Minister Asscher steekt terecht zijn nek uit

De reacties op de brandbrief van minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de negatieve aspecten van het vrij werkverkeer in de Europese Unie verliepen weer langs de geijkte paden. Aan de ene kant van het spectrum werden de zorgen van de pvda-minister aangegrepen om, zoals pvv-leider Geert Wilders deed, te eisen dat de grenzen direct dicht zouden gaan voor buitenlanders. Dat had, wat ook voorspelbaar was, tot gevolg dat Asscher het verwijt kreeg Wilders in de kaart te spelen, dan wel dat het hem alleen te doen zou zijn om potentiële Wilders-stemmers naar zich toe te trekken.

Aan de andere kant, onder meer door d66, werd Asschers opmerking dat er sprake is van een dreigende dijkdoorbraak uitgelegd als een aanval op het vrij werkverkeer binnen de Europese Unie en daarmee op de EU als zodanig. Ook de werkgevers reageerden voorspelbaar, zij hebben vooralsnog baat bij de oneerlijke concurrentie waar Asscher aandacht voor vroeg.

Zodra het over buitenlanders en de Europese Unie gaat, is enige nuance in het politieke debat vaak ver te zoeken. In dat licht bezien is het moedig te noemen dat minister Asscher de negatieve gevolgen van het vrij werkverkeer op de politieke agenda wil krijgen, in Brussel en daarmee dan ook in Den Haag.

Het was overigens niet de eerste keer dat de minister zijn zorgen uitsprak over de gevolgen van de arbeidsmigratie voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat hij deze keer echter wél veel aandacht en reacties kreeg, zal te maken hebben met het middel, de brandbrief in de Volkskrant, en het tijdstip, de zaterdag vlak voor het einde van het politieke zomerreces en een paar maanden voordat de grenzen begin 2014 ook open gaan voor Roemenen en Bulgaren.

Het vrij werkverkeer, een van de pijlers van de EU, heeft niet alleen geleid tot groei, bloei en welvaart, maar ook tot oneerlijke concurrentie. Soms is dat het gevolg van regelrecht malafide praktijken, maar soms komt het ook doordat op zich legale constructies worden gevonden – te vergelijken met de postbusfirma’s waarmee de belastingen worden ontdoken – waardoor buitenlandse werknemers hier tegen een veel lager loon kunnen werken, soms zelfs een loon dat lager is dan het hier geldende minimumloon. Nederlandse bouwvakkers, vrachtwagenchauffeurs of schoonmakers kunnen daar niet tegenop concurreren: van een dergelijk laag inkomen kunnen ze hier niet rondkomen, terwijl hun collega’s uit Polen of straks Roemenië dat in hun eigen, goedkopere land wel kunnen.

Ook met andere arbeidsvoorwaarden in Nederland, zoals aantal werkuren, vakantiedagen, ontslagrecht of zwangerschapsverlof, wordt het in die constructies vaak niet zo nauw genomen. Dat zet een aantal sociale verworvenheden onder druk waarvoor in Nederland lang is gestreden en onderhandeld. Het kan niet zo zijn dat die verworvenheden voor hoger opgeleiden die geen last hebben van deze oneerlijke concurrentie, wel blijven gelden, maar niet voor lager opgeleiden – vanuit welk land ze hier ook komen werken.

Minister Asscher kreeg ook de kritiek dat hij de problemen toch vooral zelf en door bilaterale afspraken met individuele landen moest aanpakken. Dat is vreemd. Waarom zouden in Brussel wel de voordelen van de EU worden besproken en geregeld, maar niet de nadelen? Het wordt tijd dat Brussel tegen kritiek kan zonder dat dit als een aanval op de EU wordt gezien.