Misschien is het beter zo

Empathie werd verplicht gesteld.
Gij zult empathiseren. Je empathisch gedragen was een vorm van beschaving. Empathiseren was meer dan identificeren; empathie was: je op zo'n manier inleven in met name de gevoelens van een ander dat je, indien je stuitte op onrechtvaardigheid, de innerlijke behoefte voelde om tot actie over te gaan.
Humanisme en socialisme - die christendommen zonder God - zagen empathie ook als een deugd, en zodoende werd mij thuis een empathische attitude bijgebracht.
Het was een deugd die ik ook wel darwinistisch kon verklaren. In the struggle for life gaf het beste empathische gedrag een voordeel: je wist wat je tegenstander voelde en kon je daaraan aanpassen.
Empathie kreeg een innige verhouding met rechtvaardigheid - in mijn geval zou je het een huwelijk kunnen noemen. Zag ik een onderdrukt volk, dan voelde ik hun onderdruktheid. Er moest dus actie worden ondernomen in Vietnam, Nicaragua, Afrika.
De slecht verdienende, altijd vernederde arbeider moest meer verdienen, moest betere werkomstandigheden krijgen, moest ver-heven worden, en vrouwen, homo’s en negers -mochten nooit, nooit meer worden gediscrimineerd.
Hun pijn, mijn pijn: internationale solidariteit.
Maar ik ben al sinds enige tijd mijn vermogen tot empathiseren aan het verliezen. En de vanzelfsprekende relatie tussen empathie en rechtvaardigheid glijdt soms door mijn vingers.
Ik kan naar beelden kijken van een arme stam in Afghanistan, of ik zie kindsoldaten met een geweer, of ik word geconfronteerd met een natuurramp van veel te grote omvang, en als een worm bekruipt mij de gedachte van hopeloosheid en daaraan gekoppeld de niet minder levendige worm: Misschien is het beter zo. Laat ze elkaar maar uitmoorden, laat ze maar sterven.
Sommige gedachten zouden taboe moeten zijn, maar ze dringen zich ongecensureerd op. En niet omdat ik niet betrokken zou zijn, maar juist omdat ik tamelijk ouderwets betrokken ben.
Ik ben geen monnik die zich van de wereld afsluit - ik lees kranten en kijk televisie, meer dan de gemiddelde mens, vermoed ik. Ik probeer, elke dag weer, te analyseren wat ik zie, hoor en voel, ik tracht me steeds meer rekenschap te geven van wat ik bewerkstellig, ik rationaliseer me kapot en voel wel degelijk de begrenzingen van mijn eigen intelligentie, maar steeds vaker zie ik mijn empathisch vermogen als een gezwel dan als een vitaal orgaan.
Kinderen schiet elkaar maar dood - ik weet dat jullie geronseld worden doordat ze voor jullie ogen je broertjes en zusjes, vaders en moeders martelen, maar ik heb geen zin meer om me daarin in te leven en kan ook niet anders concluderen dan: of we bombarderen alles en iedereen kapot en beginnen opnieuw, of we doen niks en laten het virus zelf de dood veroorzaken en wie weet sterft het virus zelf wel door iets dat we niet in de hand hebben. Ook wij waren eens net zo onbeschaafd als elk ander wezen hier op aarde. Hoe onrechtvaardig is het om het de mensen daar zelf te laten opknappen?
Hoe kwalijk is het als ik daar geen schuldgevoel over heb? Is mijn houding een vorm van inhumaan egoïsme? Egoïsme ja, maar inhumaan?
Maar wat moet ik dan doen als de -oplossingen die ik zie - snij niet alleen het kankergezwel weg, maar ook een groot gebied eromheen zodat de uitzaaiingen weinig kans hebben - als onethisch worden bestempeld?
Ook het verwijt dat ik eelt op mijn ziel heb ontwikkeld, verwerp ik.
De eelt is er juist vanaf. Hoop is eelt. Wanhoop is geen eelt, namelijk. Ik zie onze beschaving teloorgaan. Ik verwijt dat voor een deel aan onze misplaatste empathie waardoor we halfslachtige oorlogen willen voeren, onder het mom van vredesmissies, waardoor we liever onze vrijheden opgeven dan onze modieuze ethiek geweld aan te doen. Als ethiek een rotsachtige structuur krijgt, komt een oorlog naderbij.