Interview met Dimitri Verhulst

‘Misschien moet ik toch ook eens een kaars in mijn gat steken’

Dimitri Verhulst is met een Gouden Uil-nominatie en twéé boeken op de longlist voor de Libris Literatuurprijs op de goede weg.

Het café van het Gilde Hotel in Deventer is leeg. In de ontbijtzaal zitten Hans Münstermann en Judith Herzberg zacht te praten. Ze kijken verstoord op als ik binnenkom, wegloop en weer binnenkom. Ik vraag naar Dimitri Verhulst: ‘Wilt u hem zeggen dat ik in het café zit?’ Lichte verbazing en ergernis. Ze knikken kort. De tournee van het festival Saint Amour is net begonnen. De deelnemende schrijvers – Verhulst, Herzberg, Münstermann, Jules Deelder, Leonard Nolens, Hafid Bouazza en Remco Campert – reizen per bus door Nederland met een literair programma ‘rond liefde en begeerte’. Gisteren, in de schouwburg van Enschede, sloot Verhulst de avond af met een voordracht uit De helaasheid der dingen, het verhaal over zijn jeugd. Terwijl hij met bezielde, melodieuze stem voorlas hoe zijn zuipende vader en ‘nonkels’ zich rochelend, vloekend en slechts gekleed in ranzige onderbroek aan een dame van de Dienst Bijzondere Jeugdzorg van hun beste kant laten zien, werd er veel en hard gelachen in de zaal.

‘Ik ga dood als ik moet buigen en applaus in ontvangst nemen’, zegt Verhulst later in het doodstille hotelcafé. Hij is al drie keer heen en weer gelopen naar de koffieautomaat. ‘Wat zou ik dan graag in een Mickey Mouse-pak zitten, onherkenbaar. Wel vind ik het prettig om voor te lezen uit mijn werk, om de zinnen te laten klinken zoals ik ze heb gehoord in mijn hoofd toen ik ze schreef. Maar het lijkt me ontzettend vermoeiend om naar te luisteren. Verschrikkelijk, schrijvers die uit hun werk voordragen. Ik begrijp de mensen niet die naar de Nacht van de Poëzie gaan. Die zitten daar tot zes uur ’s ochtends. Meer dan drie dichters kunnen mijn hersenen toch niet bevatten.’

Zouden die mensen intelligenter zijn dan jij?

‘Misschien ja, maar het is denk ik toch aapjes kijken, hopen dat zo’n schrijver dronken op het podium staat. Ik weet eigenlijk niet wat die mensen bezielt.’

Dimitri Verhulst (Aalst, 1972) was een redelijk onbekend schrijver toen hij vorig jaar plotseling een bestseller schreef. De helaasheid der dingen is een hilarische, poëtische en bij vlagen overweldigend weemoedige roman over de levens van vier volstrekt nutteloze mannen (Dimitri’s vader en nonkels) en een nutteloze man in wording (Dimitri zelf) in een godvergeten uithoek van Vlaanderen. Het boek leverde hem niet alleen een Ako-nominatie op, maar maakt nu ook kans op de Gouden Uil én prijkt samen met Mevrouw Verona daalt de heuvel af, zijn zevende boek in zeven jaar, op de longlist van de Libris Literatuurprijs.

Dimitri Verhulst: ‘Met die Libris-nominaties ben ik zowaar nog gelukkiger dan met de nominatie voor de Ako-prijs, omdat ik een grote angst had dat ik het schrijvertje zou blijven van dat ene boek. Ik ben blij dat Mevrouw Verona nu ook in de gratie is gevallen.’

Was je vóór ‘De helaasheid der dingen’ bang dat je een niet gelezen schrijver zou blijven?

‘Ik moet toegeven dat ik me erop had voorbereid. Het leek me wel comfortabel om je hele leven te kunnen mopperen dat je een miskend schrijver bent. Het voordeel van mijn succes is dat ik nu voor het eerst geld heb. In 2005 had ik aan de verkoop van mijn boeken minder dan één euro verdiend, in een heel jaar.’

Hoe kan dat nou, minder dan één euro?

‘Dat vraag ik me ook af. Het antwoord is jammer genoeg: door niks te verkopen.’

Problemski Hotel (2003), Verhulsts gefictionaliseerde reportage uit een asielzoekerscentrum, leverde hem destijds ook al geen cent op. Niet in België tenminste, want in het buitenland was men wél enthousiast. ‘Toen voelde ik me wel een beetje zuur worden.’

En nu? Nu je de Ako-prijs niet hebt gewonnen?

‘Nu niet. Ik was verschrikkelijk blij met de nominatie, maar de prijs hoefde ik niet per se te hebben. De avond van de prijsuitreiking heb ik geheel stressloos doorgebracht, tijdens de bekendmaking zat ik nog op de wc. Toen we van tevoren hoorden dat we in een helikopter moesten, dacht ik wel: godverdomme, ik ben toch geen zangeres die haar blouse heeft uitgedaan? Waarom moet ik in een helikopter? Maar ik heb die knop maar omgedraaid en vond het fantastisch. Ja, echt mooi, de Vinkeveense plassen vanuit de lucht. Alleen ben ik heel slecht in het omgaan met gekroonde hoofden. Ik geloof dat prinses Laurentien mij een verschrikkelijke boer vond.’

Zei ze dat?

‘Nee, maar twee weken daarvoor had ik haar ook al gezien in Brussel. Dus toen ik uit die helikopter kwam, zei ik: ah, u bent hier ook weer? Blijkbaar hoort dat niet bij het protocol, maar ik weet niet wat ik moet zeggen tegen zo’n prinses. Ik ken die aanspreektitels niet.’

Tegen de koningin schijn je niets te mogen zeggen totdat ze jou aanspreekt.

‘Dan vind ik dat ze thuis moet blijven. Wat zit je nu onder de mensen te komen als die mensen tegen jou niet mogen praten? Dat vind ik verschrikkelijk bekakt!’

‘Mijn vader kon nogal spectaculair kotsen, maar wat hij niet kon was zijn kots opkuisen, want daar werd hij ongemakkelijk van.’

Toen Dimitri Verhulst op zijn twaalfde door zijn moeder het huis uit werd gezet – ze wilde een nieuw leven beginnen – klopte hij bij zijn alcoholistische vader aan, die, net als zijn alcoholistische broers, weer bij grootmoeder Verhulst was ingetrokken. Als vader niet in de kroeg zat, sloeg hij thuis de boel kort en klein of sloot hij zich op in de badkamer voor een zoveelste grootse zelfmoordpoging, die steeds opnieuw officieel werd aangekondigd (‘hij gaf me dan bij afscheid een hand, wat ik toen al zeer hilarisch vond’).

Vier jaar nadat zijn zoon naar een pleeggezin was gevlucht, bezweek vader Verhulst aan kanker. De zeventienjarige Dimitri zat inmiddels in een gezinsvervangend tehuis.

Heb je ooit nog contact gehad met je moeder?

‘Nee, wie ik kort geleden wél ontmoet heb is mijn halfbroer. Eén keer in mijn leven had ik hem gezien, toen hij een paar weken oud was. Op een boekenbeurs stond hij plotseling voor mijn neus om een boek te laten signeren. Toen ik klaar was, zei hij: “Dag broer”, en weg was hij. Ik heb snel nog gekeken en zag aan zijn gezicht dat we familie waren. Bizar, dat is nu een man van 21 ongeveer. Voor het eerst weet ik nu ook zijn naam, want die heb ik voor in het boek geschreven.

Ik heb mijn vader nooit gezegd dat ik schrijver wilde worden. Toen ik een jaar of negen was, had ik een gedicht geschreven voor mijn liefje, zoals dat nu eenmaal hoort. Mijn vader had dat ontdekt. Dat ik een liefje had, daar kon hij best trots op zijn, maar dat ik gedichten schreef voor dat kind, de gedachte alleen al dat zijn zoon zulke flikkerachtige bezigheden had… Bon, toen heeft hij me ingeschreven voor de voetbalclub.

Soms vraag ik me af: mocht die man er nu nog zijn, zou hij dan toegeven dat het schrijverschap toch ook een waardig bestaan is? Dat niet iedereen begrafenisondernemer of postbode hoeft te worden?’

Je vader was postbode.

‘Ja, een heel goeie. Het was plezant om met mijn vader door de wijk te lopen waar hij de post bedeelde. Iedereen kende die man. Hij was ontzettend vriendelijk, ging bijvoorbeeld naar de slager voor de oude mensen die hij ook op zijn ronde tegenkwam. Dan nam hij vijfhonderd gram paté mee.’

Dat klinkt als een andere vader dan de man die zijn zoon met een broodmes achterna zat.

‘Het lijkt misschien gek, maar mijn vader was een echte mensenvriend.’

Na de middelbare school en het gezinsvervangend tehuis zat Verhulst een blauwe maandag op de universiteit: ‘Dat beviel me niet. Ik vind het universitair niveau in België bedroevend laag. Ik begon met Germaanse filologie en zat maar te wachten tot het eindelijk eens over literatuur zou gaan. Als er al iets over literatuur gezegd werd, was ik pedant genoeg om de professor onkundig te vinden. Toen ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren. Dat deed ik wél graag. Tegelijkertijd vond ik het heel hol, al dat verheven taalgebruik. Ik ben niet anti-intellectualistisch, maar soms mag de kunstkritiek wel eens tot rede geroepen worden. Een doek met spetters en strepen moet je ook gewoon een doek met spetters en strepen kunnen noemen. Hoe dan ook, ik heb vier jaar lang pizza’s rondgereden om mijn studies te kunnen betalen.’

Waarom zocht je geen leukere baan?

‘Een deftige baan heb ik nooit kunnen bemachtigen. Eén keer heb ik iets gedaan wat in mijn interessesfeer lag. Dat was voor een kunsthandelaar. Hij had me een paar miljoen gegeven waarvan ik in Zwitserland, in een galerie in Bern, kunst moest kopen. Vervolgens moest ik die kunstwerken de grens over smokkelen. Uiteindelijk ben ik daarvoor in Zwitserland in de cel beland. Dat was heel lullig: net twintig jaar en in een trein van Bern naar Brussel met drie Ensors en een Picasso in een reiskoffer.

Daarna heb ik nog duivenstront van kerktorens afgeschraapt, als gids op plezierbootjes gewerkt, en toen het water echt aan mijn lippen stond ben ik animator op Mallorca geworden.’

Ja. Wat is dat eigenlijk?

‘Dat is iemand die mensen vermaakt. Het klinkt gigolo-achtig en tot op zekere hoogte is het dat ook. Er zijn nu eenmaal mensen die niet kunnen instaan voor hun eigen vreugdes.’

Wat deed je dan voor die mensen?

‘O, dansen en springen en huppelen.’

Ik kan me daar weinig bij voorstellen.

‘Dat is maar beter ook. Ik werd er erg ongelukkig van.’

Het lijkt me inderdaad niet makkelijk voor een misantroop.

‘Nee, maar een echte misantroop ben ik niet, hoor. Ik kan intens schijten op de mens, maar moet mezelf eerlijkheidshalve ook bij die soort rekenen. Ik noem mezelf liever een sociale misantroop. Ik bedoel: gisteren heb ik tot kwart voor vier ’s ochtends staan zingen in café De Kachel in Deventer. Thuis doe ik dat ook graag. Ik leef teruggetrokken in Wallonië, in een dorpje met niet meer dan driehonderd huizen, waar ik volstrekt onbekend ben. Mijn huis staat op een heuvel, in de bossen. Ik zit graag alleen in mijn eigen stukje bos. Ik houd van de eenzaamheid. Het mooie aan literatuur vind ik dat een boek wordt geschreven én gelezen in eenzaamheid. Maar ik kan ook heel sociaal zijn. Mijn vriendin en ik amuseren ons te pletter samen. We beuken liederen op de piano en gaan naar ons kroegje, waar we zingen en darts spelen en tafelvoetballen. En in de zomer gaan we buiten pétanquen met de rest van het dorp.’

Dus precies wat Mevrouw Verona en haar man, Meneer Pottenbakker, doen in het boek.

‘Mevrouw Verona is misschien wel mijn meest autobiografische boek tot nu toe.’

Je deed een week over elke pagina.

‘Ja, dat vond ik geweldig. De helaasheid der dingen was me veel te vrolijk. Ik schreef maar raak en gooide ook veel weg. Bij Mevrouw Verona wilde ik me wat inhouden. Ik ben bang om altijd hetzelfde boek te schrijven, dus ik dacht: ik ga de methode veranderen en dan komen we vanzelf tot iets anders. Toen heb ik een velletje voor me op tafel gelegd en dwong ik mezelf om een week bij dat vel te blijven.’

Ook het onderwerp verschilt nogal met het voorgaande: een weduwe die terugbikt op de gelukkige momenten met haar grote liefde. Komt dat misschien doordat je nu gelukkig bent?

‘Ik ben al heel lang gelukkig, hoor.’

Een aantal jaren geleden schreven de recensenten dat het voor de Nederlandse literatuur niet te hopen is dat Verhulst te gelukkig wordt.

‘Het is nogal kortzichtig om te denken dat ongeluk een bron is voor talent. Er is zóveel ongeluk in de wereld, waar zijn al die goeie schrijvers dan?’

Heb je je wrange humor niet een beetje aan je ellendige jeugd te danken? Volgens Godfried Bomans is humor overwonnen droefheid. Zelf schrijf je in ‘Problemski Hotel’: ‘Volgens mij moet je eerst een aantal rotervaringen hebben verwerkt vooraleer je gaat lachen.’

‘Ik heb wel eens beweerd dat ik mijn schrijverschap, en mijn humor, deels te danken heb aan mijn vader, die op café altijd dezelfde moppen vertelde. Wij waren thuis allemaal flauwe moppentappers. Mijn vader had een paar geweldige moppen, die hij honderden keren vertelde, telkens weer op een andere manier. Ik heb als kind zo verschrikkelijk veel tijd in de kroeg doorgebracht met zatte, lallende mannen die hun onderbroek uitdeden, hun wijf uitscholden, maar ook moppen vertelden. Uiteindelijk is dat een goede leerschool geweest voor het schrijversvak.

Lezen deed ik niet als kind. Het interesseerde me gewoon niet, de rommel van anderen lezen. Mijn grote leeshonger heb ik gehad tussen mijn zeventiende en mijn 26ste. Daarna was het gedaan. Ik lees nog steeds wel, hoor, ongeveer een boek per week, maar ik overdrijf niet. Nescio vind ik bijvoorbeeld een fantastische schrijver, maar die las ik pas toen ik ver in de twintig was. Ik had nog nooit van hem gehoord. Over slecht onderwijs gesproken: op de middelbare school en tijdens de literatuurlessen aan de universiteit werd die naam gewoon niet genoemd.’

En Gerard Reve, een van Nescio’s grootste bewonderaars?

‘Die doet mij niets. Nee, de ironie ook niet. Het zal vast met mijn intelligentie te maken hebben, want veel mensen van wie ik weet dat ze heel verstandig zijn, zeggen mij dat Reve een groot stilist is. Ik zie het niet. Ik vind het veel geblaat en weinig wol. En altijd weer die erotische fantasieën. Dat is net als met Komrij: die man mag kaarsen in zijn reet steken zoveel hij wil, maar dan mag het wel iets beter beschreven zijn. Wat moet ik daarmee?’

Je zei net dat je bang bent altijd hetzelfde boek te schrijven.

‘Ja, misschien moet ik toch ook eens een kaars in mijn gat steken.’

Maar volgens mij maken veel schrijvers op een of andere manier steeds hetzelfde boek. Kafka deed dat, Reve ook. Zelf zei je ooit dat je sinds de dood van je vader altijd over hem schrijft.

‘_Ja, maar bij _Mevrouw Verona ben ik daarmee opgehouden. Ik had ergens ook wel de hoop het te beëindigen met De helaasheid der dingen. Dat is zo’n symbolisch boek. Toen ik het schreef had ik er precies evenveel jaren mét als zonder mijn vader opzitten. Als ik het geluk heb om 120 te worden zal ik er nog wel eens op terugkomen, op een andere manier.’

Gooi je het in je volgende roman weer over een andere boeg?

‘Ja, dat boek – als ik het tenminste tot een goed einde breng, want ik heb me iets verschrikkelijks op de hals gehaald – wordt echt een grote breuk met al het voorgaande: een vreselijk zwart boek over de mens, niet met inkt, maar met pek geschreven. Het is het eerste boek waarbij ik soms denk: wat een rotleven is dit, schrijven. De eerste pagina die ik schreef was zo verdomd goed, ik vind het verschrikkelijk moeilijk om het niveau constant te houden. Het boek is ook wel zeer, zeer zwart. Ik denk steeds: er moet toch ook iets goeds in over die mens? En ik weet bij God niet wanneer het af zal zijn. Dat is ook al zoiets afschuwelijks: dat ik nu al weet waar mijn drie volgende boeken over moeten gaan, maar dat ik zeker nog drie jaar zal moeten wachten voor ik daaraan kan beginnen.’

Het werk van Dimitri Verhulst verschijnt bij uitgeverij Contact