Minder doden, minder hulp?

ELKE VORM VAN hulp zou eigenlijk tot doel moeten hebben zichzelf overbodig te maken. Of het nou staatssteun aan een noodlijdend bedrijf of geld voor de visserijsector in Zanzibar betreft. Als het niet werkt, kun je er beter mee ophouden. En als het wel werkt moet je er, heel voldaan, ook mee stoppen. Niets zo mooi als ten onder gaan aan je eigen succes.
In de internationale samenwerking gebeurt dat niet vaak. Succes wordt juist aangegrepen om door te gaan. Het werkt! Eindelijk iets gevonden dat aantoonbaar wel werkt, dat moeten we meer doen!
Zonder het nu te simplificeren - het kan zijn dat hulp werkt, maar een probleem nog niet volledig is opgelost - speelt een dergelijk zichzelf versterkend proces ook bij de inspanningen om hiv/aids terug te dringen.
Deze week is er in Wenen een megaconferentie (aids2010) voor iedereen die ook maar iets met hiv/aids te maken heeft. Doel is de wereld ervan te overtuigen dat iedereen recht heeft op preventie en behandeling. De boodschap is tweeledig. Ten eerste: aidspreventie en behandeling werpen hun vruchten af. Ten tweede: toch is veel meer geld nodig.
En dus kwam Bill Clinton langs om te zeggen dat donoren hun portemonnee moeten trekken. Bill Gates deed boter bij de vis en zei dat zijn stichting betrokken zou blijven ‘until this thing gets finished’. Die overweldigende solidariteit is natuurlijk mooi. Nu de cijfers. In de afgelopen vijftien jaar is het bedrag dat jaarlijks beschikbaar wordt gesteld met zo'n factor 50 gestegen, van 300 miljoen naar bijna 15 miljard dollar in 2009. Voor dit jaar beramen de betrokken organisaties de benodigde kosten op 25,1 miljard dollar. En dat is alleen voor arme landen.
Het zou natuurlijk vervelend en tamelijk demotiverend zijn om te constateren dat die enorme bakken geld niets helpen. Gelukkig. Het aantal nieuwe infecties daalt (met 17 procent in de afgelopen acht jaar), het aantal aidsgerelateerde doden daalt (met 10 procent in de afgelopen vijf jaar) en het aantal baby’s met aids daalt ook (200.000 infecties voorkomen, zegt UNAIDS). Aids is zeker niet doodsoorzaak nummer 1 in arme landen. Dat zijn infecties, hart- en vaatziekten en diarree. En meer mensen sterven door tuberculose en malaria samen dan door aids - blijkt uit de 'burden of disease’-studie van de Wereldgezondheidsorganisatie, WHO.
Hoe minder doden, hoe kleiner het probleem, hoe minder hulp? Dat is een dilemma. Aan de ene kant omdat de hulp kennelijk werkt. Het aantal doden daalt bijvoorbeeld omdat kostbare medicijnen beschikbaar worden gesteld - hou je daarmee op, stijgt de sterfte weer. Maar aan de andere kant is onontkoombaar een disbalans ontstaan tussen de noodzaak en de uitgaven. In sommige landen gaat meer dan de helft van alle gezondheidszorg naar hiv/aids, terwijl de bevolking overlijdt aan muggenbeten en gebrek aan schoon water. Per euro zouden muskietennetten, inentingen en waterputten meer effect hebben.
Die feiten worden hardnekkig naar de achtergrond gedrongen op de conferentie, waar voor dergelijke overwegingen geen plek is. Ten onrechte. Nederland zou die afweging wel moeten maken, want ons land betaalt per hoofd van de bevolking met afstand het meest aan UNAIDS, en is na de Verenigde Staten de grootste donor in aidspreventieland. Nu het beter gaat, is het tijd om de balans te hervinden en de uitgaven aan aids terug te schroeven.