Hoofdcommentaar

Minister voor Inadequate Zaken

Volgens de Volkskrant is de brand op Schiphol een uiting van het «noodlot» geweest. Of menselijk handelen geleid zou kunnen hebben tot elf doden, was voor de Volkskrant zaterdag, twee dagen later, al geen vraag meer. «In deze tijd en contreien» weet men zich volgens het dagblad geen raad met fatale gebeurtenissen. Vandaar dat «geschamper» over «Zuid-Amerikaanse toestanden». Daardoor moeten we ons niet van de wijs laten brengen, aldus de redactie. Gewoon doorgaan op de ingeslagen en vooral democratisch gesanctioneerde weg van het «humane maar strenge vreemdelingenbeleid». Waarom de Volkskrant dan toch pleit voor een onderzoek is onduidelijk. Het «noodlot» onderzoeken heeft immers geen zin. Het noodlot is een door god of goden ontketende gebeurtenis waarvoor de mens alleen het hoofd kan buigen. Het is hooguit nuttig om het noodlot te beschrijven en zo met literaire middelen draaglijk te maken. Laten we het erop houden dat ook de Volkskrant intussen droomt van een andere maatschappelijke orde: van een tragische samenleving waarin uitverkoren dichters en filosofen voortaan de baas zijn en gekozen politici het nakijken hebben.

Die hang naar realisme à la Plato spoort keurig met een bredere trend in deze «contreien». Maar omdat de dichter in Nederland goddank geen koning is, is het nog steeds geoorloofd om verantwoording en rekenschap te vragen van hen die met een democratisch mandaat besturen. Zoals de bewindslieden Donner en Verdonk. Beiden waren donderdag snel ter plaatse. Terecht. De slachtoffers waren op gezag van Verdonk te gast bij Donner.

Verdonk is aansprakelijk voor het feit dat de Oekraïner en die tien andere slachtoffers op Schiphol bivakkeerden. Ze had niettemin meteen een oordeel paraat. Ze was «onder de indruk van de zeer adequate manier waarop er is gehandeld». Het was volgens haar «duidelijk dat de medewerkers van de diverse organisaties die bij de gebeurtenissen betrokken zijn geweest adequaat hebben gehandeld».

Minister Donner van Justitie hield meer afstand. Wellicht rook hij onraad, was hij bang voor getuigenverklaringen als maandagavond bij Nova die gewag zouden maken van hysterisch machtsmisbruik van bewakers. Hoe dan ook. Pas na een breed onderzoek is er een zinnig woord te zeggen over hun ministeriële verantwoordelijkheid. Geen speld tussen te krijgen. Anders dan het NOS-Journaal donderdagavond suggereerde met een zogeheten contextueel «itempje» over eerdere dodelijke branden als die in hotel Polen in Amsterdam (1977) en café ’t Hemeltje in Volendam (2001), is er juist géén precedent in Nederland. En in tegenstelling tot de conclusie van de Volkskrant mag een overheid die zich baseert op de scheiding van kerk en staat zich niet a priori verschuilen achter een «act of God», zoals onverzekerbare schade in de kleine lettertjes van een polis meestal wordt omschreven.

Binnen een halve dag was er zodoende al sprake van een bestuurlijk puinhoopje. Dat de regering niet meer met één mond spreekt, is een feit dat we kennelijk moeten aanvaarden. Precies daarom is de conclusie van de minister voor Vreemdelingenzaken & Integratie belangrijk. Sprak Verdonk – die zich meer en meer ontpopt als reïncarnatie van majoor Kees («vragen, geen vragen»), de creatie van cabaretier Paul van Vliet – louter voor «haar beurt», zoals het heet in Binnenhofs jargon? Het is, gelet op de traditie die dit kabinet heeft gevestigd, goed denkbaar.

Daarmee is de zaak echter niet afgedaan. De slachtoffers van de brand op Schiphol-Oost waren illegale vreemdelingen. Illegaal in Nederland verblijven is géén misdrijf. Het eerste kabinet-Balkenende wilde daarop onder invloed van de LPF en Verdonks voorganger Nawijn aansturen, maar dankzij de gekkigheid van de fortuynisten in 2002 is het bij een voornemen gebleven. Illegaal verblijf is nog steeds geen delict maar een overtreding. Als het vermoeden gerechtvaardigd is dat een illegaal de benen meent, wordt hij of zij in bewaring gehouden. Dat is geen sanctie, dat is een ordemaatregel in afwachting van uitzetting. Met andere woorden: de omgekomen illegalen zaten in een streng bewaakte herberg. Het is geen toeval dat deze valt onder de Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De illegalen die namens Verdonk worden opgepakt, horen immers niet thuis in een algemene inrichting.

Daar komt nog iets bij. De DJI is sinds 1995 een «agentschap». Dat betekent dat het departement het gevangeniswezen enigszins op afstand heeft gezet om beider slagkracht te verhogen. Kortom, de ministers op Justitie hebben wel de lusten van vroeger, maar iets minder de lasten. Deze constructie is een van de typische voorbeelden van de hybride overheid waaraan nu al ruim een decennium wordt gewerkt. En dat is niet zonder consequenties. Juist omdat de cellen in Nederland door een agentschap worden beheerd, dienen ministers behoedzaam te zijn voordat de feiten boven water zijn.

Dat nu is te veel gevraagd van Verdonk, die zelf nota bene twaalf jaar werkzaam is geweest in het gevangeniswezen. Dat ze haar medewerkers op Schiphol ná de brand niet wilde laten zakken, is op zichzelf mooi. Maar dat tweemaal gebruikte woord «adequaat» getuigt ook van iets anders. Óf ze weet meer over de oorzaken van de brand. Geheime kennis noopt dan tot zwijgen, hetgeen ze duidelijk niet kon opbrengen. Óf ze is bezig met het vegen van haar stoep, zoals ze nu ook doet met de teruggestuurde asielzoekers uit Congo. Is dat laatste het geval, dan heeft ze de bestuurlijke procesgang op voorhand doorkruist. Het is immers mogelijk dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid onder leiding van prins Pieter van Vollenhoven – deze combinatie van onafhankelijk onderzoek en koninklijk huis kan nog lastig worden – conclusies trekt die níet sporen met haar a-priori. Wie weet doemt er zelfs een zinnetje op dat tendeert in de richting van dood door schuld.

Wat moet minister Verdonk doen? Of ze biedt haar excuses aan voor haar gebrekkige woordenschat. Of ze erkent dat ze te weinig postuur heeft voor een positie in de regering van het koninkrijk.

Beide opties zijn te veel gevraagd van majoor Kees. De Tweede Kamer kan haar nu maar beter een handje helpen richting politieke uitgang. Zoals het hoort in «deze tijd en contreien».