Lars Gustafsson, De namiddag van een tegelzetter. Uit het Zweeds vertaald door Elina van der Heijden en Wiveca Jongeneel. Uitgeverij De Bezige Bij, 122 blz., \f34,50
‘In die kamer in Uppsala ging om half zeven op een donderdagochtend in november 1982 de telefoon met een schel, doordringend geluid. Het was het begin van een donderdag zonder eigenlijk einde. Maar dat kon nog niemand weten.’ Zo deelt de schrijver op pagina twee mee. In de voorafgaande alinea heeft hij over zijn hoofdpersoon, een tegelzetter van vijfenzestig, weduwnaar, in de AOW vanwege maagklachten, gezegd: ‘Hij had liever niet bestaan dan wel. Als iemand hem daarnaar zou hebben gevraagd.’

Dit eerste hoofdstuk heet ‘Verzamelde werken’, dat slaat op de stapels tegels in de verwaarloosde tuin, evenzovele bewijzen van een mislukt leven. En het hoofdstuk besluit op een voor Torsten Bergman, de held van het verhaal, weinig belovende manier: 'Alles was wereld, en niets in deze wereld was echt van hem. Zo begon de donderdag van Torsten Bergman.’
Op zo'n naargeestige dag word je in alle vroegte door een oud-collega gebeld die een klus voor je heeft. In een ouderwetse villa zijn de werklui halverwege een karwei vertrokken en of jij het betegelen van de badkamers kunt afmaken. Natuurlijk hap je, de stapel onbetaalde rekeningen groeit immers gestaag en je wilt ook wel weer eens onder de mensen komen. Als er niemand in het huis blijkt te zijn en je toch aan de slag wilt, schroef je een paar dure nieuwe kranen af om voor dat geld wat materiaal en gereedschap te kopen en als je een oude kennis tegenkomt, een neef die je een handje wilt helpen, ook een paar flessen aquavit. Een opdrachtgever komt niet opdagen maar het werk vlot en met de muur van de badkamer heb je iets in de buitenwereld gedaan, het enige dat deze dag inhoud geeft - niet niks.
Vreemder is dat, onder invloed van dit huis lijkt het wel, de ene herinnering na de andere in je hoofd opduikt; aan Irene met wie je in het donker van de bioscoop van alles mocht doen maar die opeens uit je leven verdween; aan de wereld voor je zestiende toen je met je moeder moest verhuizen en een paradijs verloor. Dat je in die tijd door allerlei ziektes een buitenbeentje was geworden met een ontwrichte schoolopleiding, was ook een bron geweest van een geheim leven alleen van jou. En hoe had je het ooit kunnen volhouden zonder je andere, je geheime levens? Irene was de ingang naar een andere en warmere wereld, maar die was als het ware niet voor jou bestemd. Later gaf de drank je toegang tot een orde van een hoger soort, waarin je een toevlucht vond voor de wanorde van het leven. En dan nu zo'n badkamermuur, niet zomaar half af maar geleidelijk zijn de voegen in het ongerede geraakt, zijn er tegels gebroken, open stukken domweg dichtgemetseld; de onbekende voorganger had niet alleen geen zin meer, hij heeft waarschijnlijk niet eens in de gaten gehad 'hoezeer het eigen werk op de muur was veranderd en vervallen’.
Zo volg je als lezer de tegelzetter bij zijn merkwaardige klus, bij zijn gemopper en bij zijn herinneringen aan een leven dat al met al een vrij trieste bedoening is geweest. Maar de innerlijke stem van de tegelzetter zoekt het hogerop. Had Gustafsson het daar nu maar bij gelaten, bij het portret van een eenvoudige man die ingewikkelder in elkaar zit dan op het eerste gezicht lijkt. De verknoeide tegelwand staat bij nader inzien voor het leven als zodanig: 'Kortom, vond er in dit leven niet altijd een gestage reis plaats van een kleine orde naar een steeds grotere wanorde?’ Jammer, je bent op pagina 32, nog denk je nader kennis te maken met een eenvoudige geest die meer kanten bezit dan op het eerste gezicht lijkt en opeens blijk je met dit hoofdstuk 'Opus incertum’ in een parabel verzeild geraakt en wordt de tegelzetter opgezadeld met gedachten waaronder zijn eigen, meer aardse en triviale waarnemingen bezwijken.
Gustafsson heeft die neiging tot kalenderspreuken altijd wel gehad, maar dat stoort minder bij personages die zelf in die taal denken. Bij deze tegelzetter klinkt het alsof de schrijver in het dove oor van zijn hoofdpersoon staat te toeteren terwijl hij hem misschien alleen maar wilde souffleren. En dan wil de parabel ook nog dat de arme man op het verkeerde adres is beland.