Reinier Kist en Fabian Stolk interviewen literaire criticus Elsbeth Etty

«Misschien heb ik een overmatige aandacht voor personages»

Gesprek met Elsbeth Etty: tweede in een reeks interviews met literaire critici. Onderwerp: vijf recensies van recent werk van Campert, Van Kempen, Kluun, Weijts en Wiener.

Elsbeth Etty: «Ik ben als het ware een ouderwetse kinderboekenlezer. Ik laat me, net als een kind, nogal gemakkelijk meeslepen door een boek. Ik wil altijd weten hoe het verdergaat met de personages, ook als ik geen recensie over een boek schrijf, en ik het niet eens goed vind. Zelfs een ronduit slecht boek leg ik zelden weg: een schrijver kan er in het laatste hoofdstuk altijd nog een interessante draai aan geven. Ik lees door, en dat is helemaal geen straf. Ik ben wel een langzame lezer en een langzame schrijver. Dus ik besteed als recensent veel tijd aan een boek, altijd lezend met een potloodje in de hand. Lezen is zeer belangrijk voor me, als reflectie op mijn eigen leven en op de wereld om me heen; ik zou niet weten wat ik zonder moest. Ik heb een keer op een feestje een experiment uitgehaald met de daar aanwezige schrijvers en literaire critici. Ik vroeg ze: als je moest kiezen tussen seks en lezen, wat zou het dan worden? De meeste vrouwen moesten even nadenken en die waren toch wel voor lezen, maar de mannen gingen marchanderen: dan kan ik toch gewoon masturberen? Nee, zei ik, dat is ook seks. En dan hielden ze maar hun mond dicht want dan wisten ze het niet meer. Wat ik zelf zou kiezen? Daar ben ik eigenlijk nog niet uit, ik vind het een moeilijke keuze…»
Elsbeth Etty is veelgevraagd jurylid, schreef een biografie van Henriëtte Roland Holst (bekroond met de Gouden Uil en de Busken-Huet-prijs en genomineerd voor de Ako-literatuurprijs), is bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de VU, en is columnist en literair criticus van NRC Handelsblad. We bespreken vijf van haar recensies met als uitgangspunt de eisen die ze zelf stelt aan literaire kritiek, blijkens haar bijdrage aan het themanummer over literaire kritiek van De revisor (maart 2006): een criticus moet dienstbaar zijn aan de lezer; moet onderscheiden; moet onbevooroordeeld, onafhankelijk zijn; en een goed criticus moet altijd argumenteren.

«Ik weet niet of ‹onbevooroordeeld› en ‹onafhankelijk› hetzelfde zijn. Je kunt onafhankelijk opereren, zeker weten dat je geen dubbele agenda hebt, terwijl je toch ten opzichte van sommige schrijvers of genres een zekere vooringenomenheid hebt. Daarvan moet je je als criticus bewust zijn. De meeste kinderboeken vind ik bijvoorbeeld vervelend. Dus ik moet geen kinderboekenrecensent worden.»

De recensie van Van Kempens ‹Vluchtwegen› begint met een forse stelling: veel geëngageerde literatuur mondt uit in platte karikaturen, een soort sociaal realisme. Daarin is enige vooringenomenheid te bespeuren tegenover een genre.

«Nee, nee. Het is niet zo dat ik per se tegen geëngageerde literatuur ben. Want een boek dat ik wel heel erg goed vond, Art. 285b van Christiaan Weijts, speelt ook heel erg in op de actualiteit. Ik deel niet de opvatting van Joost Zwagerman, die zegt: als er maar voldoende straatrumoer of actualiteit in een boek voorkomt, dan is het geëngageerd. Ik denk dat alle grote literatuur geëngageerd is. Waar ik bezwaar tegen maak, is dat het op een platte manier gebeurt. Je kunt niet zeggen dat Kafka geen geëngageerde literatuur is.»

Je bent dus, zeg je, tegen het platte. In je recensies zie je inderdaad een voorkeur voor gelaagdheid.

«Ja, ik vind wel dat een boek niet al zijn raadsels moet prijsgeven. Er moet iets zijn om zelf als lezer nog in te vullen. Ik houd er niet van als alles op een presenteerblaadje wordt aangereikt. En ik vind het een van de taken van de criticus om analyserend en interpreterend te lezen. De lezer heeft recht op jouw interpretatie.»

In de recensie van Camperts ‹Het satijnen hart› ga je inderdaad interpreterend te werk. Camperts vader was toen recentelijk in opspraak geweest wegens mogelijk verraad van zijn medegevangenen in Neuengamme. Je laat in die recensie zien dat Jan Campert, tussen de regels door, een belangrijke rol speelt in het boek.

«Ik was inderdaad benieuwd of die kwestie rond zijn vader in die roman zou zijn terug te vinden. Er bleken echt veel verwijzingen te zijn. Sommige waren moeilijk te vinden; de vaderfiguur is in deze roman namelijk over verschillende personages uitgespreid. En sommige verwijzingen waren, althans voor mij, zo evident. Er staan bijvoorbeeld nauwelijks verhulde verwijzingen in naar de twee beroemdste gedichten van Jan Campert: Het lied der achttien dooden en Rebel, mijn hart. Het leek me aardig voor een lezer om daarop geattendeerd te worden. Later begreep ik dat Remco Campert het zelf ook een aardige invalshoek vond. Hij had zich kennelijk niet gerealiseerd dat die kwestie voor in zijn bewustzijn lag.»

Je wijst vaak op autobiografische elementen in de boeken die je recenseert. Is dat voor jou een belangrijk aspect van literatuur of wordt je aandacht er eenvoudigweg naar getrokken doordat zo veel schrijvers hun persoonlijke leven in romans verwerken?

«Over het algemeen hou ik niet zo van autobiografische fictie, maar naarmate iemand zijn autobiografie meer fictionaliseert, vind ik het interessanter worden. En bij sommige boeken kun je er niet omheen. Bij zo’n Kluun, en bij Campert eigenlijk ook niet. Maar het Kluun-achtige is een geheel ander genre: boeken geschreven door mensen die niet zo vreselijk literair begaafd zijn en toch hun spannende of minder spannende levensverhaal op het papier knallen.»

Kun je duidelijk maken waar voor jou het verschil zit tussen ‹De weduwnaar› van Kluun en bijvoorbeeld Wieners ‹De verering van Quirina T.›? Allebei hoogst autobiografische werken, allebei handelend over mensen die een omslag in hun leven doormaken, maar het ene gaat regelrecht het afvoerputje in en het andere juist niet.

«In de recensie van De weduwnaar heb ik dat geprobeerd uit te leggen door het boek af te zetten tegen Turks fruit van Jan Wolkers. Kluun volgt dat boek heel duidelijk. Ik denk trouwens dat hij de film heeft gezien, want als hij het boek had gelezen, had hij wel beter geschreven. In die recensie schrijf ik dat De weduwnaar net als Turks fruit gaat over de dood van een geliefde. In Turks fruit is die centrale gebeurtenis niet ‹waar gebeurd›, maar wél echt. Om dat verschil draait volgens mij alles in de literatuur. Als ik dan naar een boek als De verering van Quirina T. kijk, denk ik dat het verschil inderdaad in de raadselachtigheid en de gelaagdheid zit. Het is een ingewikkeld boek, dat eigenlijk alleen maar goed te begrijpen is in het kader van Wieners oeuvre; daarom heb ik dat ook bij die recensie betrokken. Het is echt niet een boek dat je in een uurtje leest.»

Je kunt daartegen inbrengen dat de niet-gelaagdheid van ‹De weduwnaar› goed past bij de problematiek van het hoofdpersonage dat geen toegang heeft tot zijn eigen emoties. Zelfs de platheid van de taal draagt daaraan bij. Zijn dat geen argumenten om ook iets positiefs in dat boek te zien?

«Nee, voor mij niet. Ik vind er geen bal aan. Ik heb geen zin in niet tot nadenken stemmende personages. Dan lees ik nog liever een detective, daar zit tenminste nog enige spanning in.»

Had je dan niet een stuk moeten schrijven over Kluun als fenomeen, waarin je aan de orde stelt waarom het boek zoveel mensen aanspreekt?

«Dat vroegen ze mij eerst op de krant, maar die vraag interesseert mij niet als literair criticus, die moet je aan een socioloog stellen. Ik wil een boek lezen en beoordelen op zijn literaire kwaliteiten. En als je wil weten waarom het zoveel mensen aanspreekt, ga dan straatinterviewtjes doen. Ik kan me wel voorstellen dat mensen de smaak van het lezen te pakken krijgen door zo’n boek. Ik heb helemaal niks tegen herkenning. Daar wordt altijd met zoveel dédain over gesproken: dat je je niet mag herkennen in een personage of dat herkenning iets is voor primitieve geesten. Ik vind dat flauwekul. Maar ik vind dat je tijdens het lezen wel enige moeite moet doen, je moet jezelf inzetten. Zodat je ook nog de ervaring kunt hebben dat je door een boek op een nieuwe manier naar dingen gaat kijken. Maar ik kan me best voorstellen dat als iemand leest over het schuldgevoel dat de hoofdpersoon van De weduwnaar ondervindt aan het ‹vreemdgaan› – een afschuwelijk woord vind ik dat –, dat hij iets bij zichzelf herkent. Nou, als dat gebeurt, dan heb ik daar niks op tegen; dat is alleen maar goed.»

Je schrijft dus voor een bepaald publiek. Je denkt dat je weet dat ‹De weduwnaar› eigenlijk voor jouw publiek niet interessant is.

«Nee, ik denk dat je als criticus zo eerlijk en onbevangen, zo beargumenteerd mogelijk, met alles wat je in huis hebt, een boek moet beoordelen. En als je gaat schrijven voor een publiek en je gaat bepalen of een boek voor een bepaald publiek interessant is, dan ben je geen criticus meer, dan ben je een reclamejongen of -meisje geworden.»

Naar aanleiding van Victoria, de peepshowende dansschoolstudente in de roman van Christiaan Weijts, schrijf je: «Het uitbeelden van haar leefwereld en jargon (veel mobiele telefoontjes, sms’jes, fok, vet en ‹zeg maar megafeesten›) behoren tot de hoogtepunten van ‹Art. 285b›.» De eveneens platte spreektaal en sms-quotes in ‹De weduwnaar› beoordeel je negatief.

«Kluun heeft maar één register, dat is het grote verschil. Christiaan Weijts daarentegen heeft er talloze; hij heeft zo’n enorme taalbeheersing dat hij zijn personages op verschillende manieren laat spreken. Wanneer de hoofdpersoon, die muzikant is, enorm in de knel zit met hoe hij bepaalde muziek moet uitvoeren, waar hij echt nieuwe dingen in wil ontdekken, merk je dat Weijts dat ook in diens taal probeert. Dat is een groot verschil met iemand die alleen maar in halve en ongrammaticale zinnen kan praten. Ik lees ook vanwege het esthetische genot. Ik wil zien wat iemand met taal kan. Wat Kluun in ‹De weduwenaar› doet, kan ik ook, daar lees ik geen romans voor.»

Je roemt vaak de «taal» en de «vorm» van een boek. De manier waarop een onderwerp, een verhaal in taal is vormgegeven maakt het tot literatuur. ‹De weduwnaar› kent geen enkele vormgeving; je rekent dat boek daarom niet tot de literatuur. In de recensie van ‹De verering van Quirina T.› noem je deze aspecten ook, maar er ontbreekt, ons inziens, in deze en andere recensies juist een nauwkeurige analyse van de taal en de stijl. De compositie van Wieners boek noem je – zij het slechts in een tussenzin – «meesterlijk», zonder uit te leggen wat er zo meesterlijk aan is. Dat is verrassend, terwijl je wel uitgebreid ingaat op de psychologie van hoofdpersoon Victor van Gigch.

«Tsja…, dat zou kunnen. Dan stuit je op het probleem van de ruimte die je tot je beschikking hebt. En gelet op de eis van dienstbaarheid aan de lezer wil ik toch allereerst duidelijk maken wat het thema van het boek is en hoe je het moet plaatsen in het oeuvre. Het zou inderdaad best eens kunnen dat ik een overmatige aandacht heb voor personages en de psychologie van de personages. Maar ik vind ook dat een goede roman, over het algemeen, staat of valt met de psychologische geloofwaardigheid van de personages. Vandaar dat ik ‹Vluchtwegen› van Michiel van Kempen niet zo goed vind: de personages zijn karikaturen.»

In de recensie van ‹Het satijnen hart› zeg je: «Campert weet in de taal (…) een huiveringwekkende doodsangst op te roepen die overwonnen wordt door levensdrift.» Maar je gaat er in je stuk niet verder op in. En: hoe kan dat, een thematisch aspect «in de taal» tot uitdrukking brengen?

«Ik vind dat bij Campert heel veel zit in de weglatingen, in de stiltes die hij laat vallen in het verhaal, en ik bedoel hier de dialogen – dat had ik er misschien bij moeten zetten. In weinig woorden zet Campert dat heel pregnant neer. En hij heeft niet eens een plot nodig om dat duidelijk te maken. Er wordt eigenlijk niet een verhaal in verteld. Dus hij moet het echt hebben van wat hij in die taal aan emoties en gevoelens weet op te roepen. Dat bedoel ik ermee.»

De debuutroman van Christiaan Weijts handelt, zo schrijf je, over seksverslaving en de hang naar avontuur versus het verlangen naar een monogaam bestaan gewijd aan liefde en kunst. En daaraan voeg je toe: «Zoals Philip Roths ‹Portnoy’s Complaint› – waarop deze briljante roman in veel opzichten lijkt – de seksuele bevrijding van de twintigste eeuw inluidde, zo geeft ‹Art. 285b› een voorproefje van wat we de komende tijd op dit en andere gebieden kunnen verwachten.» Had je geen last van het seksisme van de hoofdpersoon? Het lijkt in de recensie wel of je het eens bent met zijn afkeer van dat anti-stalkingartikel.

«Ik ben een groot voorstander van dat wetsartikel, al begrijp ik ook wel dat er gemakkelijk misbruik van gemaakt kan worden. Het grappige van dit boek is echter dat je er niet helemaal achter komt. Je merkt dat de hoofdpersoon behoorlijk gestoord is en je kunt ook de indruk krijgen dat hij Victoria wel degelijk stalkt en dat de teksten die hij haar sms’te minder onschuldig zijn dan hij in zijn verslag doet voorkomen, maar uit zijn verweer zou je ook kunnen opmaken dat die vrouw hem inderdaad misbruikt heeft, van hem af wil of wraak neemt op deze manier. Ik spreek daar geen oordeel over uit en ik ben blij dat deze roman dat ook niet doet. Het zou echt zonde zijn als hij een visie zou geven op dat wetsartikel. Ik vind het heel mooi hoe hij dit recente, nieuwe wetsartikel inzet als metafoor voor de tijd waar wij nu in terechtgekomen zijn. Er is een verandering opgetreden in de sekseverhoudingen en dat is niet van de ene op de andere dag opgelost. Weijts benoemt dat, hij laat verschillende facetten van die verhoudingen zien. Door dit te relateren aan de dag waarop Pim Fortuyn werd vermoord, wil hij laten zien dat we in een tijd terecht zijn gekomen waarin je niet meer iemand een taart in zijn gezicht kunt gooien en niet meer zomaar een hatelijk briefje aan iemand kunt schrijven. Hij wil verschillende aspecten van een duidelijk gemarkeerd, althans wat het beginpunt betreft, nieuw tijdperk laten zien en wat de mogelijke implicaties daarvan zijn. Als je dat er niet in ziet, misschien moet er dan wel, zoals ik elders eens schreef, veel meer geëngageerd gelezen worden.» * Fabian Stolk is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, Reinier Kist is neerlandicus en journalist