Geweld in Brazilië

Minder vlaggetjes op de geweldskaart

In Brazilië is het geweld in grote steden alles overheersend. Vooral de jeugd wordt er het slachtoffer van. Maar recente cijfers tonen een gunstige trend.

‘Ik zag bijna dagelijks iemand vermoord worden’, zegt Edith Alves da Silva, barhoudster in Diadema, buurgemeente van São Paolo. Ze vertelt over de jaren waarin ze haar barretje runde in de sloppenwijk Naval: ‘Er werden mensen binnen mijn bar geëxecuteerd.’

Iedereen kent de verhalen uit Rio de Janeiro, waar de drugsmaffia met zwaar geschut gevechten met de politie aangaat. Die oorlog speelt zich echter in heel Brazilië af. De afgelopen tien jaar werden in Brazilië jaarlijks rond de 45.000 mensen vermoord, voor driekwart met vuurwapens – ook door de politie, die in 1997 al in opspraak kwam, toen bleek dat de bevolking werd afgeperst, gemarteld en vermoord.

Meer dan de helft van deze slachtoffers is tussen de 15 en 24 jaar, terwijl die groep slechts een vijfde van de bevolking uitmaakt. Een jongere in Brazilië maakt honderd keer meer kans om vermoord te worden dan een jongere in Nederland. Daarmee staat Brazilië wereldwijd op de derde plaats, na Colombia en Venezuela. Op vier komt Rusland.

Toch is er eindelijk sprake van een omkeer in de geweldscurve, die tot 2003 alleen maar omhoogschoot. Dit blijkt uit een begin dit jaar gepubliceerde ‘geweldskaart’, die laat zien hoeveel in de verschillende gemeenten van Brazilië gemoord wordt. Vanaf 2004 is het aantal slachtoffers van moord en doodslag gemiddeld met een kleine drie procent jaarlijks gedaald. Volgens de samenstellers van de geweldskaart, die voor de tweede keer werd gemaakt en beschikt over de gegevens tot 2006, ligt de belangrijkste verklaring daarvoor in het van kracht worden, in 2003, van een antivuurwapenwet. Die wet omvatte onder meer een verbod om met vuurwapens over straat te gaan, bovendien werd het kopen van een wapen aan veel meer regels gebonden. Een algeheel verbod op wapenverkoop aan burgers werd in een referendum in 2003 door de bevolking afgewezen. Een nationale actie om illegale wapens in te leveren in ruil voor 150 à 300 realen (60 à 120 euro) heeft verder duizenden wapens aan de samenleving onttrokken. Vandaar dat de regering van president Luiz Inácio Lula da Silva na de publicatie van de geweldskaart in januari bepaalde dat die actie voorlopig wordt voortgezet.

Een vermindering van drie procent per jaar is nog altijd schamel. Brazilië blijft een van de hoogste moordcijfers ter wereld hebben: gemiddeld 20 doden per 100.000 inwoners, tegenover 1,2 in Nederland. De geweldskaart toont dat 556 gemeenten, die samen 44 procent van de Braziliaanse bevolking herbergen, driekwart van alle moorden voor hun rekening nemen. Vooral de steden van gemiddelde grootte spannen de kroon, zoals Coronel Sapucaia in de provincie Mato Grosso do Sul, in het binnenland, dat met 107 moorden per 100.000 inwoners op één staat. Een beruchte stad als Rio de Janeiro komt pas op 205, met 45 moorden per 100.000.

Verantwoordelijk voor de kaart is Jorge Werthein, pedagoog, voormalig vertegenwoordiger van de Unesco in Brazilië en directeur van het Ritla, het Latijns-Amerikaans Technologisch Informatienetwerk, dat de geweldskaart in opdracht van de Braziliaanse overheid maakte. Werthein: ‘Wat onze kaart ook uitwijst is dat het aantal doden weliswaar afneemt, maar niet het percentage jongeren dat vermoord wordt. Dat is het drama dat we hier meemaken.’ Een drama dat zich in zekere zin in stilte afspeelt. Werthein: ‘Het zijn de onderste lagen van de bevolking die het slachtoffer zijn, doorgaans donkere, jonge jongens.’

Hoewel geweld op nummer één staat van de zorgen van de Brazilianen, vóór werkloosheid en gezondheid, vindt er volgens Werthein een banalisering van het geweld plaats: ‘Men is aan de dood gewend geraakt. Laatst luisterde ik naar het nieuws op de radio dat meldde dat er drie politieagenten waren vermoord, om direct over te gaan op het weer van morgen. Het zou gaan regenen… In de kranten wordt het zoveelste slachtoffer van een verdwaalde kogel vermeld, zonder enige repercussie.’

Dat het niet onmogelijk is een omslag teweeg te brengen in de geweldscijfers blijkt uit São Paulo, net als Rio de Janeiro in binnen- en buitenland gevreesd om zijn gewelddadigheid. São Paulo komt echter niet voor op de lijst van de 556 meest gewelddadige gemeentes (tien procent van het totaal). Hoewel de stad in absolute cijfers bovenaan staat, is het relatieve moordcijfer er ‘slechts’ 23,7 moorden per 100.000 inwoners. Tussen 2002 en 2006 nam het aantal moorden met meer dan de helft af, van 5575 naar 2546. Ook in de buurgemeenten zijn de cijfers drastisch gedaald.

De meeste slachtoffers vallen nog altijd in arme buurten en gemeenten – in de chique wijk Moema valt slechts één slachtoffer, tegenover 130 in de wijk Grajaú, twintig kilometer verderop. Toch heeft de daling voor een enorme verlichting gezorgd, juist onder het armste deel van de bevolking.

Hoe heeft men die omslag voor elkaar gekregen, zonder het ‘zero tolerance’ van New York en Bogotá? Pedagoog Jorge Werthein zoekt de verklaring in de bundeling van een viertal factoren: ‘Op de eerste plaats is er de laatste jaren zwaar geïnvesteerd in het politiekorps van São Paulo, niet alleen in de bewapening en de openbare veiligheid, maar ook in onderzoek.’ In de tweede plaats is er geïnvesteerd in preventie: ‘Sociale uitsluiting is een fundamentele factor in de criminaliteitscijfers. Alleen repressie, zonder sociale programma’s die jongeren en volwassenen uit de sociale uitsluiting halen, zou geen zin hebben gehad.’ De derde factor: continuïteit: ‘Politieke discontinuïteit is een ramp in Brazilië. Wordt de ene politieke partij opgevolgd door een andere, dan wordt alles overboord gegooid. Toevallig heeft São Paulo de laatste jaren continuïteit gehad. En ten slotte was er sprake van een fundamentele participatie van de burgermaatschappij: São Paulo heeft zich gemobiliseerd.’ Die mobilisatie was het gevolg van een reeks gewelddadige moorden onder de middenklasse, die uitgebreid de pers haalde. Geweld werd dat jaar zorg nummer één onder de bevolking van São Paulo, die ‘paz’ (vrede) begon te eisen en haar onvrede uitte door het dragen van witte banden om de arm. Ondernemers verenigden zich en stichtten het platform ‘São Paulo tegen geweld’, dat een anoniem aangiftenummer opzette en ging samenwerken met de politie.

De afname van het aantal geweldsdelicten bewijst dat die aanpak resultaat heeft. Het sterkste voorbeeld daarvan is Diadema ten zuiden van São Paulo, tot 2000 een van de gewelddadigste gemeenten ter wereld. Werthein: ‘De afname is daar gigantisch geweest, van 142 doden per 100.000 inwoners in 1997 naar 45,8 in 2006. Dat is echt alleen maar mogelijk geweest dankzij het beleid van de verschillende overheden.’

Uit onderzoek van de Universiteit van São Paulo bleek dat ruim zestig procent van alle moorden in Diadema voortkwam uit alcoholmisbruik. De meeste doden vielen tussen elf uur ’s avonds en de vroege morgen. De gemeente is daarop in 2002 drooggelegd. Bijna vijfduizend bars – één per tachtig inwoners – moeten om elf uur sluiten en mogen pas om zes uur ’s ochtends weer open. Daarnaast zijn de sloppenwijken geürbaniseerd, met straatverlichting en asfalt, en krijgen ruim duizend jongeren een beurs om te studeren. Iedere wijk heeft zijn eigen culturele centrum gekregen, met dans, theater en muziekworkshops. Het effect is dat het aantal jongeren uit Diadema dat in de jeugdgevangenis belandt snel afneemt. Werthein: ‘Deze gerichtheid op jongeren is eindelijk deel uit gaan maken van het nationale veiligheidsbeleid van Brazilië. Binnen het ministerie van Justitie zijn fondsen vrijgemaakt voor de risicogroepen. We moeten de goede voorbeelden volgen en die zijn er, zoals het zero tolerance van New York, maar ook Diadema, ons eigen, Braziliaanse voorbeeld. Er is slechts een politieke beslissing voor nodig.’

Barhoudster Edith Alves da Silva schaart zich in ieder geval achter de drooglegging, die in steeds meer buurgemeenten van São Paulo navolging heeft gekregen: ‘Vroeger moest ik tot twee uur ’s nachts open blijven, omdat mijn klanten maar niet weggingen. Nu weet men rond elven dat het tijd is om op te stappen.’ De werkloze Orlando Tadeu Resende, die al twaalf jaar in de wijk woont, is het ermee eens: ‘Het voorkomt een hoop narigheid. Nu gaat men om elf uur naar huis, kruist de benen en slaapt.’