Minder moedig dan beweerd

Duitsers hebben in de twintigste eeuw radicale omwentelingen meegemaakt, die hen noopten met het verleden te breken en zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Wellicht de meest ingrijpende breuk was die van 1945. Duitsers die Hitler hadden toegejuicht, moesten leren te leven in een op het Westen gerichte democratie of in een op de Sovjet-Unie georiënteerde communistische staat. Na deze ‘bekering’ (onder dwang of uit overtuiging) wilden veel Duitsers niet herinnerd worden aan hun leven voor 1945. Gesproken werd over de Stunde null. De jaren 1933-1945 verdwenen in een donker gat, om soms later weer op te duiken met een onschuldige invulling.

De arts en psychoanalyticus Alexander Mitscherlich (1908-1982) behoorde in de naoorlogse Bondsrepubliek tot de toonaangevende, linkse intellectuelen. Zijn boeken als Auf dem Weg zur vaterlosen Gesellschaft en Die Unfähigkeit zu trauern uit de jaren zestig, waarin hij de gemoedstoestand van de West-Duitse samenleving analyseerde, maakten grote indruk. Hij was tegen het ontkennen en verdringen van het nazi-verleden, waardoor hij ook wel het geweten van Duitsland werd genoemd.

Ook Mitscherlich, zo is onlangs gebleken, heeft na ’45 de verleiding niet kunnen weerstaan zijn biografie op te schonen. Zijn bewering al jong slachtoffer te zijn geworden van het nationaal-socialisme en door de nazi’s te zijn vervolgd, moet worden genuanceerd.

De Berlijnse historicus Martin Dehli heeft in Leben als Konflikt (2007) aangetoond dat Mitscherlich begin jaren dertig in de ban raakte van de Konservative Revolution, een beweging van intellectuelen die zich keerden tegen het burgerlijke liberalisme, de democratie en het westerse kapitalisme. Deze radicale nationalisten wezen de moderne geïndustrialiseerde samenleving af. Die moest plaatsmaken voor een autoritair geleide volksgemeenschap.

Mitscherlich was betrokken bij het Widerstandsverlag van Ernst Niekisch, dat onder meer het tijdschrift Widerstand uitgaf. Dit verzet gold niet Hitler maar de Republiek van Weimar. Niekisch had wel kritiek op Hitler: hij vond hem te slap. Na zijn doorbraak bij de verkiezingen van 1930 had Hitler, aldus Niekisch, met geweld een einde aan de Republiek van Weimar moeten maken.

Begin 1937 werden Niekisch en 57 aanhangers door de Gestapo gearresteerd. Ook Mitscherlich werd opgepakt, zij het pas eind 1937, toen hij terugkeerde uit Zürich. Hij zat drie maanden in de gevangenis (en niet acht, zoals hij zelf heeft aangegeven), waarna hij verder medicijnen mocht studeren aan de universiteit van Heidelberg. Mitscherlich, schrijft Dehli, ‘was in zijn politieke opvattingen minder ondubbelzinnig, werd in zijn leven minder vervolgd en was in zijn optreden minder moedig dan hij heeft beweerd’.

Dehli laat in zijn biografie echter ook zien dat Mitscherlich een ‘leerproces’ heeft doorgemaakt. Er is na 1945 zelfs sprake van een dubbele ommekeer: van antidemocraat naar democraat, en van arts naar psychoanalyticus volgens de leer van Sigmund Freud.

Een belangrijk moment in zijn bekering was de deelname aan het proces tegen nazi-artsen voor het tribunaal van Neurenberg eind 1946. De Duitse artsenorganisatie stuurde hem daarheen als waarnemer met de opdracht de schade aan de reputatie van Duitse artsen zoveel mogelijk te beperken. Dat deed Mitscherlich niet. Hij schreef in Das Diktat der Menschenverachtung niet alleen dat artsen gevangenen in concentratiekampen hebben misbruikt voor gruwelijke experimenten, maar ook dat veel medici medeverantwoordelijk zijn omdat zij dit alles hebben geduld. Daarvan wilden Duitse artsen na ’45 echter niets weten. Mitscherlich werd als ‘nestbevuiler’ gemeden.