Interview: Laetitia Griffith

«Minder stemmen? So be it»

Sinds de desastreus verlopen verkiezingen van 2002 heeft de VVD te maken met soms heftige debatten over de te volgen koers, grote verschuivingen aan de rechterkant van het politieke spectrum, het wegbreken van Geert Wilders, de dreiging voor Hirsi Ali en recent nog met een duel om het politieke leiderschap van de partij en een proefballonnetje over de doodstraf.

De onrust ergert Laetitia Griffith, al formuleert ze te nauwkeurig en behoedzaam om dat expliciet te zeggen. «Ondanks alles wat er is gebeurd, ben ik nog steeds heel blij dat ik tot de VVD behoor», zegt ze liever. Net als andere takken van de politiek valt de VVD steeds meer ten prooi aan onrust en vluchtigheid, signaleert Griffith. Tijdens een gesprek met uitzicht op een deels bevroren Amstel wijst ze vooral vaak naar de journalistiek. Wat opmerkelijk is, want de parlementair journalisten beloonden Griffith juist met het predikaat «politiek talent van het jaar 2004», vanwege haar rust en deskundigheid, en André Rouvoet van de ChristenUnie om dezelfde eigenschappen met de titel «beste politicus».

Griffith ziet de vluchtigheid niet alleen terug in een jachtige en minder diepgravende journalistiek, maar ook in het krimpende parlementaire geheugen – de hogere om loop snelheid in de Tweede Kamer heeft volgens haar bijgedragen aan een terugval in slagvaardigheid – en in de onberekenbaarheid van het electoraat. Vanwege die vluchtigheid is ze blij met het Liberaal Manifest. «Het heeft visie, het geeft een fundament en het geeft aan waar wij voor staan», meent ze. Aan de veelgehoorde kritiek dat de lange, wat filosofische en gematigde tekst loos zal blijken om de zetels terug te winnen die de VVD in 2002 verloor, heeft Griffith een broertje dood. «Ik ga er niet vanuit dat deze tekst bedoeld is om zetels terug te winnen. Het Manifest wil aangeven wat onze basis is, we kunnen ermee uitleggen hoe we de maatschappij willen inrichten. Dat is veel belangrijker dan proberen kiezers te behagen. Je moet ze niet naar de mond willen praten. Je moet niet kiezers aan je willen binden die eigenlijk niet in je partij thuishoren. Als dat betekent dat je minder stemmen krijgt: so be it.»

Het is een opvallend geluid in een partij waarin tot voor kort nog hardop werd nagedacht over hoe de grootste van het land te worden. Voor Laetitia Griffith is een scenario waarin een anti-immigratiepartij en een anti-criminaliteitspartij opduiken die de VVD in een marginalere rol dwingen geen reden om aan liberale waarden te morrelen – en niet alleen omdat ze niet gelooft in de mythe van «ruimte op rechts». «Ik geloof in oprechte politiek, waarin je staat voor wat je zegt», stelt ze. Analoog aan begin twintigste eeuw, toen de liberalen willens en wetens hun machtspositie in de Nederlandse politiek offerden aan hun ideaal van algemeen kiesrecht.

Het Liberaal Manifest grijpt graag terug op het verleden. Om te herinneren aan de rol van liberalen bij de vorming en ontwikkeling van de Nederlandse staat, maar ook om het gelijk te claimen op de terreinen waar de VVD onder afkeuring de eerste schreden zette: immigratiepolitiek en veiligheidsbeleid. Grif fith is het er niet mee eens dat er een verongelijkt gevoel uit die passages spreekt. «Het heeft te maken met het verkopen van je successen», zegt ze. «Het parlementair geheugen is kort, evenals het geheugen van de media en de kiezer. Als je, zoals de VVD, een ijsbreker geweest bent die door de rest van de politiek is gevolgd, dan moet je de kiezer daar wel aan herinneren.»

De VVD breekt in het Manifest mogelijk ook het ijs waar het de gekozen minister-president betreft. Maar over dat voorstel heeft Griffith haar twijfels. «Alleen als de discussie daarover deel is van een discussie over herinrichting van het bestuur – over de gekozen burgemeester, de oprichting van een nationale politie en dergelijke – lijkt het me zinvol over een gekozen formateur na te denken», stelt ze. «Maar als de VVD de gekozen formateur voorstelt in de hoop de premier te leveren en zo het vertrouwen van de kiezer terug te winnen, geloof ik daar niet in. Dat vertrouwen is ongrijpbaar en oncontroleerbaar, vooral bij zwevende kiezers. De burger is mondiger, veeleisender en kieskeuriger geworden en laat zich niet meer gemakkelijk binden. Oplossingen van vandaag worden vaak binnen een paar maanden alweer aangevochten door een nieuwe groep burgers.»

Van die vluchtigheid profiteren politici die gebruik weten te maken van de publiciteit en die met opvallende beleidsdoelen te koop lopen. Dat creëert een scheiding tussen dergelijke politici en politici die onopvallend hun werk doen. «Die scheiding bestaat ook in de VVD», constateert Griffith. Hoewel het lijkt alsof ze de stille werkers prefereert, waardeert ze de vrijheid die de VVD aan kamerleden geeft om eigen standpunten in te nemen: «Je kunt positie kiezen zonder ruggespraak en overleg met de partijleiding, wellicht een gevolg van het leiderschap van Van Aartsen. Je krijgt geen censuur, maar je moet dan wel de kwaliteiten hebben om met die vrijheid om te gaan. De tegenkant van die vrijheid is dat je altijd terug gefloten kunt worden als je een voorstel lanceert waar de fractie niet achter blijkt te staan. En dan moet je ook zelf de scherven opruimen.»

Een directe link met het optreden van Ayaan Hirsi Ali wil Griffith niet leggen: «Je moet dat toetsen aan hoe vaak iemand teruggefloten wordt.»

Een ander opvallend aspect van het Liberaal Manifest is de rangorde die voorgesteld wordt in grondrechten: bij conflict voorrang aan het discriminatieverbod boven vrijheid van religie en meningsuiting. Griffith wil daar niet aan, maar hoe langer zij spreekt over botsende grondrechten, hoe duidelijker wordt dat ook zij het non-discriminatiebeginsel van artikel 1 als ijkpunt heeft. Als er dan toch een primus inter pares moet zijn, geeft ze met tegenzin toe, is dat artikel 1.

Griffith wil ook de stroming in haar partij niet volgen die in navolging van de ministers Zalm en Verdonk meent dat gelovigen in praktijk meer ruimte krijgen dan niet-gelovigen. «Nederland zal geconfronteerd blijven worden met religieuze vrijheid die botst met andere vrijheden. Dergelijke problemen komen nu op de voorgrond vanwege die verschillende culturen die in Nederland hun plek proberen te vinden. Het is goed dat wij aangeven waar onze grenzen liggen en aan welke wetten en waarden niet getornd kan worden. Maar het is niet aan de politiek om oordelen te vellen bij de botsing van grondrechten. Die verantwoordelijkheid hebben wij gegeven aan de rechter.»

Het baart Griffith, die lid is van de kamercommissie voor Justitie, zorgen dat politici zich steeds vaker met rechtszaken bemoeien: «Ik vind dat een verkeerd signaal naar de burgers toe omdat daarmee het gezag van de rechterlijke macht, de politie en het openbaar ministerie wordt ondermijnd. En dat zal ook terugslaan op de politiek.»

In de discussie over antiterreurmaatregelen van minister Donner – hem wordt verweten de burgerrechten te veel aan te tasten – staat Griffith aan de zijde van de bewindsman op Justitie. «De terreurdreiging is dermate groot dat we naar een passend antwoord op zoek moeten. Zoals het gebruiken van AIVD-mate riaal in rechtszaken. We zijn geen gedachte politie, maar we kunnen ook niet wachten met optreden tot een terreurdaad heeft plaatsgevonden. Waar het om antiterreurmaatregelen gaat, mag de minister van mij de grenzen van de wet zoeken. Mijn taak is te zorgen dat hij wel binnen de grenzen van onze rechtsstaat blijft.»