Boekenweek: Tonnus Oosterhoffs vreemde wereld

Misschien zijn we echt gek, ieder van ons

Er zijn feiten en alternatieve feiten, dat weet iedereen die een tijdje in dit ondermaanse rondloopt. Zelfs fysici kunnen bevestigen dat het standpunt van de waarnemer bepaalt wat hij ziet, laat staan dat er zekerheid zou kunnen zijn omtrent het goede, het schone en het normale. En het zijn dichters en denkers die er een sport van maken de onzekerheid nog wat aan te dikken, om vervolgens troost te bieden in de puinhoop waarop ze je zelf attent hebben gemaakt. In elke dichter schuilt een sentimentele sadist.

Wat is dat voor lichaam dat met ons leeft?
Ons leven is brandhout, ons lichaam vuur,
of: lichaam brandhout, leven vuur.
Vuur en hout vormen een weefsel.

Van wie is het weefsel?
Het publiek brandt van nieuwsgierigheid,
de politie heeft het antwoord.
Zij belegt een persconferentie:
het weefsel is van de vermisten.

Ja Nee heet de nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff (1953), hetgeen aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat: het is zo, het is niet zo, u zoekt het maar uit. Op het omslag staat het Ja dan ook nog ondersteboven, wat suggereert dat het Nee de overhand heeft. De lezer dient alle hoop op zekerheid te laten varen. Perspectief wijkt voor perspectief, met als uiteindelijk effect dat je meer ziet dan je dacht dat er was, zij het dat wat je ziet zich goeddeels aan duiding onttrekt.

Het eerste gedicht begint overigens helder genoeg. Verplaats je eens in de positie van een regulier slachtoffer, maak het object tot subject en vraag je dan af hoe dat voelt:

kijk uit de schelp naar de krab uit het gras naar de koe
uit het nieuws naar de krant uit de bal naar de stok
uit de koe naar de man met het mes en de bloedgeur

Vanuit het gras gezien is de koe een meedogenloze vernietiger, maar het dier valt vervolgens ten prooi aan de slager. ‘Kijk uit het stof naar de nacht’, zegt Oosterhoff, want het kan elk moment met ons gedaan zijn.

Dood, ziekte, gekte en dementie zijn constanten in het werk van Oosterhoff, die een verzamelbundel ooit Hersenmutor noemde, als om aan te geven dat goede poëzie kortsluiting teweegbrengt in het brein, net zoals tumoren dat kunnen doen. Wanneer je dit werk leest, begin je vaak aan je verstandelijke vermogens te twijfelen, alsof de onvermijdelijke neergang al een aanvang had genomen. Maar misschien zijn we echt gek, ieder van ons, en is het ogenschijnlijk normale niets meer dan een façade om de chaos af te schermen. ‘Je bent gestorven en je wordt begraven’, stelt de dichter, je ‘kunt niets zien en intussen weten dat jij de machinist bent,/ door de verduisterde ruit angstig de reis gadeslaan’. We kunnen ons afvragen of de situatie vóór de dood significant verschilt van die erna.

We tasten rond in het duister, maar beschikken we niet over de taal, die het ons mogelijk maakt ten minste iets over het onbegrijpelijke te zeggen? Oosterhoff zou geen dichter zijn als hij niet vond dat iets zeggen soms beter is dan te zwijgen, maar dat garandeert geenszins dat alle taal betekenisvol is. Er wordt veel nonsens uitgekraamd:

Toen zeiden ze, die hersens van mij:
dit ene artikel begrijpen wij niet.
Is het in een taal die wij niet kennen?
Nee, dit is niet in een taal die wij niet kennen.
Gaat het over een onderwerp waar we niets van weten?
Nee, we weten veel over het onderwerp en vinden het interessant.

Wat de lezer ook doet, ‘de hokken der woorden’ blijven leeg. Weliswaar stelt de dichter vast dat onbegrijpelijkheid soms handig is om de lezer in beweging te krijgen, maar dat impliceert niet dat je maar wat kunt roepen. Ja is niet hetzelfde als Nee, ook al weet je niet altijd meteen welk antwoord je zult geven.

Zoals uit het openingsgedicht al blijkt gaat Oosterhoff morele kwesties niet uit de weg. Een pittoresk berglandschap kan er vredig bij liggen, met tussen ‘wolkengevaarten onschuldig de vogels’, maar realiseren we ons wel wat er zich afspeelt? ‘Als er de grendels niet waren en het transport er niet was/ zou de indruk volmaakt zijn.’ Het landschap is, om met Armando te spreken, schuldig, en wie dat niet wil zien deugt niet. Dat klinkt somber en zwaar, maar Oosterhoff slaagt erin het foute en gruwelijke met verontrustende geestigheid te verwoorden, zodat je door eerst in de lach te schieten onwillekeurig geconfronteerd wordt met je eigen hypocrisie.

In een van de grappigste gedichten worden de goede werken van prins Harry en de paus op de hak genomen. ‘Paus, vrede, ballonnen/ zijn fijne woorden die elkaar graag opzoeken.’ Dat geldt ook voor ‘prins, feest, met modellen’. De modellen vinden Harry’s gezondheidssandalen ‘niet belachelijk maar leuk juist, fijn,/ een beetje zoals die van de paus, voor wie allen grote bewondering hebben’. De paus vraagt zich met Jezus af of wij wel aardig genoeg zijn tegen mensen die gevaarlijker zijn dan wij. ‘Moeten we van elke onthoofdingszaak/ een halszaak maken?’ De wereld ziet er toch veel prettiger uit als we gezellig met elkaar omgaan. Gelukkig, de farmaceutische industrie ‘maakt het voor een kleine meerprijs mogelijk: / fijne woorden staan klaar om door alle poriën binnen te dringen’.

Als er één effect is dat Oosterhoff met al zijn werk teweeg weet te brengen, is het verwondering. De wereld is vreemd en wreed, maar vooral verbazingwekkend. In het laatste gedicht zien ‘aan een rotsbodem gehechte eiersnoeren’ door hun glasachtige schaal hoe ‘hun ouders vlak onder het wateroppervlak naar de sterren kijken’. De situatie is vergelijkbaar met die van de gevangenen in Plato’s grot. ‘Ze verlangen, vermoeden de kinderen. Maar waarnaar?’ Naar een wereld die beter, transparanter is dan die hier beneden? ‘De snoeren stoten elkaar hoopvol aan: nog even, dan gaan ook wij uit verlangen.’