KURT DE BOODT, MINNEZANG

Minne kleedt ons uit

Kurt De Boodt, Minnezang, € 15,90

fragment uit de eerste zang:

beter ooit tasten
en gaan over pijn
grens dan niet te zijn
of leven als schrift
geleerde mijn woord
wijst hoger dan gras
mijn bede weet niet
beter gaat buiten
gaats breekt open lief
koos mijn hart klopt niet
zogenaamd speelt mijn
spel eindeloos ik
rekke ik strekke
ik wek blijf nimmer
ter plekke stop niet
met bloot of bedekt
te ontdekken weg
Hoe krijgen we greep op een wereld die we niet begrijpen, op een universum dat te groot is om te bereizen, op materie die haar eigenschappen aan het zicht onttrekt? Toen de eerste mensen een taal zochten om de vreemdheid van de wereld te domesticeren, projecteerden ze systematisch hun eigen beleving op de natuur. De wereld werd een bezield wezen, een organisme dat ademde, sprak en zweeg, en ten prooi was aan stemmingswisselingen. Daarmee was de metafoor geboren. Poëzie is de oudste natuurwetenschap. Later ontwikkelden zich methoden die we nu wetenschappelijk zouden noemen en die aanspraak maken op een zekere objectiviteit, maar het valt te betwijfelen of we ooit echt zijn opgehouden de wereld in typisch menselijke termen te benaderen. We kunnen niet anders.
Een van de eerste natuurwetenschappelijke traktaten die ons in het Westen zijn overgeleverd, is dan ook een gedicht. In de vijfde eeuw voor Christus bezong de Siciliaan Empedocles de vier elementen, die in verschillende mengverhoudingen het aanzien van de wereld bepaalden. De oerkracht die hen met elkaar in contact bracht was de Liefde. We kunnen Empedocles verwijten dat hij in mythisch denken is blijven hangen, maar het is de vraag of de moderne Zwaartekracht, Antimaterie en Snaren niet evenzeer voortspruiten uit een op hol geslagen poëtische verbeelding.
De Vlaming Kurt De Boodt (1969) heeft een lang gedicht over de liefde geschreven, dat in een aantal opzichten doet denken aan het laatste leerdicht uit de Nederlandse taal, Liefde, sterk vergroot (1982) van Leo Vroman. Ook bij De Boodt treffen we een combinatie van lyriek en natuurwetenschap, al gaat het hier eerder om de wonderen van de kosmos dan om proteïnen en aminozuren, zoals bij Vroman. En de titel, Minnezang, roept associaties op met de mystiek van Hadewijch, die dan ook in de openingsregels wordt aangehaald: ‘Tussen oren woedt/ minnes gloed’. Het gedicht is een manifestatie van orewoet, een extase die zowel erotisch als religieus is. Minnezang is een taalorgasme in dertien staties.
Kenmerkend voor liefde is dat ze verbindt en in elkaar over doet vloeien. Bij De Boodt vindt de versmelting alleen al plaats in de syntaxis, want zinnen, woordgroepen en woorden lopen op zo'n manier in elkaar over dat soms niet valt vast te stellen waar je leestekens zou kunnen plaatsen, terwijl ook rijmklanken een effect hebben dat biologen (en Gerrit Achterberg) osmose zouden noemen. In onderstaande passage suggereert de klankherhaling in 'kleedt’, 'klinisch’ en 'klit’ een logisch verband; hetzelfde geldt voor 'vast’ en 'tast’, en voor 'zuignappen’, 'happen’ en 'synapsen’. Alles grijpt organisch in elkaar:

minne kleedt ons uit
klinisch als een spoed
arts klit ze ons vast
zeewier tast me af
zoutzuurzoete zuig
nappen happen aan
het vuurwerk in mijn
synapsenhemel
is dit mijn laatste
gedachte voor we
ondergaan

Zowel in de eerste als in de laatste episode maakt de dichter duidelijk dat de erotische en kosmische escapade een mentale exercitie is. De wereld is een product van de verbeelding en bevindt zich tussen de oren: 'maakt uw dromen (…) waar’, zegt hij, 'zingt u bij elkaar/ koestert wat u bindt/ aan alle dingen’, waarbij mogelijk 'minne’ het subject van de werkwoordsvormen is, al kan het ook om een gebiedende wijs gaan. Even later stelt de spreker zichzelf voor: 'liefde is mijn naam/ beweger van zon/ maan alle sterren/ reis mee in mijn macht’. Maar het blijft een reis door het eigen brein: 'ik laat je weten/ schappelijk onder/ zoek wees uit dat ik/ dat wij niet meer zijn/ dan klodders gelei/ in jouw hersenpan’. Het is een 'schijn/ vertoning’.
Waar voert de reis ons heen? De Boodt begint bij het mysterie van de seksuele eenwording, stijgt dan op om de dampkring te verlaten, neemt ons mee naar de maan, de zon en de randen van het universum, kijkt vanuit de ruimte terug naar een door broeikasgassen opwarmende aarde, evalueert de mythologie van de planeten Jupiter, Saturnus en Uranus, beschouwt kosmische processen als politieke verwikkelingen of als media events, kijkt terug op zijn schooltijd en belandt uiteindelijk in de intimiteit van een kinderkamer. Het gedicht verwijst doorlopend naar de filosofische, wetenschappelijke en literaire traditie, deinst niet terug voor natuurkundig jargon of citaten uit het werk van Sappho, Dante en Jeroen Brouwers ('niets/ dat niet iets anders/ aanraakt’). Een ereplaats wordt ingenomen door de zestiende-eeuwse Brugse geleerde Anselmus de Boodt, 'arts tussen weten/ schap en bijgeloof/ natuurkundige/ voorvader’. Minnezang is een ambitieus conceptueel project.
Werkt het? Enkele passages zijn, mits hardop voorgelezen, opwindend, maar te vaak laat de dichter zich meeslepen door zijn eigen spitsvondigheid, die zich uit in flauw woordspel: 'fee/ niks op een bedje/ as’, of: 'al/ less draait hoe verder/ hoe meer om al less’. Bij regels als deze haakt uw recensent af: 'de toe/ toe toekomst toe la/ la lachen de ka/ daverende voet/ afdrukken’. De Boodt slaagt waar hij abstracties achterwege laat en de tastbaarheid van de wereld aanschouwelijk maakt, zoals in dit beeld van de sterrenhemel:

sfeervolle vijver
vol gastvrije gloei
visjes happend naar
liefdesvoer laser
sporen schrijverke
zandstraal je naam in
’t onbeschreven blad.

De verwijzing naar Gezelle ('schrijverke’) maakt het firmament tot een intieme, maar tegelijkertijd cultureel en religieus geladen locatie. Dat is poëzie.