Misleidend elegante verhalen

In de jacht op wat nieuw, jong en actueel is, gaat veel verloren. Willem G. van Maanen is al bijna vijfenveertig jaar schrijver. In 1953 debuteerde hij met Droom is ‘t leven. Voor zijn tweede roman De onrustzaaier kreeg hij in 1954 de Van der Hoogtprijs. Sindsdien heeft hij zo'n vijftien romans gepubliceerd, die over het algemeen behoorlijk gunstig zijn ontvangen.

Een geraffineerde schrijver werd hij in veel kritieken genoemd, iemand die zijn boeken een ingenieuze structuur geeft met dubbele bodems, subtiele perspectiefwisselingen, literaire verwijzingen, bizarre wendingen en al. Een schrijver met een speelse, ironische stijl die ook nog eens over delicate onderwerpen schrijft. Zijn in 1970 verschenen roman Helse steen werd onder andere door Alfred Kossmann en Willem Jan Otten als meesterwerk betiteld en ook Hebt u mijn pop ook gezien? (1974) en Een eilandje van pijn (1981) werden als belangrijke boeken gezien.
Toch had ik tot voor kort nog nooit een letter van Willem G. van Maanen gelezen. Hij was een schrijver van wie ik de naam kende, zo'n schrijver die er, misschien omdat hij allang publiceerde voordat ik geboren werd, altijd vanzelfsprekend was zonder dat ik de aandrang voelde een boek van hem ter hand te nemen.
Het is een raar fenomeen in de literatuur: schrijvers die zich, hoe goed ze ook zijn, in de marge bevinden, zijn vaak gedoemd daar te blijven, omdat ker’, dat wil zeggen beter in de markt liggende schrijvers, ook altijd staan te trappelen om een bespreking. De literatuur, althans wat wij onder de literatuur verstaan, is ook een wreed monster zonder geheugen: goede boeken raken vergeten, soms zelfs voordat ze zijn opgemerkt, en worden binnen de kortste keren als winkeldochters uit de boekwinkel verdreven. Er verschijnen niet alleen heel veel boeken, er verdwijnen er ook een hoop.
Willem Jan Otten heeft meermalen geprobeerd het tij voor Van Maanen te keren. Voor NRC Handelsblad herlas hij Helse steen en omschreef hij Van Maanen als ‘een verbijsterend onbekende schrijver, zo niet de minst bekende schrijver van alle schrijvers die heel goed genoemd kunnen worden’. In zijn essaybundel De letterpiloot ging Otten nog een stap verder: 'Een literatuur die een zo groot schrijver als Willem G. van Maanen zijn plaats niet kan geven, is verontrustend vergeetachtig en trouweloos.’
Iets van Ottens pleidooi moet zijn blijven hangen, want toen tussen de moedeloos stemmende stapel modieuze debuten een verhalenbundel van Van Maanen lag, hoefde ik niet lang te twijfelen.
Ik weet niet of Vrouw met Dobermann representatief is voor het oeuvre van Van Maanen. De bundel bevat zeven nogal uiteenlopende verhalen die met groot vakmanschap zijn gemaakt. Speels zijn ze ook allemaal, vol verrassende wendingen en fantastische ontwikkelingen. Hoe lichtvoetig en ironisch de stijl van de verhalen ook is, ze raken zware thema’s als verraad, lafheid, eenzaamheid, de ontwrichtende kracht van seksualiteit en de herinnering. De verhalen zijn nadrukkelijk literair - er staan verwijzingen in naar Proust, Kafka, Kopland, Vestdijk - zonder ooit hinderlijk zwaarwichtig of erudiet te worden.
In het titelverhaal vindt een kafkaëske metamorfose plaats. Anders dan Kafka’s Gregor Samsa, die tegen wil en dank verandert in een kever, kiest dr. Dobermann er zelf voor de straat op te gaan in de vermomming van een dier. Hij zoekt het dicht bij huis: hij neemt de gedaante aan van zijn achternaam. Van Maanen vermengt die zelfbewuste metamorfose knap met de geschiedenis van de naam Dobermann: de man is niet naar de hond genoemd, maar de hond naar hem, dat wil zeggen naar een van zijn voorvaderen, een hondenmepper die de hond heeft gefokt.
Allengs wordt de vermomming een echte gedaanteverwisseling als de man als hond heerlijk in de hals wordt gestreeld door een meisje. Als hond wordt hij door vrouwen tegemoet getreden met een vertrouwen dat hij als man niet kent; als hond kent hij ook een overgave en een verlangen naar dienstbaarheid dat hem als mens met schaamte zou vervullen. 'Sinds zijn vermomming (…) werd hij als was in de handen van wie hem tederheid bewees.’
Je kunt zeggen dat het verhaal aangeeft hoe je alleen door in een beest te veranderen aan de eenzaamheid kunt ontsnappen, maar dat de gedaanteverwisseling heel gevaarlijk is, want natuurlijk loopt het slecht af met dr. Dobermann. Maar die conclusie is veel te plat, daarvoor steekt het verhaal te subtiel in elkaar.
Ook in 'De bontjas’ gaat het om een metamorfose, ditmaal van de moeder van de ik-verteller. Het verhaal begint realistisch: de overleden moeder die ligt opgebaard in een rouwcentrum, de zoon die zich beklemd afvraagt of ze wel echt dood is, het plichtmatige gesprekje met een kwal van een begrafenisondernemer. En dan hoort de zoon opeens een stem: zijn moeder heeft het koud, ze vraagt om haar bontjas. Als de begripvolle begrafenisondernemer de jas van marterbont met klinische handigheid om zijn moeder heeft gedrapeerd, wordt ze opeens een ter, die zich zwaar op de voeten van haar zoon nestelt. Ook hier is het verhaal zo overtuigend dat je niet geneigd bent het al te snel symbolisch te duiden.
Verschillende verhalen in Vrouw met Dobermann gaan op een of andere manier over de oorlog. In 'In de heuvels’ wordt verteld hoe een vrouw haar man opzoekt die door de Duitsers gevangen wordt gehouden. Zowel in 'Ouverture’ als in 'Moments musicaux’ draait het om de complexe verwevenheid van lafheid, passiviteit en verraad.
Misschien wel het mooiste verhaal in de bundel is het broeierige, vestdijkiaanse 'Een zeldzame vogel’, waarin verraad ook een grote rol speelt. Een oude verteller blikt terug op zijn jongensjaren. Hij was de zoon van de rector, een laffe jongen die op school werd geplaagd en vernederd. Als er een nieuwkomer in de klas komt, een invalide jongen die ongeneeslijk ziek is, besluit hij zich heroïsch als diens verdediger op te werpen. Voor het eerst heeft hij een vriend, en juist die vriendschap zet hem aan tot zijn verraderlijke daad die volkomen averechts uitpakt.
Zo is het ongeveer in alle verhalen: zwakke, in zichzelf gekeerde personages proberen in te grijpen in hun lot, maar dat werpt ze alleen maar verder terug in hun eenzaamheid en lafheid. Dat is ook het misleidende aan de verhalen: onder het elegante, gepolijste oppervlak gaat een meedogenloze afgrond schuil.