Minister van tegenkracht

Inderdaad, ontwikkelingsprocessen zijn niet altijd een onverdeelde zegen voor de armen. En ook niet voor het milieu. Niettemin kan het volgens minister Pronk best nog goed komen met de wereld. Als de sociaal-democratie maar weer wat meer het voortouw nam.
MENEER PRONK, de laatste tijd staat ontwikkelingssamenwerking nogal onder druk, deels ook doordat een continent als Afrika er door al die hulp eerder op achteruit lijkt te gaan.

Jan Pronk: ‘Ontwikkelingsprocessen hebben nu eenmaal vaak ook een ontwortelend effect. Dat geldt zowel voor ontwikkelingslanden als voor het Westen. Zodra je een ontwikkelingsproces voornamelijk aan de markt overlaat, vooral richt op de versterking van de produktiefactoren kapitaal en technologie, is de keerzijde dat er wordt gedehumaniseerd. Dat de ongelijkheid toeneemt, dat de armoede toeneemt.
Het probleem is dat zich ten gevolge van de globalisering overal dezelfde ontwikkeling afspeelt, overal voor hetzelfde model wordt gekozen. En dat is sterk gebaseerd op technologie en kapitaal; mens en natuur komen op de tweede plaats. Dat leidt overal tot milieudegradatie, grotere ongelijkheid en ontworteling. Sociaal-democratisch beleid zou dit kunnen ondervangen, maar de toenemende globalisering maakt het steeds moeilijker zo'n beleid te voeren. Wat dat betreft zitten alle landen en markten in hetzelfde schuitje; afwijkend beleid wordt door de markt afgestraft. En dat betekent dat ook sociaal-democraten zich tegenwoordig wel twee keer bedenken voor ze maatregelen nemen om de effecten van het marktmechanisme af te zwakken en de welvaart te herverdelen.
In de meeste minder democratische samenlevingen zie je bovendien dat de beslissingen genomen worden door elites die zelf gebaat zijn bij een zo hard mogelijk kapitalistisch proces, omdat ze daar zelf toegang toe hebben. Dat geldt zowel voor de kapitalistische elite in Indonesië als voor de warlords in Liberia.’
TOCH STELT U de globalisering en de aansluiting op de wereldmarkt als onvermijdelijk voor.
'Een land dat zich met succes voor die globalisering wil afsluiten, moet wel heel bijzonder zijn. Om te beginnen heel erg groot. Je kunt wel tijdelijk proberen om niet mee te doen, maar uiteindelijk zal het niet lukken.
Het is in feite ook helemaal geen globalisering; het is verwestersing. Het zijn de westerse technologie, het westerse kapitaal en de westerse normen omtrent rationeel marktgedrag die gaan overheersen. Het leidt tot uniformering naar westers model. Het beleid zou gericht moeten zijn op het opvangen van de gevolgen, op het vertragen. Dat is de opdracht voor de sociaal-democratie; niet alleen nationaal, ook internationaal. Ze moet proberen tegenkracht uit te oefenen, hervormingen door te voeren. Want voorkomen lukt niet.’
Maar is die verwestersing geen anachronisme? Het Westen functioneert immers alleen maar dank zij het feit dat de sociaal-democratie het ongebreidelde, harde kapitalisme heeft beteugeld.
'Daarom is het ook niet zo zwart-wit. Het Westen weet vanuit interne maatschappelijke processen ook weer contramechanismen aan te reiken. Alleen staan die contramechanismen wel erg onder druk. Het contramechanisme van de verzorgingsstaat bijvoorbeeld, het contramechanisme van de vertegenwoordigende democratie, het contramechanisme van de consensus over waarden, mensenrechten. Ze staan allemaal onder druk. De verzorgingsstaat staat onder druk doordat kapitaal en technologie voortdurend leiden tot concurrentie op basis van kostenverlaging. De democratie staat onder druk doordat er een grensoverschrijdende, transnationale krachtenbundeling is die het uitermate moeilijk maakt om vanuit een stad of een land de besluitvorming nog te beïnvloeden. De gemeenschappelijke waarden en de consensus daarover staan onder druk van de opgedrongen materialistische waarden die samenhangen met de wens het kapitalistische proces zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. En die waarden worden in toenemende mate overgebracht door een cultuuroverdrachtsysteem dat zelf weer deel uitmaakt van de markt. Onderwijs en media bijvoorbeeld waren in het verleden contrasystemen, maar zijn dat nu in afnemende mate.’
Ziet u nog tegenstelling tussen het Noorden en het Zuiden?
'In afnemende zin. Je zou kunnen zeggen dat er nu een Zuiden in het Noorden en een Noorden in het Zuiden is. Dat heeft te maken met technologie. Iedereen die toegang heeft tot de communicatiemiddelen, kan direct communiceren met iedereen ter wereld en behoort daarmee, waar ter wereld hij of zij ook zit, tot het Noorden. Daartegenover staat dat iemand die nauwelijks toegang heeft tot de economie in de eigen samenleving, overal ter wereld tot het Zuiden behoort. Er is niet zo gek veel verschil tussen verpauperden in de buitenwijken van de grote steden in de Verenigde Staten en werklozen in Nairobi.’
Aan de ene kant is er sprake van globalisering, aan de andere kant van fragmentarisering. Momenteel hoor je vaak dat het einde van de Koude Oorlog in Afrika geleid heeft tot het uitbreken van een hele serie hete oorlogen. Deelt u die analyse?
'Het einde van de Koude Oorlog had inderdaad tot gevolg dat in Afrika - maar niet alleen daar - van alles loskwam. Dat leidde tot snelle veranderingsprocessen die nieuwe conflicten met zich meebrachten. Soms etnische conflicten, soms regionale. De tegenstellingen die aan de basis van die conflicten lagen, bestonden al langer, maar onder druk van de supermachten kwam het voorheen veel minder snel tot escalatie. Toen die druk wegviel, zag je plotseling een versterkt proces van enerzijds natievorming en anderzijds fragmentatie. En je zag hoe leiders gretig gebruik maakten van bestaande tegenstellingen. Dat is op grote schaal gebeurd in Afrika.’
DE TOTSTANDKOMING van de verschillende Afrikaanse staten was natuurlijk ook wel een vreemde aangelegenheid. De grenzen waren weinig meer dan door de koloniale overheersers getrokken strepen in het zand.
'Maar in de volgende fase, tijdens de Koude Oorlog, zijn die grenzen in stand gehouden. Men heeft heel lang gezegd dat grenswijzigingen onbespreekbaar moeten zijn omdat je anders een sneeuwbaleffect zou krijgen. Maar ik vind dat grenswijzigingen onbespreekbaar zijn als de direct betrokkenen tot de conclusie komen dat ze noodzakelijk zijn. Ik geloof niet dat wij ons daar mee moeten bemoeien. We hebben al een keer de fout gemaakt ze te trekken, dan moeten we nu niet de fout maken ze uit te wissen. Het kan een weg zijn om te kiezen voor een meer confederaal en regionaal systeem om conflicten zoals in Kenia, Soedan en Ruanda te voorkomen. In termen van het tegenhouden van mensen en van handel zouden grenzen minder belangrijk kunnen worden in die landen waar mensen, etnische groepen, altijd een samenhang hebben vertoond. Daar schep je met het trekken van grenzen echt een probleem. Plotseling heb je vluchtelingen, terwijl er vroeger helemaal geen vluchtelingen waren, alleen mensen die ergens anders gingen wonen. Dan heb je dus een politiek probleem. Vroeger was vertrekken een reactie op een economisch probleem of op geweld. Nu zijn de mensen die vertrekken zelf het probleem geworden omdat ze vluchteling zijn en nergens meer worden erkend. Dat kan dus anders. De begrippen natie, staat en grens moeten niet zodanig worden verabsoluteerd dat ze tot een nieuw probleem worden.’
Zoals een Hutu-staat in Ruanda en een Tutsi-staat in Burundi?
'Dat lijkt mij dus onmogelijk. Als ik de mensen die er verstand van hebben mag geloven, is het onmogelijk een harde scheidslijn te trekken tussen Hutu’s en Tutsi’s. Verder is er op grote schaal gemengd gehuwd. Maar bovenal leidt iedere herindeling tot nieuwe minderheden. Elke oplossing creëert al gauw nieuwe problemen. We hebben een zelfde vorm van massamoord en genocide gezien in Europa, in een iets beter georganiseerde vorm weliswaar, maar niet wezenlijk verschillend.’
Ze zijn dus niet achterlijker of gewelddadiger in Afrika?
'Nee, ze hebben minder “ordeningservaring”. Je moet stabiliserende elementen inbouwen, recht, een grondwet, consensus over waarden en normen, organisatie van het politiek systeem. Dat leidt niet tot een betere mentaliteit van de mens, maar tot het voorkomen van escalatie van tegenstellingen in gewelddadige conflicten.
Ik ben nooit een voorstander geweest van het inbrengen van een meerpartijensysteem in Afrika. Dat is een naïeve vorm van democratisering. Ik ben voorstander van democratisering, maar de institutionalisering daarvan moet je aan de samenleving zelf overlaten. Partijen zijn gebaseerd op verschillen, je moet je onderscheiden van andere partijen, dus je vergroot de verschillen om je machtsbasis te vergroten. Bovendien zijn partijen vaak een instrument van leiders. In die vorm kunnen partijen destabiliserend werken. Partijen worden gestart door mensen die onderdeel zijn van de door het Westen geüniformeerde cultuur. Het gaat mij niet om het prediken van een bepaalde democratische vorm, het gaat mij om het prediken van menselijke waardigheid, noem het mensenrechten.
De snelle invoering van bepaalde institutionele vormen van democratie leidt tot escalatie, maar dat is nooit het enige. De vormgeving van de koloniale verhoudingen hebben ermee te maken, de aard van de dekolonisatie.’
WAT HEEFT DIT voor gevolgen voor het beleid?
'Je kunt een bijdrage leveren aan een ontwikkeling waarbij verschillen niet tot tegenstellingen worden. Met een goed economisch ontwikkelingsbeleid kun je voorkomen dat armoede een tegenstelling wordt die een gewelddadig karakter krijgt. Soms moet je helaas constateren dat economische ontwikkeling zelf tot tegenstellingen leidt. Liberia en Ruanda zijn samenlevingen met een hoger ontwikkelingsniveau dan veel andere ontwikkelingslanden. Economische ontwikkeling is geen panacee.
Wanneer schaarste aan grond, water en werk het gevolg zijn van economische ontwikkeling, ontstaat er frustratie. Deze ontwikkelingen hebben geleidelijk aan geleid tot andere beleidsprioriteiten. We hebben altijd gezegd: ontwikkeling is conflict. Maar na 1989 zijn we veel directer gaan proberen om met andere dan sociaal-economische instrumenten tot conflictbeheersing te komen.’
Welke rol spelen internationale organen als de Verenigde Naties daarbij?
'De Verenigde Naties spelen een veel betere rol dan vaak wordt gedacht . Een paar voorbeelden: basisbehoeften en het voorzien daarin kwamen politiek aan de orde vanuit de International Labour Organisation en de Wereldbank. In de jaren tachtig werd door de Unctad de theorie over de gemeenschappelijke belangen ontwikkeld. Wijzigingen in het internationale aanpassingsbeleid zoals die door de IMF werden voorgestaan, kwamen door Unicef en de Ilo. Het begrip duurzaamheid en de internationale vertaling daarvan vond plaats in Rio op de Milieuconferentie. Menselijke ontwikkeling, ontwikkeling van, voor en door mensen, in plaats van economische ontwikkeling is een concept dat binnen de Verenigde Naties is ontwikkeld. En recent werd het begrip uitsluiting gewaarmerkt door de VN-conferentie in Kopenhagen. De conceptuele rol van de Verenigde Naties krijgt gestalte in de topconferenties. Die fungeren als ontmoetingspunt voor vertegenwoordigers van culturen. Deze vertegenwoordigers gaan binnen de eigen cultuur weer de discussie aan. Op die manier worden verschillen beheersbaar gemaakt. Helaas is de capaciteit van het VN-apparaat om escalatie van geweld ook in de praktijk tegen te gaan, achteruit gegaan. De internationale rechtsorde is verzwakt.’
We weten beter hoe het moet, maar er is verlamming in de uitvoering?
'Er zijn snelle veranderingen, er zijn onberekenbare factoren, en er is onzekerheid. Je ziet meer zelfbeveiliging in plaats van samenwerking. Dat leidt tot meer unilateraal optreden. Het optreden van de Verenigde Staten in Irak afgelopen week is een vorm van eenzijdig optreden die niet past in de internationale rechtsorde. Verklaarbaar, misschien nog wel te rechtvaardigen gezien wat Saddam doet, maar niet te legitimeren vanuit het systeem dat was opgezet om het internationaal uitoefenen van geweld vorm te geven.’
Het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking brokkelt in hoog tempo af.
'Dat is niet mijn ervaring. In ieder gehucht is er een groep die zich bezighoudt met internationale samenwerking, een wereldwinkel, een solidaritietsgroep, wat dan ook. Dat is helemaal niet minder geworden. Maar er is een bedenkelijke zelfgenoegzaamheid onder opinieleiders. De intellectuele elite is zeer provinciaal. De cynische zelfgenoegzaamheid van betweters beïnvloedt het draagvlak wel enigszins. Er wordt niet meer gekeken naar het probleem, maar alleen naar competenties en mandaten. Er wordt een binnenlandse tegenstelling van ieder buitenlands probleem gemaakt, van ontwikkelingslanden weet men niets.
Dat is wat anders dan de discussie over eigenbelang. Ik ben een voorstander van het begrip “verlicht eigenbelang”, in tegenstelling tot Van Mierlo. Voor Nederland is het van groot belang dat de mensenrechten wereldwijd worden gerespecteerd, dat er stabiliteit heerst. Dat is een burgerlijk eigenbelang. Daar is de Nederlandse verzorgingsstaat op gebouwd. Het is de enige solide basis, een combinatie van solidariteit en goed begrepen eigenbelang. Dat zijn elementen van een sociaal-democratische ordening van het internationale kapitalisme.’