Opheffer

Minderwaardigheidscomplex

Ik hoorde of las het laatst weer: in Arabische landen heeft men schotelantennes waarmee men ook Nederlandse zenders kan ontvangen. Daar kijkt men dan ook naar. Dan ziet men vrouwen met blote tieten die het met allemaal mannen doen, mannen die het met mannen doen en vrouwen die het met vrouwen doen. Men ziet drugsgebruik en ongekend materialisme en dus, wordt er beweerd, denken die Arabieren die naar die Nederlandse televisiezenders kijken: «Help, de hel dat zijn de Nederlanden… Ziehier waar de vrijheid van meningsuiting toe leidt…» Met andere woorden: is het niet begrijpelijk dat die mensen in die Arabische landen ons verdorven vinden en alles willen doen om te voorkomen dat het bij hen net zo wordt als hier?
Deze retorische vraag kan met een ferm «Nee, dat is niet begrijpelijk!» worden beantwoord.
Onlangs ontvouwde acteur Ramsey Nasr weer zo’n theorie in de Volkskrant. Ik kon me niet voorstellen dat hij die theorie echt geloofde.
Wat ik namelijk niet begrijp is dat die mensen in de Arabische wereld die naar onze televisie kijken niet denken: verrek, bij ons kun je die vrouwen alleen krijgen als je dood bent of martelaar wordt en bij hen is dat veel eenvoudiger, hoe kan dat? Ik begrijp ook niet dat ze niet denken: wat zien die mensen er allemaal blij en mooi uit in hun godsgruwelijk dure materialistische pooierauto. Hoe kan dat? En hoe komen ze aan zo’n auto? En ik begrijp al helemaal niet dat ze niet denken: wat geweldig dat je daar alles kunt zeggen en doen zonder dat je meteen in het gevang gestopt wordt.
Omgekeerd namelijk kijk ik wel eens naar hun televisiezender en dan hoor en zie ik woest geklede, racistische taal uitslaande oorlogshitsers, waar de hypocrisie van afdruipt, want de leiders hebben namelijk precies hetzelfde wat de gewone boerenlul hier ook heeft, maar de boerenlullen daar worden geknecht met een achterlijk geloof en de daarbij behorende armzalige opvattingen over het leven.
Aan de andere kant snap ik wel dat er angst is bij die Arabische televisiekijkers, die helaas niet meetellen voor het kijkcijfer. Stel je namelijk maar eens voor dat wij, decadente westerlingen, gelijk zouden hebben. Dat er geen hel en geen hemel is, dat er geen leven na de dood is, maar dat we alleen dit leven hebben. Op dat moment stort inderdaad je eigen wereld in. Maar de vraag die dan overblijft is: wat dan nog? Wat kan er dan gebeuren? Eén, twee generaties geleden geloofde men hier nog in de hocus-pocus van de bijbel en zie wat de grote deconfessionaliseringsgolf van de jaren zeventig en tachtig heeft teweeggebracht? Zijn we er op achteruit gegaan? Leven we constant in oorlog? Is er voortdurend grote armoede bij ons? Worden we geleid door sadisten? Controleren we continu elkaar?
Integendeel. Het valt allemaal nogal mee. Sterker: onze levensverwachting in het algemeen is groter dan die van de mensen daar, de mogelijkheden voor beter onderwijs voor onze kinderen zijn evident talrijker dan voor de kinderen daar en de kans op goede medische voorzieningen en behandelingen voor iedereen is hier ook groter dan daar.
Dus zo decadent is het allemaal niet.
Ik geef op één punt toe dat we hier decadent zijn: onze seksualiteit. We zijn niet trouw maar weigeren daarvan de consequentie te trekken; we schamen ons voor het genot maar blijven het genot wel zoeken. Dus zijn onze seksuele zeden in verval geraakt: decadentie. We leven met een opwindende vorm van hypocrisie.
Maar dat is het dan ook.
Ik geloof toch meer en meer dat in de strijd tussen «Oost en West», voorzover die bestaat, sprake is van een minderwaardigheidscomplex van Oost jegens West. Een minderwaardigheidscomplex dat wij onderschatten. Wat doen mensen met een groot minderwaardigheidscomplex? Die compenseren, die rechtvaardigen hun gevoel van minderwaardigheid door het minderwaardige leven dat ze leiden te verheerlijken. Kleinburgers leefden destijds op bij het fascisme, want dat rechtvaardigde en verheerlijkte hun onbenullige bestaan. («Laat je door de politici niet in de luren leggen! Ze pakken ons, de kleine man!»)
Je ziet ook dat men tegen alles is wat wij ambiëren, behalve als het gaat om macht…
Neem Iran, dat zet de wereldvrede op het spel omdat het iets wil bezitten wat het Westen al sinds de Tweede Wereldoorlog bezit: atoombommen. Als er nou één westers decadent verschijnsel is, dan is het wel de atoombom. Maar juist die wordt begeerd! Het enige dat wij in ruil kunnen krijgen, is de islam – maar die hebben we al duizend jaar geleden afgewezen! Geef toe: dat is toch een slechte ruil? Wat wil het Oosten nog meer? De Palestijnen willen hun land terug, en daar valt alles voor te zeggen, maar verder? Ze willen wapens. Lees: macht. Hoeveel wapens hebben ze al niet van de Russen de Amerikanen gekregen? Ze willen meer. Wat willen ze verder?
Laten we eerlijk zijn: eigenlijk willen ze alles wat wij al hebben, maar zij niet kunnen krijgen, omdat hun geloof dat tegenhoudt. En dat geloof geven ze niet op, want dat geloof rechtvaardigt nu juist hun bestaan. («Laat je door de politici niet in de luren leggen, luister alleen naar onze God.»)
Je zou het, zo denk ik, een vorm van medemenselijkheid kunnen noemen om elke vorm van religie te bestrijden. Uiteraard met argumenten en niet met wapens. Dat wil ik ook graag. Daarbij moet je een hiërarchie aanbrengen. Eerst agressieve religies bestrijden. Die grote fanatieke godsdiensten moeten verdwijnen. Die zijn gevaarlijk! Die willen ons dood. Sterker: hier en daar zijn ze al begonnen vrienden van me te vermoorden.
Als ik dan weer lees dat ik begrip moet hebben, of de boel bij elkaar moet houden, of moet proberen aardig te zijn, dan denk ik: nee, nee, nee. Ik wil tegen mensen aardig zijn, maar niet tegen hun geloof – daarin zit een groot verschil.