Minister Voorwaarts

Wie een korte biografie van Willem Treub (1858-1931) leest, kan nauwelijks anders dan overvallen worden door een gevoel van verveling.

Medium anp 20359616
1929. Oud-minister M.W.F. Treub bezoekt eem bazaar van uitgeweken Russische studenten in huize Voorhout © Polygoon / ANP

Wat een saaipiet moet de man geweest zijn! Rechtenstudie in Leiden. Belastingspecialist. Privaatdocent notariaat en fiscaal recht. Oprichter van diverse notariële belangenclubs. Gemeenteraadslid in Amsterdam. Hoogleraar staathuishoudkunde en statistiek. Minister van Landbouw en Financiën. Kamerlid. Voorzitter Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië. Een drukke en zo te zien goede carrière, dat wel. Maar verder… Net genoeg faam voor een paar Nederlandse straten en een plein in Amsterdam, dat in 1960 werd herdoopt tot het Prins Bernhardplein. Voor Treub bleef enkel het stukje over dat van dat plein naar de Berlagebrug loopt.

Weinig is minder terecht dan deze povere nagedachtenis en de kwalificatie saaipiet. Zo kan er geen twijfel over bestaan wie van de twee naamgevers van het plein tegenover het Amstelstation het meest voor de Nederlandse samenleving betekend heeft: Treub natuurlijk. Dit alleen al omdat hij, wat volgens mij bijna niemand weet, ongeveer de eerste Nederlander was die zich hard maakte voor minimumlonen, maximumwerktijden en pensioenen. Wij associëren deze basisvoorzieningen van de moderne samenleving steevast met sociaal-democraten, de jaren vijftig en Willem Drees. Dat is onterecht. Het begin ervan ligt aan het eind van de negentiende eeuw, bij liberalen als Wim Treub.

Op één punt heeft Treub het verder gebracht dan Bernhard. Naar de prins is nooit een sigaar genoemd

Dat wat betreft Treubs verdiensten voor de toekomst. Zijn grootste verdienste in eigen tijd had hij tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen hij kort na het uitbreken van de schermutselingen minister van Financiën werd. In die functie nam hij de ene na de andere, lang niet altijd even populaire maatregel waaronder de invoering van een gedwongen staatslening en een verbod op uitvoer van goud en levensmiddelen. Dit laatste leverde volgens Diederick Slijkerman – biograaf overigens ook van Gijsbert Karel van Hogendorp – amusante taferelen op, en Treub de bijnaam Minister Voorwaarts. Zo was zijn collega op het ministerie van Landbouw het niet eens met dat verbod op uitvoer en suggereerde een aantal kaasboeren dat zij zich ook contant konden laten betalen. Daar kon de staat niets tegen beginnen. Treub liet dat niet over zijn kant gaan en liet twee wagons met het veelgevraagde Nederlandse product aan de Duits-Nederlandse grens in beslag nemen. ‘Ons kikkerlandje stond paf’, schreef parlementair journalist Doe Hans in zijn in 1924 gepubliceerde schetsen van de Nederlandse politiek. ‘Dat was, waarachtig, iets fonkelnieuw. Een minister, die z’n ambtenaren oproept om de besluiten van een ambtgenoot tegen te houden. O, wat een gekwaak. En Treub kwam in de Kamer, kalm, onbewogen, met z’n flapdas en z’n stijf-kop, en ging aan de regeringstafel stukken zitten tekenen. Iedereen keek naar ’m: hij keek naar niemand. De man met de reuzenbiceps op de parlementaire kermis. Krachtfiguur.’

Die bijnaam Minister Voorwaarts, flapdas en betitelingen als stijfkop en krachtfiguur verwijzen ook nog naar een heel andere kant van Treubs levensverhaal – een kant die precies het tegenovergestelde is van saai en prachtig licht werpt op de Nederlandse geschiedenis op het breukvlak van de negentiende en de twintigste eeuw. Treub was een onvoorstelbare lastpost, iemand die volledig zijn eigen gang ging, wars was van conventies en lak had aan burgerlijke fatsoensnormen. Zo trouwde en scheidde hij maar liefst drie keer. Dat was ook destijds overal bekend en had onder meer tot gevolg dat Wilhelmina aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog toch even aarzelde of ze de man, kort tevoren voor de derde keer in het huwelijksbootje gestapt, wel op een ministerspost kon benoemen. Moest zo iemand niet het goede voorbeeld geven?

De tot nu toe enige uitvoerige biografie van Treub dateert uit 1958 en is van de hand van dezelfde persoon die ook de korte schets voor het Biografisch woordenboek van Nederland schreef. Daarin wordt gesteld dat Treub een geniale individualist was, een wezenlijk liberale geest en een man met een Franse slag. Dat is allemaal juist en wordt bevestigd in deze nieuwe biografie. Maar wat hierin ook staat en wat men in 1958 nog niet wist, is hoe ver Treub in zijn ‘Franse slag’ ging. Dit werd dankzij de vader van minister Ard van der Steur pas onlangs bekend. Vader Van der Steur, antiquaar van beroep, stuitte op een grote verzameling brieven tussen Treub en zijn 39 jaar jongere ‘nichtje’ Alice Fontanier. Dit nichtje was natuurlijk helemaal geen nichtje maar eerst een flirt en daarna een geliefde. Het is een zoveelste reden dat Slijkerman het privé-leven van Treub stormachtig noemt en schrijft dat de man ‘grossierde in amoureuze relaties’. Ook verwekte hij ‘een onwettig kind. Als minister woonde hij tijdens zijn tweede huwelijk openlijk samen met een getrouwde vrouw in een Amsterdams hotel. Vervolgens had hij een heimelijke relatie met zijn “nichtje”… De laatste jaren van zijn leven leefde hij samen.’

Treub saai? Dat is dus wel het laatste wat je van de man kunt zeggen. Ook zijn politieke carrière staat bol van de conflicten, verrassende uitspraken, opmerkelijke daden en onverwachte wendingen – waarover Slijkerman vooral in brieven eveneens veel nieuw materiaal vond. En o ja, op één punt heeft Treub het toch verder gebracht dan Bernhard. Naar de prins is, voorzover ik weet, nooit een sigaar genoemd. Hij bracht het niet verder dan een sigarenbandje. Treub daarentegen was naamgever van een hele reeks sigaren, de zogenoemde Treub-serie. Toch een beetje gerechtigheid.