Miss wittgenstein

SEVTAP BAYCILI (29) kwam eind 1991 naar Nederland. Ze was in Istanbul afgestudeerd in de filosofie, maar liever dan daar een academische carrière te beginnen emigreerde ze naar Nederland en werd schrijfster. Haar eerste roman, De Markov-keten, verscheen dit voorjaar bij De Geus.

Op het omslag noemt de uitgever de roman ‘een filosofisch getint literair debuut’. Dat is een ietwat ongelukkige manier om uit te drukken dat Baycili in haar debuut een soort literatuur schrijft die niet te vergelijken is met wat er op dit moment door jonge schrijvers wordt gepubliceerd. De schrijfster zet hoog in, met als resultaat een boek dat op zijn minst opmerkelijk en in ieder geval zeer gedurfd is.
'In De Markov-keten wil ik in de eerste plaats onderzoeken hoe het denken werkt. Mijn denken. Ons denken. Het denken van mijn hoofdpersoon. Hij zit opgesloten in een inrichting. Hij heeft niets of niemand meer om mee te communiceren. Hij zwijgt. En denkt. En soms raakt zijn denken aan de waanzin, soms overschrijdt hij de grens van het normale.
In het boek zijn veel invloeden verwerkt. Als ik onder invloed van iets ben, dan geef ik daar heel letterlijk aan toe. Zo zitten er in dit boek uitspraken van Beckett verstopt, Shakespeare zit erin. En er zitten veel uitspraken in van Wittgenstein, in bewerkte vorm.’
WAAR EN WANNEER ben je voor het eerst met Wittgenstein en zijn werk in aanraking gekomen?
'In Turkije, in het laatste jaar van het lyceum, kregen we logica en geschiedenis van de filosofie. Vervolgens ben ik filosofie gaan studeren, met de bedoeling logica als specialisatie te nemen. Er werd immens veel gediscussieerd. In een discussie met een van de docenten over metafysica zei ik iets waarop de docent reageerde met: “U hebt Wittgenstein goed bestudeerd, zo te horen.”
“Wie is Wittgenstein?” vroeg ik. Ik kende de man niet.
Ik kocht meteen de Tractatus, met geleend geld. Toen ik de eerste zin las, “De wereld is alles wat het geval is”, dacht ik: Wauw.
Binnen twee maanden kende ik de Tractatus uit mijn hoofd.
Toen de docent in mijn boek keek, zag hij dat de dingen die ik had onderstreept, als collegestof werden gebruikt voor promotiegroepen. Ik werd meteen uitgenodigd voor die promotieklas. Na twee maanden discussiëren met de docent en anderen stond ik bekend als een zenuwachtig maar erg intelligent mens. Dat had ook nadelen. Zo werd ik niet uitgenodigd voor de wandeltochten met de professoren. De andere studenten en de professor wilden zich met die wandelingen ontspannen. Als ik meeging zou de discussie veel te zwaar worden. Ik was vervelend op een manier zoals ook Wittgenstein vervelend was.
Ik kreeg veel mensen op de universiteit tegen me. Ik heb drie of vier keer een docent het lokaal uit gejaagd tijdens een hoorcollege. Ik had kritiek op zijn manier van redeneren. Ik vond dat spannend: iemands redenering onderuithalen door te wijzen op de zwakke plek in zijn argumentatie. Voor mij is dat de kracht van de logica. Tegenover iemand die correct denkt, sta je altijd zwak. Het is de bedoeling van Wittgenstein geweest om dat te laten zien.’
Je was toen echt 'in’ Wittgenstein?
'Ja. Ik kende een jongen die ook de Tractatus uit zijn hoofd kende. Onze discussies voerden we door de nummers van de uitspraken te noemen: “5.12”, zei ik. En hij: “O ja? Maar 5.124 dan?”
Mijn denken zat heel dicht bij Wittgensteins manier van denken, ontdekte ik. Ik begon uitspraken te doen die Wittgenstein in zijn Philosophische Untersuchungen doet, terwijl ik dat boek op dat moment nog helemaal niet had gelezen. Toen heb ik ook mijn bijnaam gekregen: Miss Wittgenstein. Ik vond dat helemaal niet leuk. Ik vond het ziek.’
Waarom?
'Omdat je gewaardeerd wordt onder de naam van een andere filosoof, terwijl je toch ook eigen ideeën hebt. Je wordt niet als zelfstandig denkend mens gezien. Er waren ook mensen die per ongeluk uitspraken van Marx deden, maar die werden geen Miss Marx genoemd. Omdat Wittgenstein zo'n specifieke stijl had, viel ik op.’
Hoe vond je Wittgensteins 'Philosophische Untersuchungen’?
'Ik vond dat hij op dezelfde voet doorging. De manier waarop hij vragen stelt en stellingen poneert. Ik vond de Untersuchungen wat slordiger geschreven dan de Tractatus. In de Untersuchungen is Wittgenstein niet zo zeker van zichzelf. Maar Wittgenstein is voor mij in de eerste plaats een manier van denken.’
Omschrijf die manier eens?
'Ik kan het niet goed omschrijven. Soms noem ik hem dapper. Een dappere denker. Of mensen hem wel of niet begrijpen, is voor hem niet belangrijk. Het is een vorm van zuiver denken. Altijd gefixeerd op het punt dat hij wil maken.
Misschien kun je het droogdenken noemen. Niet glibberig. Ik ken meer mensen die op deze manier denken. Mijn broer. Mijn vader. Ik ken ingenieurs die op een wittgensteiniaanse manier communiceren. Dat is een manier van communiceren die een normaal mens niet kan volgen.’
Is het een vorm van gestoord denken?
'Nee. Een gestoord iemand is schadelijk voor zijn omgeving. Die functioneert niet. Dan moet je bij Markov zijn. Een kenner van Wittgenstein vroeg mij eens wat de band van mijn roman met Wittgenstein is. Moet die band er dan zijn? vroeg ik. Hij wilde per se iets horen. Nou, zei ik toen, die band is de gestoorde Wittgenstein. Als Wittgenstein gestoord zou raken, zou hij op de manier van Markov gaan denken.’
JE HEBT OOK colleges over Wittgenstein gegeven?
'Ja, in mijn vierde studiejaar. Aan tachtig mensen. Er kwamen ook docenten luisteren. Het college zou een dag duren, maar ik ging er bijna drie maanden mee door. Op de laatste dag zei de docent: “We hebben niet alleen geleerd over Wittgenstein, maar we hebben ook een stukje van Wittgenstein zelf leren kennen. Nu snappen we hoe Wittgenstein les gaf. Het was alsof de geest van Wittgenstein hier bij ons in de klas was.” Dat vond ik zo vervelend dat ik wilde ophouden met de filosofie. Alsof ze mij helemaal niet serieus namen. Ik werd boos. Ik dacht: wat doe ik hier. Ik wilde gewaardeerd worden als student, als mens.
Toen ik kort daarop afstudeerde, gaf ik de filosofie eraan. Twee maanden na mijn afstuderen zat ik in Nederland. Ik wilde ergens naartoe waar ik normaal benaderd werd. Het is niet leuk om altijd in iemands schaduw te staan.’
En toen ben je gaan schrijven?
'Nee, dat heb ik altijd al gedaan.’
Hoe rijm je die twee dingen met elkaar? Filosofie is streng, fictie veel minder.
'Lees De Markov-keten. Dat boek heeft ook een zekere strengheid. Mijn bedoeling met filosofie was: ik wilde schrijver worden, en ik dacht dat ik filosofie moest leren om iets zinvols te kunnen schrijven. Met als gevolg dat ik hyperabsurd schreef. Daarvoor schreef ik meer… hoe zeg je dat? Meer versierd.’
Je gebruikt een kale taal.
'Dat is omdat ik in het Nederlands schrijf. Ik begon de roman in het Turks. De eerste tien pagina’s. Daarna ging ik over op het Nederlands.’
Je hebt een motto van Wittgenstein gekozen. 'De dichter moet zich afvragen: “Is wat ik schrijf wel werkelijk waar?”, wat niet betekent: “Gebeurt het zo in de werkelijkheid?”(’
'Ik wilde niet dat de lezer dacht dat ik zelf het hoofdpersonage was. Het is verzonnen. Fictie. Het is niet mijn manier van denken. Mijn hoofdpersoon praat niet met mensen, voor hem ligt de waarheid in de stilte verborgen. En dat vertel ik door uitspraken van Wittgenstein te vervormen.
Zo laat ik Markov denken: “Als alles wat gezegd kan worden, gezegd is en gehoord, blijft alleen de waarheid wonderbaarlijk bestaan. Dat ene waarover niet gesproken is. Daarom geloof ik dat de waarheid in de stilte is verborgen. De natuur deelt haar geheimen niet met de mens.”
Is dat letterlijk zwijgen? Of een andere manier van met jezelf communiceren? Als je zwijgt, gaat het praten in je hoofd gewoon door.’
VOEL JE JE OOK VERWANT met de méns Wittgenstein?
'Zijn biografie heb ik pas veel later gelezen, toen ik al in Nederland zat. Wittgenstein was volgens mij geen vervelende man, zoals velen denken. Hij was soms lastig. Waar andere mensen genoten van de zonsondergang na het werk, deed Wittgenstein dat niet. Dat heb ik ook. Er zijn wel overeenkomsten tussen ons. De eerste indruk van Wittgenstein was dat hij enigszins zenuwachtig was maar extreem intelligent.’
Wittgenstein was niet gezellig.
'Jawel hoor. Hij voerde mooie gesprekken. Hij had veel vrienden die hem tot het einde toe hielpen.’
Wittgensteins depressies en zijn wanhoop?
'Nee, die heb ik niet. Maar hij is een man en ik ben een vrouw. Mannen zijn meer zelfdestructief.’
Heeft Wittgenstein voor jou ook een literaire kracht?
'Zeker. Zijn stijl. Ik vind die heel mooi. Ik heb geprobeerd Nederlands te leren met behulp van de Tractatus. Ik kende die per slot van rekening uit mijn hoofd. Ik nam gewoon de Nederlandse vertaling. Het eerste Nederlandse woord dat ik kende was “het geval”, uit de eerste zin van de Tractatus.’
Heeft Wittgenstein voor jou iets met politiek te maken?
'Hij heeft een beeld van een betere wereld, dat zeker. In De Markov-keten parafraseer ik dat beeld: “Als iedereen zijn mond dicht kon houden, zouden alle problemen zomaar verdwijnen.”’