VSB Poëzieprijs 2006

Misschien is de mens zijn gedachten

Martin Reints

Hoe en wat

Tussen aankomen en weggaan

tussen spreken en zwijgen

op plaatsen waar je uit de auto kunt om je benen te strekken

in boomgaarden

en in kamers waar je ziet dat de dingen voorbijgaan

nu ze zich in je hoofd komen nestelen

nu het denken nergens toe hoeft te leiden

terwijl het licht verwijlt in je omgeving

en de bomen bewegen in een kalme wind

nu de krant op tafel ligt

en de stilte gedragen wordt door de rustige hartslag

en het ruisen van de bloedsomloop

de vanzelfsprekende vraag hoe of wat

veranderen in het vanzelfsprekende antwoord.

uit: Ballade van de winstwaarschu

In de gedichten van Martin Reints (1950) lijkt niemand veilig voor zijn eigen gedachten. Beelden, fantasieën, associaties meanderen vrij over de pagina’s, zonder dat de ik-persoon er vat op lijkt te krijgen. Of vat op wil krijgen, want zoals Reints het opschrijft komen die gedachten voort uit het tintelende gevoel dat over je hersenpan kruipt als je in je lekkerste stoel naast de kachel nog net niet in slaap valt. Zoals in Hoofd:

ik lig met mijn hoofd op mijn arm voor het toetsenbord:

de deadlines naderen, de deadlines komen voorbij

terwijl er – zoals dat aanvoelt – een weiland in mijn hoofd is

Dat moment, voordat de slaap intreedt, lijkt een terugkerend ingrediënt in zijn laatste dichtbundel, Ballade van de winstwaarschuwing. Het is Reints’ vierde bundel sinds hij debuteerde in 1981. Nadat hij in 1993 de Herman Gorterprijs won voor zijn tweede bundel, Lichaam en ziel, werd zijn verzameling beschouwingen, Nacht- en dagwerk, beloond met de J. Greshoffprijs in 2000.

Ballade van de winstwaarschuwing wordt bevolkt door dromerige figuren die de alledaagse dingen waarnemen, en hun gedachten de vrije loop laten.

Martin Reints: «Wat mij altijd al bezighoudt, en misschien wel steeds meer, is hoe je denkt. Ik vind het interessant hoe associaties, beelden, ineens opdoemen. Het resultaat van het denken vind ik niet eens zo belangrijk; het proces juist wel. Dat is zo’n veronachtzaamd gebied; veel uitspraken zijn conclusies, opvattingen waaraan een aantal argumenten ten grondslag liggen. Maar hoe deze conclusies tot stand komen is misschien wel net zo boeiend.»

Juist dat gedachteproces zorgt er vaak voor dat de lezer de dichter kan volgen. Dat maakt het toegankelijk; is dat iets waar u naar streeft?

«Ja. Als je je helder uitdrukt, in begrijpelijke zinnen, en gewoon over de wereld schrijft is het al ingewikkeld genoeg. Ik houd niet van gedichten waar je als lezer heel lang aan moet sleutelen voordat je ziet: ah, het gaat hier om. Zeg dat dan meteen! Dan kunnen we erover praten! Dat mijn werk toegankelijk is zal ermee te maken hebben dat ik veel verhalende zinnetjes gebruik. Ik wil dat de lezer – en in eerste instantie ben ik dat zelf – iets beleeft.»

Uw onderwerpen zijn vaak de begrijpelijke dingen: iemand die wakker ligt in bed, iemand die naar de regen kijkt. Het minst normale onderwerp lijkt nog de presentatie van een winstwaarschuwing.

«Een paar jaar terug kwamen ze vaker voor, en toen kreeg ik het gevoel dat ik dat kon gebruiken. Het is een beeld van onze tijd en van onze samenleving. De confrontatie van de journalisten, die namens de wereld in zo’n klein zaaltje staan, met de topmannen achter hun microfoons, die daar iets tegen hun zin wereldkundig moeten maken.»

U noemt ze in uw gedicht «topmensen».

«Ja, zo heten ze. Wat een ongelooflijk woord, hè? Bijna ‹Übermensch›. Terwijl je ziet dat het vaak heel gewone, vriendelijke mannen zijn. Volgens mij kun je heel prettig met ze praten op een verjaardagsfeestje.

Maar die topmensen, achter een tafeltje, voor een publiek; dat is al een krachtig beeld. Er zijn natuurlijk geen voorschriften hoe winstwaarschuwingen moeten worden geënsceneerd, maar toch gebeurt het altijd op dezelfde manier. Het speelt zich altijd af in een zaaltje in het hoofdkantoor, of anders in hotel The Grand. De tafeltjes staan klaar, de camera’s staan opgesteld en vervolgens komen de heren van het bestuur binnen. En dan moet het gebeuren; de winstwaarschuwing moet bekendgemaakt worden, op één moment, anders raken de aandeelhouders in de war. Het is juist een heel dreigend moment.

Zo’n beeld bewaar ik dan. Wat ik er ook per se in wilde hebben was het beeld dat iedereen op straat, maar ook bij zulke bijeenkomsten, ineens plastic flesjes water bij zich had. Dat soort beelden zweven dan vervolgens maanden door m’n hoofd en opeens voel je dat je de conditie hebt, dat je de uitrusting hebt, om te schrijven.»

Het gedicht staat twee keer afgedrukt, een «Ayler-variant» en een «Messiaen-variant». Waarom heeft u hetzelfde onderwerp twee keer aangepakt?

«In de periode dat ik Ballade van de winstwaarschuwing schreef zat ik op het spoor van de muziek. Bij toeval had ik mijn voormalige lievelingsmuziek herontdekt. In mijn schooltijd en later, eind jaren zestig, jaren zeventig, was ik gek op jazz – vooral saxofonist Albert Ayler. Ik luisterde er in die tijd enorm veel naar, maar onbewust ben ik het kwijtgeraakt.

Wat Ayler maakte heette free jazz; hij had een simpel thema, en een aantal terugkerende loopjes, en vervolgens improviseerde hij daarop. Het klonk nooit twee avonden achtereen hetzelfde. Dat was iets wat in mijn hoofd zat: schrijven is ook een vorm van improviseren. Dat ik het gedicht naar Ayler vernoem was voor mij een eerbetoon. Nadat ik de eerste versie geschreven had bedacht ik dat het misschien de moeite waard was het stuk te laten liggen, er niet meer naar te kijken, en dan over een maand proberen het opnieuw te schrijven. Dat werd uiteindelijk de Messiaen-variant. Opnieuw als eerbetoon, dit keer aan de componist Olivier Messiaen.

Voor mij is het heel belangrijk dat ik snel schrijf. Dan houd je de meeste energie, en houden de dingen in je kop de meeste samenhang. Van tevoren weet ik: dit en dit en dit wil ik erin hebben, maar verder heb ik geen concreet beeld hoe het eruit gaat zien. Meestal schrijf ik ’s nachts, als er geen tijdsverloop meer is. De televisie staat uit, er wordt geen post bezorgd, de telefoon gaat niet meer. En op zo’n moment – in alle kalmte, en met de juiste beelden in mijn hoofd – pers ik het eruit. Als je er te lang aan doorwerkt schrijf je het dood. Misschien dat mijn gedichten daarom nooit aanvoelen als een weloverwogen uitspraak, of als een statement.»

U woont in Brantgum, op het platteland van Friesland. In ‹Vlieg› schrijft u over uw omgeving:

In mijn omgeving worden de aardappels uit de klei gehaald

in mijn hoofd worden de aardappels uit de klei gehaald

«Dat is echt Brantgum. Dat ik daar woon hoeft niet direct het gevolg te hebben dat ik daarover schrijf. Ik heb in Amsterdam over het rivierengebied geschreven, en in Friesland over de Beemster, maar sommige gedachten zijn nu eenmaal erg gebonden aan de plek waar ze opkomen. Koeien, klei, aardappels – dat is echt Friesland.

Iemand zei laatst tegen me over de stilte die ik beschrijf in een van de gedichten: ‹Dat kan ook alleen maar buiten Amsterdam›. Ik was het bijna vergeten – ik woon nu acht of negen jaar in Friesland – maar tijdens de eerste nachten stond ik versteld van de geluiden van mijn eigen lichaam. Het pruttelt en borrelt. Je hoort je oren suizen. In de Randstad wordt dat volledig overstemd. Ik ben mij er niet heel bewust van, maar je merkt toch dat die dingen terugkeren in je werk.»

De mens komt niet los van zijn gedachten.

«Of misschien ís de mens zijn gedachten.»