Literatuur en werkelijkheid

Minder wreed worden

Een literair criticus moet zich niet inlaten met een debat over een al of niet kwalitatief verschil tussen ‘politieke’ en ‘esthetische’ romans. Hij moet laten zien dat ook ‘esthetische’ romans heersende ideeën onderuit kunnen halen.

Waar moet je het als literair criticus over hebben? Rutger van der Hoeven schreef er in dit blad een artikel over (De Groene Amsterdammer, 16 maart) waarin hij onderscheid maakt tussen ‘puur literaire besprekingen’ en ‘het bespreken van maatschappelijke relevantie’ van romans. Hij betreurt het dat de nadruk steeds meer komt te liggen op de eerste soort leeswijze: ‘bij de subjectieve artistieke beleving’. Dat terwijl de roep om betrokken literatuur en om meer engagement in de samenleving steeds luider wordt en zelfs in de politiek een rol begint te spelen, zie het recente pleidooi van Balkenende. Van der Hoeven pleit overigens niet – mogelijk misverstand – voor een meer politieke, ‘sociologische’ leeswijze van literatuur – hij noemt die ‘plat’ – maar wil meer aandacht voor de feiten van een roman en minder voor de allegorische of symbolische bedoelingen van de schrijver. Wat is de politieke of ethische achtergrond van een roman, welke maatschappelijke debatten worden erin gevoerd of spelen op de achtergrond een rol, op welke feiten beroept een schrijver zich? Lezers zoals hij, die meer geïnteresseerd zijn in nieuws en non-fictie, de ‘feitjesspeurders’ noemt Van der Hoeven ze ironisch, zijn gebaat bij meer aandacht in de kritiek voor ‘de link naar de maatschappij’ in romans. Dan voelen ze zich volgens hem meer thuis in het ‘literaire pantheon’ dan ze nu doen.

Hij heeft een punt, iedere roman is uiteraard op een of andere manier, expliciet of impliciet, verbonden met een reëel maatschappelijk, ethisch of moreel debat van een bepaalde tijd. Het zou voor een criticus niet raar zijn om daar aandacht aan te besteden. Wel zou je dan moeten bedenken dat dit verband bij de ene roman een grotere rol speelt dan bij de andere. Van der Hoeven weet dit uiteraard, maar uit de keuze van zijn voorbeelden valt dat niet op te maken. Hij ondersteunt zijn pleidooi alleen met voorbeelden van romans die duidelijk ‘politieke’ bedoelingen hebben. Het complot tegen Amerika van Philip Roth is een expliciet politiek georiënteerde roman. Ook Leven en wandel van Michael K van John Coetzee en Casino van Marja Brouwers spelen zich af tegen een reële politieke achtergrond. In Zaterdag van Ian McEwan, ook door Van der Hoeven aangehaald, ligt het iets minder duidelijk, maar ook daar is een ethisch/politieke kwestie van groot belang. Ik denk dat Van der Hoeven zich terecht beklaagt over de relatief geringe belangstelling van critici voor de politieke werkelijkheid van deze romans.

Hoe moet je als criticus omgaan met romans die minder expliciet ‘politiek’ van aard zijn? Dat zijn er nogal wat en vaak zijn het niet eens de slechtste boeken. In Nooit meer slapen van W.F. Hermans of De avonden van Gerard Reve is het verband met maatschappij en politiek bijvoorbeeld veel minder direct duidelijk dan in de voorbeelden van Van der Hoeven. Het lijkt zelfs of deze schrijvers doelbewust een expliciet politieke of maatschappelijke laag in deze romans aan het oog wilden onttrekken. Alsof ze deze boeken los van wat dan ook schreven, alleen gedreven door ‘literaire’ en ‘esthetische’ ambities. Het ligt niet voor de hand om als criticus dan toch uitvoerig bij de reële politieke of maatschappelijke achtergrond ervan stil te staan, al sluit ik het niet uit. In Hermans’ roman speelt bijvoorbeeld een kwestie over geologie een rol en Reve’s roman is voor een deel te lezen als een satire op het vooruitgangsgeloof dat kort na de Tweede Wereldoorlog in Nederland heerste. Maar ook feitjesspeurder Van der Hoeven zou vreemd opkijken wanneer ik in een bespreking van Nooit meer slapen uitvoerig stil zou staan bij de discussie in de roman over meteorieteninslagen en die zou vergelijken met het ‘werkelijke’ debat van die tijd in geologische instituties in Nederland. Ik zou, ook door hem, uitgelachen worden wanneer ik in een bespreking van Naokokvs Lolita uitvoerig zou ingaan op het debat over pedofilie in Amerika in de jaren vijftig, of wanneer ik de opkomst van het Amerikaanse motelwezen van die tijd, met ondersteunende statistieken en cijfers, zou leggen naast de beschrijving die Nabokov ervan geeft.

Bij het lezen van Van der Hoevens artikel krijg je de indruk dat hij het helemaal niet meer over onpolitieke of minder politieke romans wil hebben. En hier dient zich een kwestie aan die verder gaat dan alleen een particuliere opvatting van een non-fictielezer als Van der Hoeven. Steeds minder lezers lezen romans, steeds meer, vooral mannelijke lezers, zoeken hun heil bij non-fictie en bij romans die het moeten hebben van reële verhoudingen en ‘echte’ gebeurtenissen en fantasieën daarover. Van der Hoeven suggereert dat hij de meer ‘literaire’ romans het liefst zou willen overlaten aan het ‘puur literair’ bespreken, waarin de nadruk volgens hem ligt op de ‘subjectieve artistieke beleving’. Hij schrijft over dit laatste overigens nogal denigrerend, zonder te melden wat er zo verkeerd aan is. Blijkbaar tellen dat soort ‘literaire’ romans voor de feitenlezers niet mee, ze zijn niet belangrijk, ze doen er doodgewoon niet toe. Ze zijn iets geworden voor half gare besprekers in een hoekje van de krant die smullen van de raarste esthetische kronkelwegen, waar je bij je pogingen om iets over de wereld te weten te komen niets aan hebt.

Van der Hoevens pleidooi voor meer aandacht voor ‘maatschappelijke feiten’ in romans komt voort uit zijn angst dat de vooral esthetisch geïnteresseerde boekbesprekers hem zelfs over de weinige romans die hij nog leest (omdat ze politiek van aard zijn) komen lastigvallen met vage praatjes over stijl, literaire traditie en esthetische dwaalwegen. Alleen ‘politieke’ romans tellen voor feitenlezers nog en daarbij moet je als criticus niet gaan lopen zeuren over schoonheid.

Richard Rorty omschrijft ‘politieke’ romans in zijn zeer interessante studie Contingentie, ironie & solidariteit (1992) als boeken die ons helpen ‘het effect van sociale praktijken en instituties op anderen in te zien’. Hij stelt dat dit soort romans over slavernij, armoede en vooroordelen ons helpen in te zien hoe sociale praktijken die we eerst vanzelfsprekend vonden ons uiteindelijk ‘wreed’ maakten. Hij verdedigt uiteraard het belang van deze boeken, ze hebben een grote rol gespeeld bij maatschappelijke veranderingen en spelen die soms nog. Maar tegelijkertijd laat hij met krachtige argumenten zien dat het geen zin heeft deze romans te stellen boven de meer ‘esthetische’ romans, zoals ik ze hier nu maar noem. Dat juist in ‘esthetische’ romans vaak terreinen betreden worden die eerst nog onzichtbaar waren, dat een debat over ‘wreedheid’ ook in die romans prominent aanwezig kan zijn. Hij betoogt dat beide soorten romans ieder op hun eigen wijze ‘wreedheid helpen te vermijden’, waarbij de ene soort niet belangrijker of beter hoeft te zijn dan de andere.

Natuurlijk heeft Van der Hoeven gelijk dat literaire critici bij ‘politieke’ romans het werkelijkheidsgehalte van het engagement moeten bespreken. Je kunt Max Havelaar of De hut van oom Tom niet bespreken zonder het uitvoerig te hebben over kolonialisme en slavernij en je zult het debat daarover uit die tijd erbij moeten betrekken. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dit type debat zonder meer kunt verplaatsen naar romans die niet op het eerste gezicht geïnteresseerd zijn in ‘politiek’ maar hun belang lijken te zoeken in ‘individuele’, ‘esthetische’ en wat mij betreft ‘literaire’ doelstellingen. Je zult als criticus uiteraard wel aan moeten geven in hoeverre en op welke manier ook dit soort doelstellingen van belang zijn om ‘wreedheid te helpen vermijden’. Zelfs als ze resulteren in een oproep tot een ‘subjectieve artistieke beleving’. Esthetisch, literair en dus ook moreel diep ingrijpende romans van uiteenlopende schrijvers als L.H. Wiener, Gerbrand Bakker, Maria Stahlie, Arnon Grunberg, Mensje van Keulen, K. Schippers, Herman Stevens en Stephan Enter hebben niets aan een bespreking van hun werkelijkheidsgehalte. Deze romans leggen nu eenmaal niet de nadruk op politieke verhoudingen, de personages lijken er niet op uit ons op weg te helpen of terecht te wijzen, een debat te voeren of een standpunt te verdedigen. Ook al weten we bij het lezen dat deze schrijvers met hun romanpersonages altijd letterlijk een ‘voorbeeld’ willen stellen.

In deze romans, die hier ieder jaar bij tientallen verschijnen, proberen de hoofdpersonen, om weer een begrip van Rorty te gebruiken, op een of andere manier autonomie in stand te houden of te vergroten. Ze voeren hoogst individuele projecten uit, ze streven daarbij naar perfectie, ze roeien vaak tegen de stroom in, soms ook zonder aanzien des persoons, ze zijn er op uit individuele utopieën te verwezenlijken. En falen daarin meestal. In deze romans vallen de personages niet met de schrijvers samen, ze geven alleen een maatschappelijke (on)mogelijkheid, een beeld, of een esthetisch effect daarvan. Blijkbaar slagen literaire critici als ik er onvoldoende in ‘werkelijkheidslezers’ als Van der Hoeven van het grote belang van dit type literatuur te overtuigen. Anders had hij, en met hem de vele andere feitenlezers, het niet opgegeven om dit soort romans te lezen.

Misschien leg ik in mijn besprekingen van dit type ‘esthetische’ romans te veel de nadruk op de traditie ervan, op de verschillen ertussen in stijl, toon en sfeer. Op de debatten die deze romans altijd met elkaar voeren. Misschien laat ik te weinig zien dat juist in dit soort romans de mogelijkheid van een ander type debat over de werkelijkheid aan de orde kan komen dan alleen het direct politieke. Misschien laat ik te weinig zien dat in deze romans de tegenstelling tussen de ‘wij’, de weldenkende liberale lezers aan de ene kant, en de ‘zij’, de schurken en andersdenkenden aan de andere kant, die we in de slechtere politieke romans zo vaak aantreffen, niet verder wordt uitvergroot, maar op een andere, specifiek literaire en hoopvollere manier in beeld wordt gebracht. Langs een omweg, vrijwel onopgemerkt, met uitgesproken literaire middelen. Dat juist de omtrekkende bewegingen van dit type romans het grote belang ervan uitmaken. Hierop had Van der Hoeven kritiek moeten leveren, dan had ik hem beschaamd gelijk gegeven. Maar nu roept hij me met zijn pleidooi alleen maar op om schrijvers van ‘esthetische’ literatuur op te zadelen met een schuldgevoel. Alleen omdat hij zulk soort boeken niet (meer) van belang vindt. Ik zou de schrijvers ervan, als ik de consequenties van zijn betoog serieus zou nemen, moeten verwijten dat ze te weinig ‘politiek’ en ‘werkelijkheid’ in hun romans toelaten. Meer realisme! Meer waarheid! Dat dus nooit.

Ik denk niet dat ik moet proberen Van der Hoeven ervan te overtuigen dat zijn leeswijze ‘beperkt’ is of tot misverstanden over literatuur kan leiden. Dat bijvoorbeeld in zijn optiek alle literatuur iets van direct politiek belang over de wereld zou moeten zeggen en dat critici een soort uitleggers daarvan moeten zijn. Ik wil hem er wel van overtuigen dat romans waarin personages naar autonomie streven zich aan dit type directe beschouwingen onttrekken. Daarin tref je hoogstens en dan op fluistertoon iets aan over illusies die mensen over de werkelijkheid koesteren, over hun leven en hun doodsangst, over de (on)mogelijkheid van een perfecte wereld, over een droom daarover, of over de (on)mogelijkheid van welk autonomieproject dan ook. Mijn opdracht moet zijn om Van der Hoeven ervan te overtuigen dat romans waarin naar autonomie gezocht wordt net zo belangrijk, of veelomvattend, of politiek relevant kunnen zijn als romans waar hij een voorkeur voor heeft. Dat het belang van dit soort boeken niet minder groot is en niet tegen ‘politieke’ boeken moet worden uitgespeeld. Ik moet hem ervan proberen te overtuigen dat deze romans met andere dan alleen politieke middelen ‘wreedheid’ tussen mensen aan de orde stellen en misschien zelfs op hun beste momenten ideeën lanceren waaruit we kunnen leren minder wreed te hoeven zijn tegenover anderen.

In Contingentie, ironie & solidariteit wijdt Rorty een hoofdstuk aan Lolita van Nabokov, een fervent verdediger van literatuur die los staat van welke ‘werkelijkheid’ dan ook. In het nawoord bij Lolita maakt Nabokov gehakt van critici die de eeuwige vraag naar de ‘bedoelingen’ van de schrijver stellen. Hij beweert nog maar eens dat Lolita geen enkele morele, laat staan politieke boodschap bevat. ‘Fictie’ moet volgens hem alleen een ‘esthetische tinteling’ voortbrengen, een gevoel bij lezers oproepen dat ze op een of andere manier verbonden zijn met andere manieren van bestaan (‘states of being’) waar kunst de norm is. Tussen haakjes zegt hij dan wat we tot die andere manieren van bestaan zouden kunnen rekenen, willen we het terrein van kunst mogen betreden: ‘nieuwsgierigheid, tederheid, vriendelijkheid, extase’.

Uitvoerig toont Rorty dat juist met deze merkwaardige, maar zeker ook fraaie en inspirerende opsomming Nabokov zich toch, ondanks zichzelf, laat zien als een schrijver die wel degelijk morele bedoelingen met zijn werk heeft. Overtuigend beschrijft Rorty ook dat Nabokov het streven naar autonomie van zijn hoofdfiguur in een cruciale scène laat botsen met het verdriet van een kapper over zijn gestorven zoon. Humbert Humbert heeft geen enkele aandacht voor dit verlies en toont zich in zijn streven naar autonomie ‘wreed’ door onachtzaam te zijn jegens anderen. Ook met deze scène ondergraaft Nabokov zijn amorele theoretische stellingname over literatuur. Het streven naar autonomie van de held komt in de beste ‘esthetische’ romans altijd in botsing met diens pogingen wreedheid te vermijden, meent Rorty. Precies dat laat dit meesterwerk zien.

Hij besluit zijn betoog als volgt: ‘Nabokovs beste boeken zijn die welke gaan over zijn onvermogen om te geloven in zijn eigen algemene ideeën.’ Is dit niet iets waartoe iedere schrijver (of literair criticus) zich zou moeten verplichten? Een literair criticus moet zich niet inlaten met een debat over een al of niet kwalitatief verschil tussen ‘politieke’ en ‘esthetische’ romans. Hij moet laten zien dat ook in de meer ‘esthetische’ romans de ondergraving van algemene ideeën aan de orde kan zijn. Dat juist deze literatuur over middelen beschikt (schoonheid van stijl, beeldspraak, visie) die aan die ondergraving net zo effectief, wie weet zelfs effectiever, gestalte kunnen geven. Een criticus moet laten zien dat in literatuur altijd een debat over ‘werkelijkheid’ doorschemert, al was het alleen maar omdat literatuur parasiteert op dagelijks taalgebruik. Maar ook in de organisatie van literair taalgebruik, in stijl dus, in paradoxale wendingen van het verhaal en in de vergeefse projecten van de personages klinkt altijd de ‘werkelijkheid’ door.

zie ook voorgaande artikelen:
Goedkope kritiek op de critici

De smetvrees van de critici

De wereldvreemde literatuurkritiek

De werkelijkheid bestaat