Prinsjesdag - De coalitie houdt stand

Minderheid met meerwaarde

Rutte II dient op Prinsjesdag zijn derde begroting in. Wat klopt er van de angst vooraf dat met een minderheid in de Senaat niet te regeren valt? Misschien wordt het juist wel het eerste kabinet dat deze eeuw niet struikelt.

Medium hh 44992448 1

Uit de mond van een medewerker van een oppositiepartij kwam de verzuchting ietwat onverwacht: ik hoop dat het kabinet nu blijft zitten tot de verkiezingen van maart 2017. Zijn opmerking zal vast te maken hebben gehad met een zonnige zomer zonder veel gedoe en dat dit zo beviel dat hij nog geen zin had in wat de verkiezingscarrousel voor hem aan werk zou gaan betekenen. Maar hij gaf er ook mee aan in te zien dat Rutte II een langer leven beschoren is dan vooraf wel werd gedacht.

Als de koning komende dinsdag in de Ridderzaal de troonrede voorleest, maakt hij de voornemens bekend van de derde begroting van dit kabinet van vvd en pvda. Alleen het tweede kabinet van cda-premier Jan Peter Balkenende is het deze eeuw gelukt tussen 2007 en 2010 drie keer een begroting in te dienen. Om daarna toch vroegtijdig te struikelen. Evenals het kabinet daarvoor overkwam, en het kabinet daarna.

Op de website Parlement Politiek zijn de kabinetten van de afgelopen eeuw ingedeeld in tijdsblokken. Elk blok heeft een eigen omschrijving gekregen. Soms slaat die op de samenstelling van het kabinet, zoals Paars staat voor de coalitie van pvda, vvd en d66. Soms verwijst ze naar wat in die periode door de kabinetten is bereikt, zoals Welvaartsstaat. Eén keer draagt het blok de naam van een persoon: Lubbers, naar de cda-premier die regeerde van 1982 tot 1994. Voor het tijdsblok vanaf 2002 staat Instabiliteit. Een einddatum voor dat blok staat er nog niet bij. Het tweede kabinet van Mark Rutte kan geschiedenis schrijven door de eindstreep te halen en dat tijdsblok te laten eindigen in 2017. Het zou de eerste keer zijn in deze 21ste eeuw dat een kabinet de rit uitzit. Dat was ook precies wat de twee voormannen van de coalitiepartijen, vvd-leider Mark Rutte en pvda-collega Diederik Samsom, zich in het najaar van 2012 hadden voorgenomen. Na vier gevallen kabinetten in het eerste decennium wilden zij een eind maken aan de politieke instabiliteit.

Toen Mark Rutte op 5 november 2012 voor de traditionele foto met het staatshoofd met zijn ministersploeg op de trappen van paleis Huis ten Bosch stond, drong het langzaam maar zeker tot buitenstaanders door dat hier een minderheidskabinet was beëdigd. In de Tweede Kamer hadden vvd en pvda samen dan wel genoeg zetels, in de Eerste Kamer ontbeerden ze een meerderheid.

De twee samenstellers van het kabinet, Rutte en Samsom, kregen het verwijt te lichtvaardig over dat gebrek aan steun in de Senaat heen te zijn gestapt. Sommigen zagen het daardoor somber in voor het voortbestaan van dit kabinet. vvd-coryfee Hans Wiegel voorzag dat het prijsschieten zou worden op de voorstellen van Rutte II. En toenmalig pvda-Eerste-Kamerlid Han Noten vond ‘het wensdenken om te veronderstellen dat de samenstelling van de Eerste Kamer irrelevant is voor een nieuw kabinet’. Drie jaar later zou je kunnen zeggen dat Wiegel en Noten geen gelijk hebben gekregen. Het is geen prijsschieten geworden en met de samenstelling van de Eerste Kamer is gaandeweg de rit wel degelijk rekening gehouden door het kabinet.

Zei Rutte aanvankelijk nog dat hij dan eens met links, dan eens met rechts naar meerderheden zou zoeken, zo liep het niet. De afgelopen jaren zijn vele akkoorden gesloten met oppositiepartijen in de Tweede Kamer, zoals onder meer het Woonakkoord, akkoorden over twee achtereenvolgende begrotingen en een akkoord over het leenstelsel voor studenten. Dat was allemaal in de hoop dat de senatoren van de oppositiepartijen die aan het akkoord meededen zich daar iets aan gelegen zouden laten liggen, ook al werd er heel politiek correct bij gezegd dat senatoren hun eigen afweging mogen maken.

Misschien had het kabinet zich niet eens zoveel zorgen hoeven maken over de steun van oppositiepartijen. En had het ook zonder akkoorden vooraf gekund. De politicologen Simon Otjes en Tom Louwerse onderzochten het functioneren van het kabinet toen Rutte II halverwege de rit was. Hun onderzoek is inmiddels alleen maar sterker geworden doordat het kabinet al weer verder is dan halverwege de rit. Of zoals iemand afgelopen week in de wandelgang van de Tweede Kamer zei: dit is de laatste gewone begroting van dit kabinet, volgend jaar september staat iedereen hier in Den Haag al in de verkiezingsstand. Waarbij gezegd dat ook hij er dus inmiddels op rekent dat de eindstreep wordt gehaald.

In hun artikel stellen Otjes en Louwerse zich de vraag of Rutte II een minderheidskabinet is of een middenkabinet. Het laatste concluderen zij. Dat meten ze af aan het stemgedrag in de Tweede Kamer. Als de coalitiepartijen vvd en pvda gezamenlijk optrokken bij stemmingen over wetsvoorstellen, dan stemden oppositiepartijen daar voor het overgrote deel ook voor. In vergelijking met het vierde kabinet-Balkenende dat wél op een meerderheid kon rekenen in beide Kamers doet het kabinet-Rutte II het zelfs nog iets beter bij de oppositie. Dus hoezo prijsschieten?

Van de oppositiepartijen stemde d66 het vaakst voor een wetsvoorstel, in 93 procent van de stemmingen. Dan ben je al gauw geneigd te denken dat daarbij meespeelt dat d66 het vaakst een akkoord sloot met het kabinet en de fractie hoorde bij wat Rutte eens de meest geliefde oppositiepartijen heeft genoemd. Opvallender is dan ook dat ook het cda, dat bij geen enkel akkoord was betrokken, met 91 procent toch bijna net zo vaak voor een wet stemde als d66. Zelfs de pvv van Geert Wilders, die inmiddels toch menige motie van wantrouwen tegen het kabinet of een van zijn leden heeft ingediend, stemde heel vaak in met wetsvoorstellen.

Dat de huidige coalitie zo vaak oppositiepartijen mee krijgt voor haar voorstellen komt volgens de twee politicologen doordat het hier om een kabinet gaat dat bestaat uit een partij op de rechterflank in het politieke spectrum en een op de linkerflank. Daardoor heeft Rutte II zowel links als rechts van zich oppositiepartijen, zoals de SP op links en de pvv op rechts. Bovendien, aldus Otjes en Louwerse, hebben ze ook nog oppositiepartijen die tussen hen in staan, zoals cda en sgp. Bij Rutte I, het vvd/cda-kabinet dat gedoogsteun kreeg van Wilders, stond de hele oppositie ter linkerzijde van het kabinet. Toen stemden de oppositiepartijen beduidend minder vaak in met wetsvoorstellen.

Zelfs de PVV stemde heel vaak in met wetsvoorstellen, net als D66 en het CDA. Dus hoezo prijsschieten?

Voor de Miljoenennota, die minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën komende dinsdag bij de Tweede Kamer indient, heeft het kabinet deze keer geen akkoord gesloten met de oppositiepartijen d66, ChristenUnie en sgp, zoals de afgelopen twee jaar wel gebeurde. In de wandelgangen in de Kamer zoemde afgelopen week de vraag rond of de afzonderlijke begrotingen voor de ministeries het deze keer dan wel gaan halen in de Tweede Kamer en de Senaat.

Dat blijkt eigenlijk een absurde vraag te zijn. De praktijk leert dat fracties zelden tegen begrotingen stemmen, vertelt Otjes desgevraagd vanuit Groningen, waar hij werkt aan de Rijksuniversiteit. Sinds 2003 stemde in de Tweede Kamer 99,1 procent van de fracties voor de begrotingen, in de Eerste Kamer zit dat percentage net iets onder de honderd. Toen GroenLinks in 2013 tegen de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking stemde, was dat groot nieuws.

Deze keer is er bovendien nog een reden om aan te nemen deze praktijk niet drastisch zal wijzigen: voor het eerst sinds jaren van bezuinigingen wordt er een Miljoenennota ingediend waarin er weer wat te verdelen valt. Welke oppositiepartij kan na ingestemd te hebben met vele zure begrotingen nu ineens tegen een zoete begroting zijn? Bovendien zal het kabinet hier en daar wel wisselgeld hebben ingebouwd, zodat er tijdens de diverse begrotingsbehandelingen nog wensen van oppositiepartijen kunnen worden gehonoreerd.

De angst dat een minderheidskabinet zou zorgen voor instabiliteit is vooralsnog ongegrond gebleken. Dat het kabinet inhoudelijk niks voor elkaar zou krijgen zonder meerderheid in de Eerste Kamer is evenmin het geval. Er is ingegrepen in de sociale huursector, de langdurige zorg, de aow-leeftijd, de duur van de werkloosheidsuitkering, de hypotheekrenteaftrek, de studiefinanciering en de kindregelingen, om een paar in het oog springende ingrepen te noemen. Vleugellam was het kabinet absoluut niet. Dat zullen ook tegenstanders van de maatregelen moeten beamen.

Dat de financiële crisis heeft bijgedragen aan het gevoel – zowel bij de coalitiepartijen als de oppositie – dat de schouders eronder moesten, kan hebben bijgedragen aan de daadkracht en eensgezindheid. Hier geldt dan dat resultaten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst van eventuele andere minderheidskabinetten. Maar dat is te weinig reden om daaruit de conclusie te trekken dat Nederland alleen geregeerd zou kunnen worden door meerderheidskabinetten, zoals wel wordt bepleit.

De vele keren dat Balkenende begin deze eeuw naar de koningin moest om voortijdig het ontslag van zijn kabinet in te dienen, deed hij dat voor een kabinet dat kon steunen op een meerderheid in zowel Tweede als Eerste Kamer. Die kabinetten sneuvelden trouwens omdat er intern ruzie was, niet omdat de oppositie het de coalitiepartijen moeilijk maakte.

Het is vaak de kiezer die de schuld krijgt van de instabiliteit die er sinds het begin van deze eeuw in de politiek is gekropen. Het klopt dat de kiezer van deze naar gene politieke partij hopt in het stemlokaal. Dat zorgt voor fracties in het parlement die niet meer zoals vroeger kunnen bogen op grote aantallen. Bovendien kan een fractie die bij verkiezingen voor de Tweede Kamer relatief groot is geworden enige tijd later bij Eerste-Kamerverkiezingen al weer stemmen zijn kwijtgeraakt. Maar is dat wat de politiek instabiel zou hebben gemaakt? Noopt het kiezersgedrag tot aanpassing van het kiesstelsel, zoals daarom wel wordt bepleit?

Twee keer nee. Rutte II laat zien dat met een minderheid in de Eerste Kamer best te werken valt. Als dit kabinet de eindstreep haalt, ‘wint’ het bovendien van de meerderheidskabinetten die allemaal struikelden. Uit de praktijk van de afgelopen jaren blijkt dat er wel meer overleg en debat nodig is als een kabinet niet kan bogen op een meerderheid in de Senaat. Maar was er in het verleden niet juist veel kritiek op de dichtgetimmerde regeerakkoorden? Een politicus die pleit voor een ander kiesstelsel, met name voor een kiesdrempel, kan gezien de praktijk daarvoor niet als reden onwerkbaarheid aanvoeren. Dergelijke pleidooien zijn eerder ingegeven door het eigenbelang dat grotere partijen hebben bij een kiesdrempel: de stemmen van de kleine partijen die de kiesdrempel niet halen gaan dan immers naar de grotere.

Eigenlijk moeten de politieke partijen het omdraaien. De kiezer hopt meer dan vroeger, maar dat moet niet worden afgestraft met een ander kiesstelsel, daar hoort de politiek zelf zich aan aan te passen, met een andere politieke praktijk. Misschien bestaat die eruit juist niet bang te zijn voor een minderheid in de Senaat. In een toch zeer op consensus gericht land, zoals blijkt uit het onderzoek van Otjes en Louwerse, brengt dat flexibiliteit met zich mee die mogelijk juist voor stabiliteit kan zorgen. Zeker als dat minderheidskabinet een middenkabinet is, zoals nu.

Haalt het huidige kabinet de eindstreep, dan kan Parlement en Politiek een nieuw tijdsblok introduceren. Volgens Otjes is de naam daarvoor nu al duidelijk: minderheidskabinetten.


Beeld: Diederik Samsom (PvdA), Alexander Pechtold (D66), Sybrand Buma (CDA ), Mark Rutte (VVD ) en Emile Roemer (SP) voor aanvang van het verkiezingsdebat op 5 maart in Amsterdam. Foto Robin Utrecht / HH