In Kenia krijgt de klimaatcrisis al vorm

‘Misschien is het de duivel’

De Keniaanse provincie Turkana toont de gevolgen van onze destructieve omgang met de planeet. De VN bieden voedselhulp, maar er is niet genoeg. De grootste slachtoffers van de klimaatverandering zijn de armsten, en dan met name vrouwen. ‘Ik weet niet waarom het weer verandert.’

Luister naar dit artikel

We horen graag wat u van onze luisterverhalen vindt. Het invullen van de enquête duurt vijf minuten.

Lokichar in Turkana, Kenia, maart. De dochter van Mary Aurupe zorgt voor de geiten

Serena Akitela vult een jerrycan met gifgroen water uit een meertje in het noorden van Kenia. Haar spieren trillen terwijl ze de ton van twintig kilo op haar hoofd zet. De gewrichten in haar nek zijn voortdurend ontstoken, ze heeft vaak hoofdpijn en een kloppend gevoel achter de oren. Om de pijn te verlichten heeft een heelmeester sneetjes gemaakt in haar gezicht, hals en rug. Haar huid staat vol glanzende littekens. ‘Ik heb altijd pijn, behalve als ik rust. Maar dat kan niet’, zegt de achttienjarige Akitela. ‘De geiten moeten drinken, mijn baby moet drinken, we moeten allemaal drinken.’

Het water is niet drinkbaar. Het stinkt, smaakt bitter en je wordt er ziek van. Als Akitela erin waadt, schieten kevers en parasieten weg tussen de algen. Zelfs de geiten moeten ervan overgeven en krijgen diarree. Maar Akitela heeft geen keus. De putten rond haar dorp staan al drie maanden droog. Bij de enige bron in de buurt, een boorput op twaalf kilometer van haar hut, werden Akitela en haar dorpsgenoten gisteren weggestuurd. De vraag was te groot. Niemand heeft kunnen drinken, de geiten beginnen te bezwijken. Nergens is nog gras. De Keniaanse autoriteiten spreken officieel over een ‘droogtecrisis’. Als het niet snel regent, zullen ze spreken van een noodsituatie en uiteindelijk van hongersnood. ‘De regen had er al moeten zijn’, zegt Akitela. ‘We kunnen dit niet lang meer volhouden.’

Akitela werd geboren in een hutje op een stoffige vlakte in het noorden van Turkana, een provincie zo groot als België en Nederland samen in Noordwest-Kenia. Er wonen 927.000 mensen, bijna allemaal behoren ze tot het semi-nomadische Turkana-volk. De mannen zijn herders en blijven maandenlang weg met de kamelen, ezels en runderen. Ze zijn ook gevreesde strijders, die vee roven van gemeenschappen in de buurlanden. Als ze in de strijd iemand hebben gedood, tooien ze zich soms met veren van struisvogels of gieren.

De vrouwen dragen dikke parelkettingen van kin tot borst en blijven het hele jaar thuis. Ze doen veruit het meeste werk: koken, hutten bouwen, water verzamelen, geiten melken, houtskool maken en verkopen, en de kinderen verzorgen. Dit maakt ze extra kwetsbaar tijdens droogtes. Ze moeten vaak wel vijftien kilometer lopen om bij een bruikbare waterbron te komen. Velen moeten voor zonsopgang beginnen te lopen. Bij een boorput vertellen sommige vrouwen ons bijna terloops over een twintigjarig meisje dat recent door twee mannen is verkracht op weg naar de waterbron.

De temperatuur is hier de laatste vijftig jaar met 1,8 graden gestegen, in de rest van de wereld is dat 0,8 graden in honderd jaar tijd. Turkana krijgt in sommige rapporten daarom de cynische naam ‘klimaatkanarie’. Tussen 1950 en 2000 waren er negen verschrikkelijke droogtes in Turkana. In Akitela’s leven waren dat er al zeven. Nog voor ze tien was, had ze mensen zien wegkwijnen en sterven van honger of dorst. Als kind moest ze soms wekenlang overleven op zaden, gekookte bladeren en nu en dan een handje maïs.

Turkana kan ons volgens wetenschappers belangrijke lessen leren over de gevolgen van onze omgang met de planeet. De toestand van de Keniaanse provincie illustreert hoe de allerarmsten, die zelf amper schuld hebben aan de klimaatverandering, het hardst getroffen worden. Volgens de recentste studies zal in 2070 ongeveer negentien procent van het aardoppervlak gemiddelde jaartemperaturen van 29 graden meemaken. Vandaag is dat maar 0,8 procent. Zo’n klimaat is voor de menselijke soort – op z’n best bij een gemiddelde temperatuur van dertien tot vijftien graden – op termijn onleefbaar. Turkana wordt door deze hitte als een van de eerste gebieden onbewoonbaar – in tegenstelling tot andere regio’s in Oost-Afrika neemt de regen niet toe door klimaatverandering, maar wordt de neerslag wel minder voorspelbaar. De bevolking zal zich er moeten aanpassen aan een extreem klimaat op een manier die de mens nooit eerder gelukt is, of ze zullen klimaatvluchteling worden. ‘Ik weet niet waarom het weer verandert’, zegt Akitela. ‘Misschien is het de duivel.’

Lokichar in Turkana, Kenia. Mary Aurupe, hoogzwanger, is op zoek naar water

Turkana is altijd een onherbergzaam gebied geweest. Ook in de tijd van Akitela’s overgrootouders konden de droogtes verschrikkelijk huishouden. Tekenend zijn de namen die de inwoners bedachten voor de laatste droogtemaanden: lolongo (honger) en lokwang (de witte tijd, wanneer stofwolken en zandstormen over het land razen). In 1971, negen jaar na de Keniaanse onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, noteerde verslaggever Charles Mohr in The New York Times dat ‘honderden naakte kinderen met opgezwollen buiken en benen zo dun als stokken’ bedelend over de vlaktes zwierven. ‘De bermen waren bezaaid met de botten van verhongerde koeien’, schreef hij.

Het was altijd een harde tijd, maar de crises waren niet elk jaar zo erg. Na de droogtes konden de Turkana aansterken, uitzwermen naar groenere gebieden en hun kuddes heropbouwen. Het gemiddelde gezin had vijftig jaar geleden tientallen koeien, kamelen en ezels en honderden geiten. Oudere Turkana vertellen hoe elke week melk en vlees werden geserveerd, ‘zelfs in de droge maanden’. De bruidsschatten waren royaal, een jonge vrouw leverde tientallen gezonde dieren op. Die tijd is voorbij. Er is nauwelijks grasland en geen tijd voor herstel. De mannen hebben meestal maar een paar runderen of kamelen meer. En door de droogte daalt ook de prijs van hun weinige dieren nog verder omdat ze magerder worden.

Iets na de middag zien we Akitela opnieuw in de schaduw van een boom, in een droge rivierbedding vlak bij haar dorpje Edaraja. Ze is twee keer water gaan halen en heeft zes uur gelopen in de brandende zon. De meeste dorpelingen liggen uitgeput of ziek in hun boma – hutten opgetrokken uit takken, modder en mest, soms versterkt met een plastic zeiltje van de Verenigde Naties. Terwijl Akitela haar ogen masseert, kruipt baby Abbey, amper één jaar oud, op haar dij. Het kind duwt de doek rond haar borsten weg en begint te drinken. Akitela laat het gebeuren zonder te helpen. De kinderen worden hier sneller autonoom. Abbey kan zelfs al lopen en waggelt na het drinken weg over zand en scherpe keien.

Er is alleen nog grijs en bruin, stenen en zand. Als de kinderen honger hebben, klauwen ze de heuvels open op zoek naar zaden die de insecten hebben verzameld

‘Een van onze moedergeiten is deze week ingestort’, zegt Akitela. ‘Ik heb melkpoeder nodig om haar twee jongen in leven te houden.’ Ze zou nu drinkbaar water moeten zoeken, weet ze, maar ze mag niet nog een geit verliezen. Sommige vrouwen laten de geitenlammeren aan hun eigen borst drinken. Akitela moet houtskool maken, die kan ze ruilen voor wat maïs en melkpoeder. Haar man is stokoud. ‘Hij is zwak en kan niets meer’, zegt ze. Ze werd aan hem uitgehuwelijkt als tiener, omdat haar ouders de bruidsschat van een paar tientallen geiten nodig hadden. Akitela is zijn tweede vrouw en baarde Abbey toen ze zeventien was. De eerste vrouw, Regina Awesit, is een jaar of 35 en heeft een zoon van ongeveer Akitela’s leeftijd en een dochter van elf of twaalf – de Turkana houden geen geboortejaren bij.

De jonge mannen zijn weggetrokken met het grote vee. Naar de grenzen met Oeganda, Ethiopië en Zuid-Soedan, waar een beetje meer grasland is. Daar clashen ze met andere volkeren van over de grens. De massale invoer van machinegeweren door de burgeroorlog in Zuid-Soedan maakt de conflicten veel bloediger. Elk jaar worden honderden mannen doodgeschoten tijdens rooftochten en gevechten om territorium. De lokale radio’s berichten er elke dag over.

‘Ga houtskool maken’, commandeert Awesit. Akitela knikt en laat Abbey bij haar achter. Ze klimt de oever op, waar een stapel hout ligt die ze de afgelopen drie dagen heeft gehakt. Om houtskool te maken bedekt ze brandende takken met een struik en schept daar aarde op, zodat het vuur weinig zuurstof krijgt. Het is zwaar werk. ‘Dek alles af!’ roept Awesit van onder aan de oever. ‘Ook de zijkanten, tot je geen rook meer ziet.’ Awesit schept en schept, maar het gaat steeds moeizamer. Ten slotte fluistert ze: ‘Ik ben moe, kan iemand helpen?’ Awesit en haar dochter negeren haar. Akitela gaat door tot alleen een smeulende hoop aarde te zien is. Morgen kan ze de houtskool eruit halen. Even rusten voor ze er weer op uit trekt om water te zoeken.

Hoe blijven deze vrouwen in leven? Ze wonen in een landschap dat je het best kunt vergelijken met de beelden die de Perseverance vanaf Mars doorstuurt. De hitte heeft alle kleur uit de natuur gezogen. Er is alleen nog grijs en bruin, stenen en zand. Enkele oude acacia’s die nog niet waren omgehakt zijn omgewaaid. Duizenden termietenheuvels priemen uit de aarde als de dikke vingers van begraven reuzen. Soms, als de kinderen echt honger hebben, klauwen ze de heuvels open op zoek naar zaden die de insecten hebben verzameld. Het is apocalyptisch. De enige plant die hier overleeft, is de mathenge, een struik die werd geïntroduceerd om schaduw en brandhout te geven, maar alle andere – eetbare – planten wegdrukt. De Turkana noemen het een ‘duivelse struik’: als de geiten de zaden eten, verliezen ze hun tanden en vallen ze uiteindelijk dood neer. De dieren zijn mager, je kunt hun ribben tellen. Ze hebben bloeddoorlopen ogen en liggen versuft onder de struiken.

Een rivier in Loreng, vijftien kilometer van de grens met Oeganda, waar het water steeds dieper staat

Ongeveer veertig kilometer ten zuiden van Edaraja, in een bos van mathengestruiken aan de rand van de stad Kakuma, wacht Sike Lopua (30) met een groep vrouwen tot de ergste hitte voorbij is. Ze heeft zo’n honger dat ze er suf van wordt. Vanmorgen is ze naar een voedselbedeling van Food Aid gegaan, maar ze heeft niets gekregen. Ze was niet geregistreerd en er was niet genoeg. Rond Lopua’s kettingen hangt een metalen ring, het teken dat ze getrouwd is, maar de man die hem heeft omgehangen toen ze nog een tienermeisje was, met de belofte om haar te beschermen, is al jaren dood. ‘Op een dag kwam hij terug van de grens met Oeganda’, zegt ze. ‘Al zijn dieren waren gestolen en veel van zijn kameraden waren gedood door rovers. Hij was een van de weinigen die overleefden. Hij ging met pensioen. Hij sliep veel en werd waanzinnig.’ Lopua vond hem dood in zijn bed. ‘Hij kwam alleen en hij stierf alleen.’

‘De Turkana leven in een patriarchaal systeem’, zegt Mary Nyasimi, directeur van de ngo Inclusive Change Adaptation for a Sustainable Africa. ‘Een vrouw mag geen economische beslissingen nemen en geen geld bezitten. Ze mag geen eigen vee houden. Zelfs als we kippen willen uitdelen die goed tegen de hitte en droogte kunnen, moet de vrouw daarvoor de toestemming hebben van haar man. Als hij maandenlang weg is, moet ze wachten.’ Het maakt het vrouwen onmogelijk om ongehuwd te blijven, want om te overleven in Turkana heb je vee nodig. De dieren bepalen ook de sociale status van de mannen. Nu ze hun vee steeds vaker voorgoed verliezen – aan tsetsevliegen, honger en conflicten met naburige gemeenschappen – trekken sommigen naar het zoute Turkanameer om te proberen te overleven met visvangst. Maar ze voelen zich er ontheemd, krijgen te maken met plotse overstromingen en het alcoholisme neemt toe. ‘Een man zonder dieren is geen man’, klinkt het.

Lopua’s man had al een paar zonen bij een andere vrouw. Toen een van hen na de dood van zijn vader aanbood om Lopua ‘te erven’, ging ze akkoord. Al snel werd ze mishandeld. ‘Hij sloeg me en verkrachtte me’, zegt ze. Ze toont een diepe kap in haar oor en een litteken op haar kaak. De man probeerde haar te vermoorden met een mes. ‘Nu zit hij in de gevangenis’, vertellen de andere vrouwen. Lopua vluchtte met haar vier zonen naar het huis van haar zus. Daar moet ze in haar eentje overleven. ‘Familie, vrienden, niemand kan me iets geven’, zegt ze. ‘Iedereen hier heeft honger.’

Het Wereldvoedselprogramma van de VN heeft vorig jaar meer dan zevenduizend ton voedselhulp gedoneerd aan de Keniaanse regering om woestijngebieden zoals Turkana te helpen. Ook dit jaar worden uitdelingen georganiseerd, verspreid over de provincie, maar er is niet genoeg. Elke dag worden gezinnen huilend weggestuurd. Een recent rapport waarschuwt dat 1,4 miljoen mensen in het land lijden onder een acute hongercrisis als gevolg van de droogte. Volgens overheidsrapporten is het aandeel ondervoede kinderen in een paar jaar tijd verdubbeld.

Om de sporadische voedselpakketten aan te vullen plukt Lopua wilde bessen. Voor velen is het dagenlang het enige wat ze eten. De honger verzwakt de kinderen. Sommigen hoesten zorgwekkend. Er zijn gevallen van bloedarmoede, tuberculose en longontsteking. Het afgelopen jaar zijn meer mensen overleden, zeggen ze. Ook kinderen. Ze worden nauwelijks getest op Covid-19.

Lopua’s op één na oudste zoon ligt al dagen in bed en beweegt niet. Haar zoon Lowye, een jongetje van vier of vijf met een veel te groot voetbalshirt, doet het meeste werk terwijl zijn moeder houtskool maakt. De jongen haalt tot drie keer per dag water in een jerrycan van twintig liter, die hij over de aarde naar het waterpunt in de buurt rolt. Soms stuurt Lopua de jongen naar de stad om op straat te bedelen. Hij voegt zich bij een klein leger kinderen die dagenlang met smekende ogen en weinig succes achter voorbijgangers aan hollen. Als hij iets te eten krijgt, deelt hij het met de rest.

Wil Lopua opnieuw trouwen? Ze knijpt in haar ogen, gooit haar armen in de lucht en schudt met haar handen. ‘Uh, uh, uh, uh’, roept ze uit. Nee. ‘Mannen zijn honden’, zegt ze. ‘Ze gedragen zich eerst goed, maar daarna worden ze vals.’ De vrouwen om haar heen zijn het daarmee eens. ‘Ze komen midden in de nacht je hut binnen en verkrachten je’, vervolgt Lopua. ‘Je weet nooit hoe vaak ze je willen nemen. Maar een goede man bestaat niet.’ De vrouwen knikken.

Het doet John veel verdriet om de vrouwen te zien vechten om water. ‘De vrouwen schelden en slaan elkaar omdat ik van de baas te weinig water mag vrijgegeven’

Een paar jonge meisjes die meeluisteren, zwijgen. Een van hen zegt dat ze veertien jaar is, maar ze ziet er jonger uit. Ze houdt een baby vast. Ze glimlacht verlegen als we naar haar man vragen. ‘Hij gaat binnenkort met me trouwen’, zegt ze. ‘De oude man heeft haar valse beloftes gedaan, haar zwanger gemaakt en is weggelopen’, zeggen de andere vrouwen. Een ander meisje, ongeveer even oud, draagt een trouwring om haar nek. Ze heeft al drie kinderen.

Officieel zijn kindhuwelijken verboden in Kenia, maar volgens de overheidsstatistieken was 23 procent van de gehuwde vrouwen in Kenia minderjarig op het moment van hun huwelijk. Volgens Caritas ligt het aandeel in Turkana nog iets hoger, rond de dertig procent. ‘De droogte en het coronavirus, waardoor meisjes niet naar school mogen en thuiszitten, vergroten de kans dat ze vroeger trouwen en kinderen krijgen’, zegt Agnes Mana, directeur van Caritas in Lodwar, de hoofdstad van Turkana. Mary Nyasimi beaamt dat. ‘Ouders willen hun dochters zo snel mogelijk laten trouwen om de bruidsschat te krijgen. Door het veranderende klimaat worden meisjes van twaalf of dertien steeds vaker uitgehuwelijkt. De mannen met wie ze trouwen, zijn gemiddeld dertig.’ Vrouwen zijn de grootste slachtoffers van klimaatopwarming in Turkana, benadrukt Nyasimi. Ze moeten hun gezin door de extreme omstandigheden loodsen.

Edaraja, Turkana. Akitela maakt houtskool. Ze is de tweede vrouw van een oudere man, doet al het huishouden en krijgt opdrachten van zijn eerste vrouw

Turkana is een van de minst ontwikkelde en meest vergeten gebieden van Oost-Afrika. De eerste Europeaan die het gebied bezocht, in 1888, was graaf Samuel Teleki van Szek, die bij thuiskomst in Transsylvanië opschepte dat hij ‘driehonderd negers’ had doodgeschoten. En ook de Britten die het gebied koloniseerden zagen weinig brood in de droge provincie. ‘Turkana is het meest waardeloze district van Kenia’, schreef majoor Harry Rayne in zijn boekje The Ivory Raiders, dat in 1923 populair was in Londen. Daarin vertelt Rayne hoe hij, begeleid door Soedanese soldaten van de King’s African Rifles, heldhaftig jaagt op een Arabische ivoordief. Het beeld dat eruit naar voren komt is dat van een Turkana-volk dat in alles primitief en exotisch is. De ‘hele knappe’ mannen met hun ‘lange postuur’ en ‘wrede inborst’ zijn te vermijden, schrijft de Brit.

En hij is niet alleen in zijn onbegrip. In de manuscripten van koloniale officieren duikt steeds dezelfde weerzin op voor het vijandige klimaat dat ‘als een brandende woestijn’ is. ‘Alleen geschikt voor een volk zonder zin voor sentimentaliteit’, schrijft een district-commissaris. De enige reden dat ze het gebied toch veroverden, was om te voorkomen dat een andere Europese grootmacht zich er zou vestigen. Het belette de Britten niet om tussen 1897 en 1920 naar schatting veertien procent van de Turkana-bevolking om te brengen.

In zijn belangwekkende boek The Scattering Time: Turkana Responses to Colonial Rule dat in 1992 verscheen, beschrijft historicus John Lamphear het verzet van de Turkana. Het is vandaag moeilijk voor te stellen dat het volk in de negentiende eeuw een van de welvarendste van Oost-Afrika was. Op het hoogtepunt van hun macht konden ze een leger van ruim vijfduizend soldaten mobiliseren voor de strijd tegen het kolonialisme. Ze werden bestuurd door gezaghebbende leiders – waarzeggers en krijgsheren – die ten onrechte bijna vergeten zijn. Zo was er Great Diviner Lloolel Kokoi, die dertig jaar lang met succes weerstand bood tegen de Britse overheersing van zijn land. Lamphear beschrijft hoe de Britten niets begrepen van het volk dat ze neersloegen. De leiders werden opgejaagd, gedood en ontvoerd tot er van het complexe bestuurssysteem van de Turkana niets overbleef.

‘Je kunt moeilijk overschatten hoe de Britse kolonisatie Turkana heeft kapotgemaakt’, zegt Lamphear aan de telefoon. ‘Hun vee, honderdduizenden dieren, werd van hen afgenomen, hun leiders werden uitgeschakeld en daarna werd de provincie decennialang hermetisch afgesloten om het “primitieve volk te beschermen tegen buitenlandse invloeden”. Een beetje zoals je wilde dieren in een reservaat beschermt.’ Het was de genadeslag voor een cultuur die groot was geworden door uit te zwermen, te veroveren en andere volkeren in te lijven, meent Lamphear. ‘Opgesloten binnen afgebakende grenzen zijn ze verloren.’

Na de kolonisatie zette de onafhankelijke regering in Nairobi het Britse beleid in Turkana nog een tijd voort. ‘Dat heeft hun ongetwijfeld veel kansen op scholing, ontwikkeling en economische uitwisseling ontnomen. De kostprijs daarvan is tot vandaag te voelen.’ De infrastructuur is gehavend. Volgens officiële rapporten is 61 procent van de huishoudens op het platteland in Turkana nog steeds gedwongen om onbeschermde waterbronnen zoals het groene meertje te gebruiken. Er komt wel wat geld naar de provincie, maar iedereen moppert over corruptie.

‘Er zit een wereld van verschil tussen de plannen en budgetten en de resultaten op het terrein’, zegt Agnes Mana van Caritas. De overheid plant volgend jaar negentig nieuwe boorputten te bouwen, boven op de duizend die er al zouden zijn. Het zal deze gemeenschap niet redden. Als er geen groot overkoepelend irrigatie- en waterplan komt én als de klimaatcrisis in dit tempo blijft escaleren, zullen de Turkana stilaan verdwijnen en migreren.

Aan de rand van de stad Kakuma, in een bos van giftige mathenge­struiken, wacht Sike Lopua op vrouwen die brandhout verzamelen

Naast Edaraja, het dorpje van Selena Akitela, snijdt een gloednieuwe asfaltweg van 309 kilometer door het Marslandschap. Die wordt aangelegd door het Chinese staatsbedrijf Cico, als onderdeel van het geopolitieke One Belt One Road-project van Beijing. De weg wordt door de Wereldbank betaald, de Keniaanse regering koos voor Cico als bouwheer. De weg moet Zuid-Soedan ‘rehabiliteren’ en het door oorlog verscheurde land verbinden met de Keniaanse havens aan de Indische Oceaan. Het werkelijke doel is om de snel groeiende Afrikaanse economie beter te ontsluiten voor Chinese massaproductie. Het kan een opportuniteit zijn voor de Turkana, maar de Chinezen hebben ook waterbronnen ingepalmd die ze gebruiken voor de bouw van de weg en het eigen personeel. De boorput waar Akitela en haar dorpsgenoten de voorbije dagen werden weggejaagd, wordt door hen gecontroleerd.

John, een lokale werknemer van Cico die de plek bewaakt, vertelt dat zijn Chinese bazen woedend worden als hij te veel water uitdeelt aan de Turkana-vrouwen. ‘Ik wil hen niet wegjagen. Ik ben zelf Turkana en probeer hen zo veel mogelijk te helpen, maar mijn baas dreigt me te ontslaan.’ Het doet John veel verdriet om de vrouwen te zien vechten om water, vertelt hij. ‘Ik moet hen in de rij laten staan zodat de conflicten niet escaleren’, zegt hij. ‘De vrouwen duwen, schelden en slaan elkaar omdat ik te weinig water mag vrijgegeven.’

Als reactie hebben de bewoners van Edaraja de weg versperd met doornstruiken. Ze vragen een oplossing voor het watergebrek, maar de meeste vrachtwagenbestuurders razen vloekend over hun blokkade heen. Ze staan al dagenlang te bedelen naast de struiken als plots een van de watertankers stopt voor hun blokkade. ‘Ik ben van de regio, deze vrouwen zijn mijn mensen’, zegt de bestuurder met een grijns. De vrouwen en kinderen haasten zich naar zijn voertuig met hun jerrycans. Ook Akitela kan haar tonnetjes vullen met vers, gezond water. Vanavond zal ze het gebruiken om maïs en bonen te koken. Ze kunnen weer aansterken. Het is een opluchting, maar een tijdelijke.

Akitela weet dat haar regio investeringen nodig zal hebben voor er iets verandert. ‘Als ik water en een school in de buurt had, zou ik mijn dochter daarheen sturen’, zegt ze. Akitela was zestien toen ze de tweede vrouw van haar man werd. Ze was zijn pensioenplan. ‘Dat zijn de regels’, zegt de jonge moeder. Natuurlijk werd ze als meisje ook gewoon verliefd op leeftijdgenoten, geeft ze toe. Maar die konden haar bruidsschat niet betalen en ze was bang om ongehuwd zwanger te worden, dus het ging nooit verder dan flirtende blikken en plagende opmerkingen. Weerstand tegen het huwelijk met de oude man heeft ze zelfs niet overwogen. ‘Mijn dochter zal hetzelfde leven hebben als ik’, zegt ze. ‘Dat doet me pijn, maar je kunt hier niet wegkomen.’