Miniseren

Werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes bepleit een ‘solidair akkoord’, zoiets als dertig jaar geleden. Maar de vraag is waaruit de solidariteit van de kant van de werkgevers bestaat.

DAT EEN WOORD zo kan samenvallen met zijn betekenis: ‘miniseren’. De Dikke Van Dale uit de jaren zeventig wil er nog niet echt van weten en verwijst streng naar het langere werkwoord minimaliseren. Maar inmiddels mag miniseren, korter voor wat toch al korten betekent.Martine Bijl wees me op het woord. Dat wil zeggen een songtekst van haar. Daar googelde ik tegenaan toen ik vorige week het woord 'nullijn’ opzocht om te kijken of de door de voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW Bernard Wientjes bepleite nullijn deze dagen nog een veel gebruikte term is.
'We moeten miniseren, dat is duidelijk/ maar wie er moet beginnen weet geen hond’, zingt Bijl in Balanceren op de nullijn. Wientjes weet wel wie er moet beginnen: de ambtenaren, de uitkeringsgerechtigden en de werknemers in de marktsector, allemaal op de nullijn, geen cent loonsverhoging erbij. Of de vakbonden dat even met hem en de overheid willen afspreken in een 'solidair akkoord’. Volgens Wientjes verdeelt de nullijn de pijn én levert het de overheid onmiddellijk geld op.
Nu maart dichterbij komt, en daarmee de nieuwste cijfers van het Centraal Planbureau over overheidstekort, overheidsschuld, economische groei en werkloosheid en dus ook over het door dit kabinet extra te bezuinigen bedrag, komen de wensenlijstjes op tafel. Niet alleen de politieke partijen sorteren voor, zoals CDA-vice-premier Maxime Verhagen vorige week deed door te pleiten voor hervormingen in de zorg en op de arbeids- en woningmarkt, ook belangenorganisaties zijn daar driftig mee bezig.
Wientjes wil dus de pijn verdelen. Hoe nobel van hem. In 1982 bij het Akkoord van Wassenaar gebeurde dat ook. Daar verlangt hij waarschijnlijk naar terug. Toen wisten werkgevers, werknemers en overheid afspraken te maken over loonmatiging en arbeidstijdverkorting. Ze waren bedoeld om de werkloosheid van toen ruim acht procent terug te dringen, jongeren een kans te geven op de arbeidsmarkt, werkgevers meer armslag te geven en het overheidstekort op de begroting van iets meer dan zes procent te helpen verminderen. De problemen van toen lijken op deze manier verwoord op die van nu, ook al is de werkloosheid op dit moment nog niet zo hoog en het overheidstekort nog niet zo groot. Toch is de oplossing van dertig jaar geleden niet per se het redmiddel nu.
Was Wim Kok destijds voorzitter van een sterke vakcentrale FNV, Agnes Jongerius is dat nu van een verdeelde vakcentrale. Interne strijd over hoe een vakbond in deze tijd werknemers nog weet te binden om samen voor hun rechten op te komen, heeft de vakcentrale verzwakt. Als de werkgevers oprecht rust op de arbeidsmarkt willen, zullen ze die zwakte niet moeten uitbuiten. Dat is niet in het belang van de werkgevers zelf, hoe vreemd dit ook mag klinken.
En hoe kan een minder sterke vakbond in deze tijd een drastische loonmatiging als de nullijn verkopen aan haar achterban? Die nullijn houdt geen rekening met een verschijnsel dat er dertig jaar geleden niet was. Om het met de woorden van toen inmiddels minister-president Kok te zeggen: exhibitionistische zelfverrijking. Velen zouden uit solidariteit misschien best willen afzien van een loonsverhoging, maar hoe kun je dat vragen van de werknemers van chipmachinefabrikant ASML als ze weten dat een van hun topmannen in 2011 ruim zes miljoen euro aan aandelen en opties heeft verzilverd, zoals de Volkskrant afgelopen weekend publiceerde? Of van de werknemers van de door de handel in derivaten in problemen verkerende woningbouwcorporatie Vestia, die weten dat hun inmiddels opgestapte bestuurder een half miljoen per jaar verdiende?
De liefde moet wel van twee kanten komen. Het zakelijke argument dat aan de bovenkant uiteindelijk voor de schatkist niet zo veel valt te halen als bij de veel grotere bulk 'gewone’ belastingbetalers gaat voorbij aan die wederkerigheid. En werkt daarom niet.
Wat het voorbeeld van ASML ook aangeeft en wat nu eveneens sterker is dan dertig jaar geleden is de behoefte aan maatwerk. Als een bedrijf als ASML over 2011 zijn winst met een half miljard heeft zien stijgen tot 1,5 miljard euro is er bij dat bedrijf weinig reden om de medewerkers geen loonsverhoging te geven. Maar een bouwbedrijf dat het moeilijk heeft, heeft er wel baat bij als de lonen hetzelfde blijven of misschien zelfs iets dalen. De werknemers van dat bedrijf hebben daar uiteindelijk voordeel van, want het vergroot de kans dat ze hun werk kunnen behouden.
Wientjes heeft nog meer wensen op zijn lijstje die de werknemersorganisaties pijn doen, zoals het korten van de duur van de WW-uitkering en het verlagen van de ontslagvergoeding. Een kortere WW maakt werkloosheid voor de werkgevers goedkoper, omdat er minder premie hoeft te worden betaald. Ook hier is er een verschil met dertig jaar geleden. Langdurige werkloosheid was toen een probleem, nu hoor je daar eigenlijk niet meer over. Dat komt onder meer doordat er sindsdien al flink is gesneden in de duur van de werkloosheid. Als van werk naar werk gaan Wientjes’ doel is, hoeft de wettelijke WW niet korter. Daar zijn andere maatregelen voor nodig, zoals scholing, die uiteindelijk toch het door hem beoogde doel bereiken.
Het versoepelen van het ontslagrecht ten slotte zou een probleem vergroten dat dertig jaar geleden ook niet bestond: de tweedeling op de arbeidsmarkt tussen werknemers met een vaste baan en flexwerkers. Want degenen die eruit worden gegooid, lopen tegenwoordig grote kans alleen nog aan werk te komen op basis van een flexcontract met slechte arbeidsvoorwaarden.
Ook bij deze twee onderwerpen is de vraag waaruit de solidariteit van de kant van de werkgevers bestaat in het door Wientjes bepleite 'solidair akkoord’. De werkgeversvoorzitter lijkt de eigen pijn wel heel erg te miniseren.