Nieuw: persoonlijk onderwijs

Minder is meer, ook in de klas

Op de School voor Persoonlijk Onderwijs is het aantal leerlingen in een klas gemiddeld zestien, bijna de helft minder dan gebruikelijk. Dat betekent: minder overleg, minder nakijkwerk, en meer aandacht. Heel efficiënt, vindt de school.

De School voor Persoonlijk Onderwijs in Amsterdam (de personen op de foto komen niet in de tekst voor) © Edith Paol

Om tien voor negen druppelen vijftien eersteklassers het lokaal Frans binnen. De ochtendzon schijnt fel door de hoge ramen, die uitkijken op een paar bomen en de achtertuinen van een van de oudste straten van Amsterdam-Noord, de Nieuwendammerdijk. Bij de deur wacht docent Clint Molly, een vriendelijk ogende dertiger op sneakers, in spijkerbroek en wit T-shirt, zijn leerlingen op. Hij schudt hun één voor één de hand. ‘Bonjour, Sarah.’ ‘Bonjour, Raoul.’

Op het whiteboard vooraan staan de dag en datum in het Frans: ‘Het is vandaag geen maandag’, merkt een meisje met een grote bos bruine krullen op. Monsieur Molly, zoals de docent graag aangesproken wordt, verandert het meteen. Eén van de zestien tafeltjes is nog leeg. Waar is Moos? Als iedereen zit, komt de laatkomer uiteindelijk binnen, gehuld in een knalgele regenjas, met een rode bandana om zijn hoofd en al even felrode sokken en schoenen. De rest van de klas heeft de laptop open en buigt zich geconcentreerd over de dagen van de week in het Frans. Het is stil in het lokaal, zeker voor wie gewend is aan klassen van dertig of meer leerlingen.

Op de School voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO) zijn klassen standaard bijna de helft kleiner dan gebruikelijk, met gemiddeld zestien kinderen per klas. De school in Amsterdam is de vijfde vestiging en bestaat sinds 2017. In dit pand zat vroeger de huishoudschool, vertelt de conciërge: soms staan er buiten oude dametjes te kijken naar ‘hun’ school. De geschiedenis is nog overal zichtbaar in het gebouw; in de groengrijze tegeltjes op de gangen, de hoge ramen, en het bakstenen mozaïek in de kantine. Talloze kleine bruine steentjes beelden vrouwen af die huishoudelijke taken uitvoeren: ze vegen, wassen, of houden een kind vast.

Zelf vond ik als beginnend docent klassieke talen de grote klassen uitputtend. De enkele keren dat het leerlingenaantal, bijvoorbeeld door een griepgolf, daalde tot 24 of minder, merkte ik meteen dat ik veel minder vermoeid raakte. Een klas van dertig individuen, met ieder hun eigen problemen, behoeften, vragen, zorgen en wensen, zorgt op zich namelijk al voor een onafgebroken stroom van prikkels. Tel daar nog eens alle onderlinge interacties, groepsdynamiek en de vorm van de dag bij op. Het vraagt veel van een docent om dat binnen een les van drie kwartier in goede banen te leiden en de leerlingen intussen ook nog iets van, zeg, het Griekse werkwoordsysteem bij te brengen.

Daarvoor moet een leraar alert reageren, snel schakelen tussen verschillende situaties en – vooral als beginner zonder automatismen – continu beslissingen nemen: zal ik deze leerling wel of niet aanspreken op geklets? Zal ik wel of niet klassikaal ingaan op deze verdiepende, maar ingewikkelde vraag? Wel of geen toestemming geven om naar de wc te gaan? Wel of niet mijn uitleg nog eens herhalen? Het merendeel van de keuzes draait om de verdeling van je eindige hoeveelheid tijd en aandacht en wordt in kleinere klassen, waar die schaarse goederen over minder kinderen verdeeld hoeven te worden, automatisch eenvoudiger.

Niet voor niets was ‘plofklas’ het woord van 2017. Kleinere klassen passeren steevast de revue in discussies over verbetering van het onderwijs, maar het tegenargument is nooit ver weg: financieel onhaalbaar, zeggen schoolbestuurders. Hoe is het dan mogelijk dat het de SvPO wél lukt, binnen het reguliere budget? Want hoewel de groepsgrootte doet denken aan een privéschool zijn de scholen gewoon publiek bekostigd en dus niet duurder dan ander voortgezet onderwijs.

In 2010 opende de eerste school, de Isaac Beeckman Academie, haar deuren in Kapelle, een dorp in Zeeland. Daar was plek voor een middelbare school en er was een wethouder die meewerkte, vertelt oprichter Misha van Denderen in zijn kantoortje naast de Amsterdamse vestiging. Hij zit met zijn laptop aan een grote houten tafel in een verder lege ruimte met grote ramen. De vloer is met plastic zeil afgedekt, want het kantoor is nog volop in verbouwing.

Leerlingen die veel van muziek of toneel houden, zijn waarschijnlijk beter af op een andere school

Twaalf jaar geleden kwam Van Denderen, die filosofie en economie studeerde, in het onderwijs terecht na een carrière als ict-ondernemer. De aanleiding was een persoonlijke: na het overlijden van zijn moeder trad hij op als voogd voor zijn veel jongere halfzus. Hij zag hoe zij in een moeilijke periode worstelde met school en hoe slecht het onderwijssysteem ingesteld was op haar situatie: ze moesten maar een rugzakje aanvragen. Voor elke stap was je zo drie maanden en een stapel papierwerk verder – en dan was Van Denderen nog hoogopgeleid en mondig. Met zijn halfzusje kwam het uiteindelijk meer dan goed: ze maakte de havo af en is nu zelf docent Frans.

‘Kuifje in Onderwijsland’, noemt Van Denderen zichzelf lachend. De inefficiëntie van de onderwijswereld liet hem sindsdien niet meer los: ‘Ik zag hoe dom dingen georganiseerd waren.’ Twaalf jaar later verbaast hij zich er nog steeds over en schuwt hij de confrontatie niet. Zo heeft hij ruzie met andere onderwijsorganisaties omdat hij weigert naar hun vergaderingen te komen: ‘Als ik de besluitvorming bekijk, denk ik: waar hebben jullie het over?’ Zijn recentste conflict was met de onderwijsinspectie en ging over gym: de SvPO heeft eens in de maand sportdag, in plaats van wekelijks anderhalf uur gymles. De inspectie maakte daar bezwaar tegen, maar de rechter gaf de SvPO gelijk.

De scholen laten zien dat er binnen het huidige budget ruimte is om het voorgezet onderwijs anders in te richten. Die ruimte ontstaat door het onderwijs kleinschaliger en efficiënter te organiseren. Met vijf nieuwe klassen van zestien leerlingen per jaar blijft de SvPO ruim onder de vijfhonderd leerlingen per school. Er is een vast rooster – met vier lange schooldagen in plaats van vijf korte – dus geen roostermaker: het rooster en de begroting plant Van Denderen 25 jaar vooruit. Er is geen conrector, geen administratie, geen ict-afdeling. Het bestuur van de stichting werkt onbezoldigd. Het ondersteunende personeel bestaat per school uit een conciërge en een halve schoolleider: één voor de scholen in Amsterdam en Utrecht samen.

Wie er niet is, hoeft niet betaald te worden. Toch zit de besparing niet alleen in salarissen, zegt Van Denderen, maar vooral in efficiëntere samenwerking. Hoe minder medewerkers, hoe minder overleg er nodig is, want informatie hoeft over minder schijven te worden uitgewisseld. Dat betekent minder mails, minder vergaderingen en minder verslaglegging. Een docent heeft hier maximaal vijf klassen, dus tachtig leerlingen. De voornaamste reden voor zestien leerlingen per klas is niet eens dat het prettiger werkt tijdens de les, maar dat het de overhead beperkt: minder nakijkwerk, minder oudergesprekken, kortere rapportvergaderingen.

Maar daarmee ben je er nog niet; de SvPO maakt ook keuzes in het onderwijsaanbod. Zo volgt iedereen een dubbel profiel, dus de keuze in vakkenpakket komt neer op alfa of bèta, in plaats van vier profielen. Daardoor doen alle leerlingen eindexamen in een extra vak en is er minder onderlinge variatie in de pakketten, met als bijkomend voordeel eenvoudigere roosters. Ook biedt de SvPO van de creatieve vakken alleen tekenen aan. Activiteiten op het gebied van muziek, film of drama moeten ouders en kinderen zelf buiten school om organiseren.

De School voor Persoonlijk Onderwijs in Amsterdam (de personen op de foto komen niet in de tekst voor) © Edith Paol

‘Ik snap deze opdracht niet’, fluistert een jongetje in klas 1C tegen het meisje naast hem. Zij is net bezig om een boodschap aan hem te typen, in het tekstveld dat eigenlijk bedoeld is voor de Franse vertaling van ‘donderdag’; het is de moderne versie van briefjes doorgeven. ‘Blijf lachen’, staat er in hoofdletters. Docent Molly is na een rondje vragen beantwoorden net aan zijn bureau gaan zitten, maar veert meteen weer op uit zijn stoel.

De zeeschildpadden gaan er met de winst vandoor: ‘Wij waren gewoon pro, jongens’

De onderbouwleerlingen werken veel op laptops aan opdrachten die ‘modules’ genoemd worden, maar eigenlijk gewoon gedigitaliseerde oefeningen uit de werkboeken zijn. Het programma, dat sober oogt, is in feite niets meer dan een automatisch antwoordenboek. Het voordeel is dat de docent zonder veel moeite de voortgang van iedere leerling kan monitoren.

De modules mogen even weggeklikt. Als achtergrond op hun laptop hebben de leerlingen foto’s van idolen ingesteld: Famke Louise en Ronnie Flex, Abdelhak Nouri, of een witte tijger. Molly schrijft op het bord de naam van een website waar ze zich kunnen aanmelden – ‘met je normale naam!’ – voor een educatieve quiz. ‘What the hell?’ roept Raoul verontwaardigd als hij voor de zoveelste keer uit de digitale omgeving gegooid is. ‘Wat heb ik gezegd? Gewoon je normale naam gebruiken.’ Geduldig blijft Molly schunnige pseudoniemen wegklikken.

Als iedereen aangemeld is, verschijnen op het scherm automatisch vier groepjes van vier namen: door de klas klinkt gejuich en gekreun, er worden high fives en knuffels gegeven. De leerlingen krioelen in georganiseerde chaos door elkaar tot alle groepjes, elk met een dierennaam, samen zitten. Ze moeten Franse werkwoordsvormen vertalen. Ieder voor zich, maar goede en foute antwoorden tellen voor het puntentotaal van de groep.

Op het scherm is de voortgang van de wedstrijd live te volgen: de leeuwen en de zeeschildpadden strijden om de winst, de kameleons bungelen hopeloos onderaan. Een jongetje kan van de spanning niet blijven zitten en staat achter zijn laptop. Hier en daar klinkt gemopper op groepsgenoten, maar er wordt ook druk gediscussieerd over de juiste Franse vertaling van ‘ik heb gekeken’, want die is plotseling van het grootste belang voor de groep. De zeeschildpadden gaan er met de winst vandoor: ‘Wij waren gewoon pro, jongens.’

De eerste examenresultaten van de SvPO zijn goed. Het slagingspercentage is hoog en de examencijfers zijn gemiddeld of iets daarboven. Die parameters zeggen op zich nog niet alles, want sommige scholen houden die cijfers kunstmatig hoog door zwakkere leerlingen voortijdig te laten afstromen naar een lager niveau. Maar juist de opstroom – de kans om boven het basisschooladvies uit te komen – is hoog: volgens cijfers van de inspectie eindigde in dezelfde regio de afgelopen drie jaar gemiddeld elf procent van de leerlingen op havo/vwo-niveau boven het basisschooladvies, op de Isaac Beeckman Academie was dat 29 procent, en het afgelopen examenjaar zelfs 37 procent.

‘Je wil geen kwakzalvers in de gezondheidszorg, ook niet in het onderwijs’

‘De tijd die ik per les en leerling heb is het grootste verschil’, vertelt Molly in de pauze, aan de docententafel in de kantine. Sinds dit schooljaar werkt hij op de SvPO, eerder gaf hij les op het Hyperion en het Spinoza Lyceum. ‘Bij het Hyperion had ik 45 minuten per les, hier heb ik er 85. Daar had ik dertig leerlingen, hier heb ik er zestien. Daar drie jaarlagen, hier één.’

De mogelijkheid om naar een hoger niveau door te stromen vindt hij een belangrijk voordeel. De school is weliswaar alleen voor havo en vwo, maar neemt elk jaar een klas leerlingen met mavo-advies aan, met de gedachte dat zij op deze school een havodiploma kunnen behalen. De klassen zijn ingedeeld op niveau, van 1A (vwo-plus) tot en met 1E (havo-‘kansklas’), maar volgen tot en met de derde klas hetzelfde basisprogramma, met daar bovenop verdieping voor de vwo-klassen. Door de lange lessen en rustige klassen heeft Molly er vertrouwen in dat zijn leerlingen een hoger niveau kunnen halen. Zelf groeit hij met leerlingen mee: Frans is hier een verplicht vak, dus hij zal zijn eersteklassers van dit jaar begeleiden tot aan hun havo- of vwo-examen.

De School voor Persoonlijk Onderwijs in Amsterdam (de personen op de foto komen niet in de tekst voor) © Edith Paol

Pal naast het spoor, nog geen honderd meter van treinstation Kapelle, staat een hoekig gebouw met daarop in rode, groene en blauwe letters ‘Isaac Beeckman Academie’. In de kantine van de allereerste SvPO is het beduidend drukker dan op de beginnende vestiging in Amsterdam. Tijdens de pauze zitten bovenbouwleerlingen op de tafels, met hun voeten op de stoelen. Als de leerlingen aan het eind van de pauze uit eigen beweging – bij de SvPO bestaat geen bel of zoemer – weer naar hun lokalen vertrokken zijn, blijven er een paar platgetrapte boterhammen en mandarijnschillen op de vloer achter.

Vandaag zit er een journalist achterin, deelt docent geschiedenis Vinnie van der Linde zijn havo 5 mee. ‘Niet verlegener zijn dan normaal hè, gewoon vragen stellen.’ ‘Doen we dat normaal dan?’ klinkt het bijdehand. In de klas zitten negen leerlingen; er is vandaag een zieke, dus gewoonlijk zijn het er tien. De les gaat over het nationaal-socialisme en het begin van de Tweede Wereldoorlog. ‘Wat betekent antisemitisme?’ vraagt Van der Linde. Meteen schieten er vier vingers omhoog. ‘Jodenhaat’, antwoordt een meisje met een gestreepte trui bondig.

Even later, aangekomen bij de Neurenberger wetten, legt Van der Linde een verband met de Amerikaanse rassenwetten. ‘Martin Luther King, wie was dat ook al weer?’ Dezelfde vier vingers prikken meteen hoog in de lucht, maar deze keer kiest de docent voor een onderuit gezakte jongen aan de andere kant van de klas. Hij gaat iets rechter zitten en antwoordt aarzelend: ‘Hij was president ooit. Of in elk geval… belangrijk.’ Gegrinnik. ‘Ja, dat is een beetje een open deur, iedereen die we hier bespreken was belangrijk.’ Van der Linde’s toon houdt het midden tussen geamuseerd en streng.

Terwijl op de Powerpoint het Zyklon B aan de orde komt, raken de jongen en zijn buurman afgeleid door de vreemd bewegende luxaflex van het naburige gebouw. Van der Linde onderbreekt zijn verhaal en volgt hun blik door het raam naar buiten. ‘Volgens mij zijn ze de luxaflex aan het schoonmaken’, zegt hij droogjes. De uitleg gaat verder, negen paar ogen weer op hem gericht.

‘Bij ons geen Nieuw Leren, leerpleinen, Finse methoden of vormen van doe-het-zelfonderwijs’, valt op de site te lezen. De onderwijsmethode van de SvPO is tamelijk traditioneel: uitleg, oefeningen maken, herhalen. Er is dus klassikale uitleg, maar ook veel tijd voor zelfstandig werken: wie snel is kan alvast vooruit en er is wekelijks een lesuur ‘begeleid werken’ ingeroosterd om achterstallig werk in te halen.

‘In onderwijsland is het heel erg n=1. Niets wordt echt gemeten.’ Van Denderen ergert zich aan die onwetenschappelijke benadering: gegevens verzamelen is juist de weg naar kwaliteitsverbetering, stelt hij. Hij trekt een parallel met de medische wetenschap, waar evidence based de norm is: ‘Je wil geen kwakzalvers in de gezondheidszorg, maar ook niet in het onderwijs.’

‘In onderwijsland is het heel erg n=1. Niets wordt echt gemeten’

En de onderwijsinspectie dan? ‘Een stel wichelroedelopers’, zegt hij stellig: de inspectie verzamelt niet systematisch gegevens over het onderwijs. De SvPO doet dat daarom zo veel mogelijk zelf, onder andere via de digitale modules. Zo kan Van Denderen bijvoorbeeld zien welke onderwerpen leerlingen moeilijk vinden en kan hij scholen onderling vergelijken. Volgend jaar opent de SvPO drie nieuwe scholen – in Deventer, Hengelo en Hoorn – en daarbovenop heeft de stichting al toestemming voor nog twee nieuwe scholen, in Zuid-Holland en Brabant. Dat brengt het totaal op tien scholen.

Er ligt nu een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer met de naam ‘meer ruimte voor nieuwe scholen’, maar daarover is Van Denderen, ondanks zijn uitbreidingsplannen, niet enthousiast. Hij is bang dat grote commerciële partijen, zoals het Zweedse bedrijf van de Kunskapsskolan, in één klap tweehonderd scholen zullen stichten. Kunskapsskolan is een winstgevend bedrijf dat het niet erg vindt om ‘de McDonald’s van het onderwijs’ genoemd te worden. Leerlingen werken veel zelfstandig, de leraar is ‘coach’ en uitleg vindt plaats in grote groepen. De ceo verklaarde een concept na te streven dat goedkoop en eenvoudig te repliceren is, en aan verschillende markten kan worden verkocht.

‘Het is risicoloos ondernemen, want de staat betaalt’, legt Van Denderen uit. ‘We kunnen wel doen of het onderwijs een lieve business is, maar er gaan miljarden in om.’ En het is, anders dan mensen vaak denken, niet zo moeilijk om daarop flinke winst te maken, bijvoorbeeld door een specialistisch onderwijsconcept voor vijftig euro per leerling aan je eigen tweehonderd scholen te verkopen.

Intussen erkent de inspectie dat ze de huidige scholen al niet goed kan volgen. Ook geeft de inspectie pas na het derde eindexamenjaar een oordeel over de kwaliteit van een nieuwe school: als dat negatief uitvalt, is het voor veel leerlingen dus te laat. Van Denderen hoopt dat het voorstel in de huidige vorm niet door de Tweede Kamer komt. Maar wat als het wél doorgaat? ‘Dan beginnen wij die tweehonderd scholen wel.’

Zou iedereen het dan volgens de SvPO-methode moeten doen? Geen van de docenten en leerlingen beantwoordt die vraag met een volmondig ‘ja’, en zelfs de oprichter doet dat niet. De verscheidenheid van scholen in Nederland is mooi, klinkt het diplomatiek aan de docententafels in zowel Amsterdam als Zeeland. En er zijn ook heus wel nadelen aan dit systeem: docenten moeten bijvoorbeeld de hele dag aanwezig zijn en kunnen niet meteen na hun les naar huis om daar na te kijken of lessen voor te bereiden. Daar staat tegenover dat docenten thuis niets meer zouden hoeven te doen, maar wie zich aan de tafel in de kantine niet goed kan concentreren, neemt na een lange dag toch nog werk mee naar huis. Ook vindt niet iedereen het prettig om vijf parallelklassen – vijf keer de tweede klas, bijvoorbeeld – les te geven: het scheelt voorbereiding, maar wordt ook sneller saai.

Leerlingen die veel van muziek, toneel of film houden, zijn waarschijnlijk beter af op een school met goede faciliteiten op dat gebied. Ook kinderen die specialistische begeleiding vanuit school nodig hebben bij bijvoorbeeld hoogbegaafdheid of adhd kunnen beter elders terecht. En wie geen zin heeft in een verplicht extra examenvak of helemaal niet zo nodig een niveau hoger hoeft te halen, is op de SvPO aan het verkeerde adres.

‘Frans is een leuke taal, maar die streepjes zijn zo vervelend. Zoveel moeite’, zucht een leerling. ‘Leren is moeite doen’, kaatst Molly luchtig terug. De concentratie en het enthousiasme voor de Franse taal verslappen wat. Niet zo verwonderlijk, na bijna anderhalf uur: de leraar hoort het zachte geklets achterin ontspannen aan en glimlacht soms mee om de flarden die hij opvangt.

De les loopt tegen het einde, kinderen klappen de laptops dicht. Molly vraagt ze om hun boeken ‘in de hoek van de tafel te leggen’ – het is óp de hoek, verbetert Sarah. ‘Je hebt helemaal gelijk, Sarah.’ 1C vertrekt, naar de wiskundeles. Moos is de laatste die opstaat. Terwijl hij zich achter zijn klasgenoten aan haast, krijgt hij van de leraar een compliment over zijn rode schoenen. Molly staat bij de deur, klaar om zijn volgende klas te ontvangen met weer zestien handdrukken en zestien keer ‘bonjour’.