Profiel: Willem Wilmink

Minder gewoon dan hij leek

Met de dood van Willem Wilmink is Nederland een van zijn weinige echte populaire schrijvers verloren. Populair betekent hier geliefd bij veel mensen en verstaanbaar voor het volk, voor niet-deskundigen. Een «populaire schrijver» lijkt een contradictio in terminis, maar Wilmink was het wel.

Dat hij bij veel mensen geliefd was, is niet alleen logisch maar ook terecht. Wilmink heeft de populaire cultuur van Nederland ontegenzeglijk verrijkt. Zijn gedichten en liedjes zijn voor altijd, en voor iedereen. Veel van zijn werk heeft een definitieve plek in het vaderlands collectief geheugen veroverd, en voor enkele Wilmink-verzen geldt hetzelfde als voor songs van Leonard Cohen: als je een paar keer hebt ontdekt dat dat fantastische nummer van je favoriete band een cover is van een Cohen-song begin je te begrijpen dat de oude meester echt een meester is.

Na zijn dood is Wilmink in de Nederlandse pers geloofd en geprezen. Niet alleen omdat hij zo’n «aardige man» was, maar ook omdat hij de poëzie «bereikbaar» maakte, over «gewone» dingen schreef, op zo’n manier dat je erom kon lachen, omdat hij liet zien dat taal ook «democratiserend» kan zijn. Omdat hij, kortom, de meester van het gewone was. Een zeer sympathieke meester.

Willem Wilmink schreef poëzie met gewone woorden, over gewone dingen, voor gewone mensen. Niet van die rare gedichten zonder punten en komma’s, maar gewoon hele zinnen, die iedereen kan begrijpen.

Hij is, was, een van de betere dichters van het lichte vers. Nee, hij was de beste — beter dan Drs. P, Jan Boerstoel, Kees Stip, Jan Kal, Levi Weemoedt, Hans Dorrestijn, Ivo de Wijs en al die andere rijmkunstenaars — de allerbeste was hij, Willem Wilmink.

In oktober 1936 werd hij geboren in Enschede. Dat hij zijn jonge jaren doorbracht in Twente zou niet zonder betekenis blijken voor zijn later leven en zijn werk. Met name de taal van de streek is Wilmink altijd dierbaar gebleven.

Van 1954 tot 1961 studeert Willem Wilmink Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij nadien docent moderne letterkunde wordt, aan het Instituut voor Neerlandistiek. Hij doceert tot 1978, om zich vervolgens geheel aan het schrijverschap te wijden.

Dat weerhoudt hem er echter niet van om van drs. W. toch dr. W. te willen worden. Met een proefschrift over de poëzie van Hendrik de Vries promoveert Wilmink tien jaar later, in 1988, aan de Katholieke Universiteit Brabant.

Dat is op z’n minst opvallend.

Wilmink begint met het schrijven van gedichten, liedjes en cabaretteksten tijdens zijn studentenjaren, en houdt daar niet meer mee op. In de loop der jaren wordt hij bedolven onder de prijzen: Zilveren en Gouden Griffels, Nienke van Hichtumprijs, Theo Thijssenprijs (voor zijn hele oeuvre). Dat oeuvre is werkelijk indrukwekkend. Tientallen dichtbundels en kinderboeken, vertalingen en bewerkingen, essays en bloemlezingen.

De Nederlandse (kinder)televisie heeft mede dankzij Willem Wilmink gloriejaren gekend. Zijn bijdragen maakten De Stratemakeropzeeshow, J.J. de Bom, voorheen de Kindervriend, Sesamstraat en Het Klokhuis tot zeer hoogwaardige en hoog gewaardeerde programma’s.

Daarbij ontsloot Willem Wilmink de Middeleeuwen voor Nederland. Door zijn vertalingen/bewerkingen van enkele evergreens — De reis van Sinte Brandaen, Mariken van Nieumeghen, Beatrijs, Elckerlyc — maakte hij het Nederlandse publiek deelgenoot van zijn eigen fascinatie voor de Middelnederlandse literatuur.

In 1957 schreef Annie M.G. Schmidt het gedicht Een dichter:

Piet Pluimers wou het liefste verzen schrijven

over wat late rozen in de zon.

Hij was een dichter en wou het blijven.

Hij schreef sonnetten toen hij pas begon.

Het rijmde ook. Maar and’re dichters zeiden:

je mag niet rijmen joh, ’t is geen gezicht !

Je moet zorgvuldig alle rijm vermijden,

want een gedicht dat rijmt is geen gedicht.

En dan dat metrum ! Dat is uit de mode.

’t Mag niet van rál de ral de rál de ral.

Punten en komma’s, jongen zijn verboden.

En denk erom: geen hoofdletters overal.

En nooit een hele zin. Alleen maar brokken.

En rozen mógen wel een keer, maar dan

slechts in verband met baarmoeders en sokken

en zó dat niemand het begrijpen kan.

Piet begreep de boodschap en schreef een «echt» vers. «En toen zei iedereen: dat is reusachtig!/ En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk». Alleen Piet Pluimers zelf was niet tevreden. Want hij wilde liever rijmen.

Als een mannelijke Annie M.G. Schmidt schreef Willem Wilmink de leukste, grappigste en gezelligste gedichten en liedjes. (Zelf maakte hij geen onderscheid tussen gedichten en liedjes, en ook niet tussen die voor volwassenen en die voor kinderen.)

Maar iets aan Willem Wilmink maakt dat het moeilijk is te geloven dat het daar ophoudt. Dat hij daar ophoudt. Bij het gewone. Daar is al zo veel van, van het gewone. Dit land is de beste voedingsbodem op de hele wereld voor het gewone, het door deweekse, het alledaagse, het normale.

Je kunt alleen aan Wilminks hoofd al zien dat hij niet zomaar was wat er nu postuum van hem wordt gemaakt: een aardige, melancholieke man die de Nederlandse taal en de poëzie «democratiseerde», die het Twents reanimeerde, die onsterfelijke liedjes maakte voor de gewone man met de pet in de straat.

Wie tien jaar na het beëindigen van zijn academische loopbaan een proefschrift schrijft om te promoveren op de poëzie van Hendrik de Vries terwijl hij eigenlijk full time schrijver is, die lijkt iets te missen, iets anders of iets méér te willen — en dus ook te kunnen. Wie naast alle lichte verzen die hij zo weergaloos produceert ook werk vertaalt van literaire grootheden als Emily Dickinson en W.H. Auden, die heeft meer literaire ambities dan hij doet voorkomen.

Het leek of die kant van Willem Wilmink enigszins verborgen bleef, of moest blijven. Wilmink regisseerde zijn onbevangenheid, merkte collega-Middeleeuwen-kenner Herman Pleij op. Je kunt even goed zeggen: Wilmink cultiveerde het «gewone» van hemzelf. Daarom zwoer hij zijn Twentse accent niet af, integendeel: hij hanteerde het met trots. De glimlach, en de grimlach (ook zo typisch Nederlands) hanteerde hij even virtuoos, alsof het instrumenten waren. Dat waren het ook.

Wilmink wist heus wel dat Nederland niet zat te wachten op een dichter die zijn talent in dienst stelt van de Kunst. Nederland heeft altijd behoefte, en heeft dat altijd gehad, aan «gewone» dichters en schrijvers, die gewone mensendingen schrijven. Nederland wil «democratisering» van de dingen, van alle dingen, van poëzie tot filosofie tot groenten kweken tot binnenhuisarchitectuur.

Wilmink begreep dat. En handelde daarnaar. Ondertussen had hij vast stiekem zes bureauladen vol met verhandelingen over de witregel in de late poëzie van Paul Rodenko, of over het woord «maar» in de Europese dichtkunst in het Interbellum.

Want alleen die liedjes, dat is niet alles. Dat kan niet. Zoveel leuks, grappigs, gezelligs — je ziet aan zijn kop dat Willem Wilmink méér is dan dat. Soms kun je je afvragen of Wilmink de makkelijkste weg heeft gekozen en zijn talent verkwanselde aan het populaire vermaak.

Liedjes schrijven is ook een manier om jezelf te verbergen.

Willem Wilmink is het toonbeeld van de Nederlandse hang naar gewoonheid, naar democratisering van alles, naar nivellering, naar het grote gelijkmaken. Dat een man van zijn statuur op die manier wordt gewaar deerd, als een versjesbakker voor grote en kleine kinderen, heeft iets treurigs.

Maar, aan de andere kant: wat zouden we zijn zonder Annie M.G. Schmidt? En zonder Drs. P? Zonder Willem Wilmink?