stuk op tafel gelegd waarin ze van de overheid een miljard euro per jaar eist om haar klimaatinvesteringen te financieren. Een voorstel van de minister om de kosten te delen, werd door de bedrijven naar de prullenbak verwezen. ‘Dat was nogal een dreun’, zegt een getuige.

En het was zo mooi begonnen, in februari van dit jaar. Met ‘het groenste regeerakkoord ooit’ in de achterzak stelde minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat vijf ‘sectortafels’ samen voor industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, elektriciteit en landbouw, die hij de opdracht gaf om voor de zomervakantie met concrete voorstellen te komen voor een drastische vermindering van broeikasgasemissies. Nu, driekwart jaar later, is van dat aanstekelijke optimisme uit het voorjaar aan de Industrietafel weinig meer te merken. Het omslagpunt, zeggen betrokkenen, was die zomeravond in juni.

De Industrietafel is de belangrijkste tafel van het Klimaatberaad. Als daar geen substantiële bijdrage vandaan komt, vergeet je doelstellingen dan maar. De industrie is verantwoordelijk voor veertig procent van de broeikasgassen in Nederland. Maar juist aan deze tafel is de afgelopen maanden de minste vooruitgang geboekt.

Vlak voor het zomerreces schreef het Planbureau voor de Leefomgeving (pbl) in een vertrouwelijke tussenstandrapportage dat het in de plannen van de industrie nog ‘geen omvattende visie of totaalbeeld’ en ‘geen consistente roadmaps of masterplannen’ kon ontdekken. Twee weken terug, in een formeel advies aan het kabinet, concludeerde het dat onduidelijk is wat de industrie concreet op korte termijn wil gaan doen en hoe hun rekening is samengesteld.

De Industrietafel wordt gedomineerd door een staalgigant en elf olie- en chemiereuzen. Tata Steel, Shell, Exxon, BP, Total, Dow, Akzo, Sabic, Air Liquide, Air Products, Yara en OCI Nitrogen hebben zelfs hun eigen stamtafel, afgezonderd van de ‘hoofdtafel’, waar ze met elkaar overleggen zonder pottenkijkers van de overheid, de milieubeweging of andere industrieën. ‘De 75-procentstafel’ wordt deze genoemd, omdat de twaalf samen drie keer zo veel broeikasgassen uitstoten als de rest van de industrie bij elkaar. Zonder medewerking van ‘de Grote Twaalf’ is een effectief Klimaatakkoord kansloos.

Op papier ziet hun opdracht er niet onmogelijk uit. Om aan ‘Parijs’ te voldoen moet Nederland zijn uitstoot van broeikasgassen in 2030 hebben teruggebracht tot de helft van het niveau van het ijkjaar 1990. De industrie heeft van de regering opdracht gekregen de uitstoot met veertien megaton te reduceren. De afgelopen twintig jaar is de sector al ruim dertig megaton minder gaan uitstoten, dus nog eens de helft daarvan in de helft van de tijd lijkt niet te veel gevraagd.

In de praktijk zit de overheid in een ruimte met twaalf multinationals die allemaal liever ergens anders zouden willen zijn. Omdat ze concurrenten zijn van elkaar. Omdat ze gewend zijn hun belangen onder vier ogen met bewindspersonen te bespreken. Omdat ze op het Europese en wereldtoneel tot nu toe juist alles op alles hebben gezet om effectieve klimaatafspraken te dwarsbomen. En omdat ze – een uitzondering daargelaten – verwachten dat hun uitstoot de komende jaren zal stijgen in plaats van dalen.

Ook gedeputeerden, wethouders, deskundigen en vertegenwoordigers van de milieubeweging zitten aan tafel. Hun geduld is op, zo bleek uit gesprekken die we met hen voerden. ‘Kwartetten met technieken is geen transitie’, zegt een wetenschapper stekelig. ‘Soms moet je als overheid durven zeggen: zó gaan we het doen’, stelt een provinciebestuurder. En iemand uit de milieubeweging waarschuwt: ‘We verwachten een doorbraak, een echte verandering. Voor een poldercompromisje hadden we geen nationaal Klimaatberaad hoeven optuigen.’

Op 7 maart, net voordat de onderhandelingen beginnen, presenteert de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (vnci) in Den Haag een rapport, Chemistry for Climate, aan minister Wiebes. De gebeurtenis krijgt weinig aandacht: wéér een rapport. Maar wie de studie leest, krijgt de indruk dat er bij de industrie iets radicaal is veranderd; dat ze nu wél in is voor ambitieuze afspraken over het klimaat.

In het rapport stellen twee onderzoeksbureaus, Berenschot en Ecofys, helder en overtuigend: de chemische industrie kan in 2050 vrijwel geheel klimaatneutraal zijn. Technisch is dat mogelijk. Maar dan moet de sector vanaf vandaag, zonder aarzelen, alle beschikbare technieken gaan inzetten. Elke concessie aan deze drastische aanpak vergroot de kans dat 95 procent emissiereductie in 2050 niet wordt gehaald.

De urgentie spat van de pagina’s. Wil de Nederlandse chemie haar processen volledig circulair maken, zodat eindproducten weer gebruikt kunnen worden als grondstoffen en er bijvoorbeeld ook geen plastic meer in het milieu verdwijnt? En wil ze voorop lopen in de ontwikkeling van nieuwe technieken, zodat banen en kennis in Nederland blijven? Dan is onmiddellijk en grootschalig handelen noodzakelijk.

Maar de twee adviesbureaus hebben op nadrukkelijk verzoek van hun opdrachtgever, de vnci, ook een ánder scenario doorgerekend: voor de helft van het geld (16 in plaats van 27 miljard) is er ook een traject mogelijk dat voor 2030 tot een uitstootvermindering van 49 procent leidt. Zeg maar: de opgave uit het Klimaatakkoord. ‘Nakoming tegen de geringste kosten’ noemen de onderzoekers dit scenario veelzeggend.

Aan de vooravond van het Klimaatberaad heeft de chemische industrie zichzelf dus twee opties verschaft: een ambitieus plan en een zuinig plan. Het ene redt voorlopig haar gezicht naar buiten, het andere haar gezicht naar de aandeelhouders. Nu, een half jaar later, wordt alleen nog over het zuinige plan gesproken. Waarom? Volgens betrokkenen zitten niet de juiste mensen aan tafel, is de opdracht te vaag geformuleerd, hangt de financiering als een zwaard van Damocles boven de tafel en hebben enkele van de grootste vervuilers het overleg gegijzeld.

De Nederlandse industrie is als de dood voor CO2-belasting

‘Filiaalhouders’ worden de directeuren van de olie- en chemiereuzen door sommige anderen aan de Industrietafel smalend genoemd. Van de twaalf grootste vervuilers die een doorslaggevende stem hebben in het Nederlandse Klimaatakkoord worden er tien aangestuurd uit het buitenland. Drie daarvan (Exxon, Dow en Air Products) hebben hun hoofdkantoor in een land dat als enige zijn medewerking aan het VN-klimaatakkoord heeft opgezegd. Twee (Sabic en OCI Nitrogen) zijn gevestigd in Midden-Oosterse olielanden. Eén (BP) zetelt in Groot-Brittannië, dat binnenkort zijn rug keert naar de strenge Europese klimaatnormen. En Zeeland Refinery klinkt misschien Hollands, maar is voor de helft in handen van Russische oliebaronnen. Yara (uit Noorwegen) en Air Liquide (uit Frankrijk) zijn op z’n minst nog Europees. Alleen Akzo en Shell hebben een hoofdkantoor in Nederland.

‘Op één of twee rare figuren na’ lijken de Nederlandse ceo’s er persoonlijk van doordrongen dat er echt iets moet gebeuren, zeggen anderen aan de Industrietafel. Maar op hun internationale hoofdkantoren maken deze nieuw verworven ecologische inzichten weinig indruk. Daar wil men op de eerste plaats een rendabele business case zien.

De hoofdkantoren van deze bedrijven zijn bovendien vaak betrokken bij steun aan klimaatsceptici. Chemiebedrijf Dow, bijvoorbeeld, sponsorde de campagne van Trump en financierde zijn inauguratie met een miljoen dollar. De chemiebedrijven Sabic en Air Liquide houden de Republikeinse senatoren John Barrasso en Steve Scalise – na Ted Cruz en Trump de invloedrijkste klimaatontkenners – financieel in het zadel.

De betrokken oliebedrijven investeren niet alleen nauwelijks in duurzame energie, ze geven ook veel geld aan lobby’s om klimaatmaatregelen te frustreren. Vorige maand nog lekte er via Greenpeace een vertrouwelijke e-mail uit van lobbygroep BusinessEurope waaruit blijkt dat tijdrekken de belangrijkste strategie is van de industrie. In de aanloop naar de klimaatconferentie COP24 in december in Polen adviseert de lobbygroep haar leden, waaronder Shell, BP, Total en Exxon, ‘om zich te verzetten tegen een versnelling van de ambities met gebruikelijke argumenten zoals level playing field’.

De Nederlandse industrie is als de dood dat er een nationale ‘carbon tax’ wordt ingevoerd – een belasting op CO2-uitstoot. Daarmee zou de rekening voor emissiereductie grotendeels op haar bordje komen, terwijl de industrie nu juist hoopt zo veel mogelijk investeringen te kunnen doen op kosten van de overheid, lees: de samenleving. Het belangrijkste argument is werkgelegenheid: als Nederlandse bedrijven méér moeten betalen voor hun vervuiling, dan moet dat óók gelden voor hun concurrenten in het buitenland. Anders vertrekken bedrijven. ‘Een CO2-belasting maakt Nederland armer’, waarschuwde vno-ncw vorige maand dreigend. Maar uit internationale onderzoeken blijkt weinig van dat weglekeffect en ook ons eigen Centraal Planbureau schreef onlangs: ‘De vrees dat klimaatbeleid de Nederlandse industrie blijvende schade berokkent, lijkt ongegrond.’

De klassieke linie van de industrie is dus steeds slechter verdedigbaar. De minister weet dat ook. Verschillende bronnen bevestigen dat ambtenaren van ezk aan de Industrietafel dreigend hebben gesproken over carbon tax als een optie als de industrie niet toeschietelijker wordt.

Over dit onderzoek

Voor dit artikel is met vijftien betrokkenen bij het Klimaatakkoord gesproken. We hebben anonimiteit beloofd, omdat in het beraad is afgesproken dat geen details naar de pers zouden worden gelekt. Voorts hadden we inzage in interne stukken die aan de Industrietafel zijn gedeeld. Met medewerking van Roanne van Baren en Ashley Igwe. Dit artikel is mogelijk gemaakt door Fonds 1877

Op 14 maart houdt minister Wiebes een potje met witte korrels tegen het licht. Hij is op bezoek bij het bedrijfje H2Fuel Systems in Voorschoten om het wonder met eigen ogen te zien: de waterstof in korrelvorm die in combinatie met zeer schoon water en een katalysator stroom en warmte vrijgeeft. Het poeder kan makkelijk worden opgeslagen en via bestaande tankstations worden verspreid. Grote opslagtanks en dure leidingen zijn overbodig.

Waterstof is een soort batterij: je kunt er energie in opslaan. Je gebruikt groene stroom, bijvoorbeeld van windmolens op zee, om watermoleculen te splitsen in waterstofgas en zuurstof. Dan transporteer je de waterstof, als gas door gasleidingen, of als poeder in blikken, naar de plek waar je energie nodig hebt: een fabriek of voertuig. Daar breng je de waterstof weer in contact met zuurstof waardoor onschuldig water ontstaat. Bij dat chemische proces komt energie vrij die in een brandstofcel direct kan worden omgezet in elektrische stroom.

Industriële en chemische processen maken vaak gebruik van enorme verhitting, die wordt veroorzaakt door olie en gas. Hierbij komt veel CO2 vrij. Door ovens en boilers te ‘elektrificeren’ kan de CO2-uitstoot tot nul worden gereduceerd. Met waterstof kan deze stroom worden opgeslagen voor als het niet waait, of de zon niet schijnt.

We kunnen daarvoor genoeg groene stroom opwekken, met windmolens op zee, zo laten deelnemers aan de Elektriciteitstafel weten. ‘De Noordzee is een power house. De industrie hoeft maar in te pluggen.’ Hoe meer stroom de industrie vraagt, des te liever. ‘Want die massa maakt de omslag uiteindelijk goedkoper.’

Tot frustratie van de deelnemers aan de Elektriciteitstafel weigert de industrie nog om massaal voor stroom te kiezen. Dat komt doordat het regeerakkoord hen een uitweg biedt: grootschalige opslag van CO2 onder de grond. Volgens velen een ‘dode techniek’ die veel investeringen en veiligheidsmaatregelen vraagt, maar wel één voordeel heeft: de industrie kan nog een flink aantal jaar doorgaan met broeikasgassen uitstoten en hoeft de op olie- en gasgestookte installaties nog niet om te bouwen naar elektriciteit.

De kapitaalintensieve industrie heeft een investeringscyclus van twintig tot dertig jaar, dus vóór 2050 kunnen vrijwel alle oude fossielgestookte installaties zijn vervangen door elektrische. Dat is een gezonde business case.

Het is bijna vier keer zo duur om de lucht schoner te maken dan om haar te vervuilen

Het kost momenteel 23 euro om een ton CO2 in de atmosfeer te lozen. Stel je voor dat het net zo veel zou kosten om een ton broeikasgas uit de lucht te halen of eventueel onder de grond te stoppen. Dan was de keuze snel gemaakt, niet? Maar in werkelijkheid is het bijna vier keer zo duur om de lucht schoner te maken dan om haar te vervuilen. De industrie raamt de kosten van de noodzakelijke investeringen op 85 euro per ton.

Het prijsverschil tussen 23 en 85 euro is door de industrie als ‘onrendabele top’ bestempeld. Er zijn twee manieren om de kloof van 62 euro per ton uitstoot te overbruggen: je kunt het goedkoper maken om te investeren of duurder om níet te investeren. De overheid kan de industrie verleiden met subsidie of dwingen met een hogere CO2-prijs. Het spreekt voor zich waar de voorkeur van de aandeelhouders naar uitgaat.

De overheid biedt nu al meer dan acht verschillende subsidieregelingen voor energiebesparing of duurzame energie in de industrie. Ook het pblheeft twijfels over de effectiviteit van wéér een ruif. Het is bang dat snelle en relatief goedkope oplossingen zoals de opslag van CO2 met de meeste subsidie gaan strijken, waardoor duurzamere opties als elektrificatie en groene waterstof het nakijken hebben. Het adviseert de regering met bedrijven individueel harde afspraken te maken over welke investeringen ze gaan doen in ruil voor een bijdrage van de overheid.

De overheid heeft de patstelling zelf in de hand gewerkt. Door de industrie de regie te geven aan de Industrietafel. De tafel van de Grote Twaalf wordt voorgezeten door Gertjan Lankhorst, oud-directeur-generaal van Economische Zaken maar nu voorzitter van de belangenvereniging voor zakelijke energiegebruikers. Aan de tafel van kleinere vervuilers wordt de hamer gehanteerd door Colette Alma, directeur van de lobby van chemische bedrijven, en door Erik Klooster, directeur van de belangenvereniging van de olie-industrie. Greenpeace en Natuur & Milieu hebben ook een plaats aan de Industrietafel. Maar ze waren niet welkom bij de besloten vergaderingen van de twaalf grootste vervuilers.

Opvallende afwezigen zijn wetenschappers. Vorig jaar riepen negentig Nederlandse hoogleraren de regering nog in een open brief op om haast te maken met de verduurzaming. Nederland wist waarschijnlijk vóór die tijd niet dat het zoveel transitie- en duurzaamheidsdeskundigen in huis had. Desondanks heeft de regering de regie aan de grote industrie overhandigd. Of, in de woorden van de enige aanwezige wetenschapper: ‘De kalkoenen is gevraagd om het kerstmenu samen te stellen.’

Intussen gaat de uitstoot van broeikasgassen onverminderd door. De industrie vertelt graag dat ze sinds 1990 de uitstoot met 31 miljoen ton (35 procent) heeft verminderd. Dat klopt. Maar deze daling was grotendeels het gevolg van een relatief goedkope aanpassing. Door het toevoegen van een katalysator bij de productie van salpeterzuur (voor de kunstmestindustrie) werd voorkomen dat er nog langer N2O (lachgas) vrijkwam. Omdat lachgas driehonderd keer schadelijker is voor het klimaat dan CO2 had dit een aanzienlijk effect op de totale uitstoot van broeikasgassen. Zo’n sappige laaghangende vrucht heeft zich sindsdien echter niet meer aan de boom getoond. De laatste jaren neemt de uitstoot door de industrie juist weer toe.

In totaal is de emissie van de twaalf grootste vervuilers de afgelopen vijf jaar met zeven procent gestegen, zo blijkt uit een analyse die we hebben gemaakt op basis van cijfers van het European Environment Agency (eea). Zeven van de twaalf brengen elk jaar méér broeikasgassen in de atmosfeer. Zonder draconische ingrepen wordt het niet beter. Meer welvaart betekent meer vraag naar chemische producten zoals kunststoffen – en dus meer uitstoot.

Betrokkenen herinneren zich vooral de grote hoeveelheden zalm. Op 3 september verzamelden de deelnemers aan de Industrietafel zich, voor het eerst sinds de zomervakantie, aan boord van de Nieuwe Maze, een luxe catamaran van het Rotterdamse havenbedrijf die vaart op laagzwavelige brandstof. Tijdens de borrel, op het water, werd er vooral naar de vakanties geïnformeerd, maar tijdens het eten werd de sfeer noodgedwongen formeler.

In de post was een verzoek gekomen van vno-ncw om bij de Industrietafel te mogen aanschuiven. Er ontspon zich een discussie waarin sommigen zich afvroegen of de centrale werkgeversvereniging wel zo’n vooruitstrevende partner is en wat de reden kon zijn dat ze nu opeens wilde meepraten. Het antwoord kwam een paar weken later toen vno-ncw met mitrailleurvuur via NRC Handelsblad een plek in de publicitaire voorhoede opeiste, met de waarschuwing: Nederland, loop niet voor de muziek uit.

Deze week zijn de onderhandelingen hervat en de werkgeverskoepel is aangeschoven. Inmiddels heeft het ipcc weer de alarmklok geluid: er is meer voor nodig dan we al dachten om de temperatuurstijging op aarde tot 1,5 graad te beperken. 49 procent minder CO2-uitstoot in 2030 is niet genoeg. Greenpeace eist nu dat het Nederlandse Klimaatakkoord veel verder gaat dan dat.

Om de onderhandelingen vlot te trekken posteert Wiebes nu aan elke klimaattafel een topambtenaar met een geheime hoeveelheid geld. Zijn dienaar bij de industrie heeft zuur én zoet in zijn achterzak: een C02-heffing voor bedrijven die na enige jaren nog steeds blijven uitstoten, en de belofte dat de opbrengsten van die belasting vergroeningsmaatregelen in de industrie ten goede komen. En is er ook nog de mogelijkheid voor massieve overheidssubsidie om de heffingspijn te verzachten.

Misschien dat de chemische industrie het verschil kan maken – de ‘swing vote’ aan de Industrietafel, aldus betrokkenen. Als Nederlandse chemische bedrijven omschakelen, is dat geen druppeltje op een gloeiende plaat. Voor een klein landje hebben we een voorname industrie. Van de vijftig grootste chemiebedrijven in de wereld hebben er twintig een vestiging in Nederland. Bovendien is de Nederlandse chemische industrie door uitwisseling van energie en grondstoffen stevig verknoopt met de chemiereuzen in het Ruhrgebied en met het derde grote Europese cluster, dat in de Antwerpse haven.

De komende maanden worden bepalend. Blijft de industrie in de loopgraven steken of gaat ze voor de muziek uit lopen, in de overtuiging dat die voorsprong zich een keer zal uitbetalen? Komt er een compromis of een doorbraak?

‘Waar is de ondernemingszin gebleven?’ vraagt Ruud Koornstra retorisch. Hij is de enige aan de Industrietafel die het niet erg vindt om geciteerd te worden. Nee, hij wíl geciteerd worden. De minister heeft hem immers de rol van aanjager toebedeeld. De flamboyante ondernemer adviseert bedrijven bij de overstap naar duurzaamheid. ‘Niks subsidie: transitie is een business case’, houdt hij de ceo’s voor. ‘Als wij, in een van de rijkste, innovatiefste en vuilste landen niet het voorbeeld geven, wie moet het dán doen?’