Missende moeders

Ook in zijn nieuwste roman gebruikt Edward St Aubyn het constante highbrow geouwehoer van zijn personages niet als literair trucje, of intellectuele duurdoenerij – het is een overlevingsmechanisme. Zo veel mogelijk praten om zo min mogelijk te hoeven zeggen.

Edward St Aubyn, Eindelijk. Uit het Engels vertaald door Nicolette Hoekmeijer. Meulenhoff, 192 blz., € 18,95

Het sterkste staaltje upperclass snobisme dat ik ken komt uit de jarenlange correspondentie tussen Mary McCarthy en Hannah Arendt, waarin ze niet alleen hun persoonlijke en cultuurkritische dilemma’s bespreken, maar zich ook (net als normale mensen, zou je zeggen) niet kunnen inhouden te roddelen over de intellectuele zwaargewichten in hun levens. Het is McCarthy die melding maakt van wat zij ziet als het toonbeeld van Engels snobisme: op een Londens feestje komt een persoon ter sprake die de holocaust heeft overleefd, in Auschwitz zat, zegt iemand. ‘Auschwitz, oh dear, no!’ zegt Sonia Orwell, weduwe van. Die persoon zat nooit in Auschwitz, ‘Only in some very minor death camp.’

Een very minor death camp, alsof je net als kostscholen en universiteiten ook chique en minder chique vernietigingskampen hebt. Alles is status, alles is sociale klasse, lijkt McCarthy te zeggen.

De Britse upperclass snob is een dienstbaar stock character voor elke film van B-garnituur, de verwijfde man met een befje (die doorgaans het onderspit delft tegenover de working class hero, de allemansheld met wie de kijker zich moet vereenzelvigen) die overal op neerkijkt vanuit een veronderstelde superioriteit, sociaal, cultureel, intellectueel of anderszins. Hij is, in het beroemde aforisme van Oscar Wilde, ‘iemand die overal de prijs van weet, maar van niets de waarde’.

Wat nu als je die uitspraak opvat als filosofie? Als je zozeer alles – bezit, liefde, kennis, emotie, opvoeding – in prijskaartjes ziet dat het een levenshouding wordt? In de reeks romans die de Brit Edward St Aubyn schreef (het vijfde deel, Eindelijk, is net verschenen) over zijn alter ego Patrick Melrose, een telg uit een aristocratische dynastie die betere tijden heeft gekend, zijn zijn upperclass personages zozeer incapabel om te genieten dat ze in de meest basale dingen ellendigheid vinden.

St Aubyn (1960) komt uit een familie die, in een citaat dat door elke interviewer is opgepikt, zo’n beetje deel uitmaakt van de Britse adel sinds Willem de Veroveraar. Op de vraag of je kon zeggen of de Patrick Melrose-reeks autobiografisch is, antwoordde hij: ‘Ja, waarom zouden we dat niet zeggen?’ Beetje bij beetje zijn de verhalen van St Aubyns eigen leven bekend geworden – hoe hij zijn universiteitsexamen deed met een vulpen vol heroïne, hoe zijn vader hem misbruikte – en deel gaan uitmaken van de aura rond zijn romans. Het misbruik is het oertrauma dat de boeken voortdrijft. Op de eerste bladzijde van het eerste boek, Never Mind, uit 1992, maakt de vader van de dan vijfjarige Patrick zijn entree, als hij de huishoudster aanspreekt wanneer die net een volle wasmand vast heeft, en er de sport van maakt net zo kort met haar te babbelen dat het raar is als ze de wasmand neerzet, maar net zo lang dat ze wel kramp in haar armen krijgt. Het sadisme neemt toe. We leren dat David Patricks moeder heeft gedwongen op haar handen en voeten van de grond te eten, waar vrienden bij waren (die dat als een amusante karaktertrek van hem zagen), en later in de roman verkracht hij zijn zoon, in een gruwelijke scène, geschreven vanuit het kind Patrick, die weet dat hij gestraft wordt, dat hem iets wordt aangedaan, maar niet snapt wat en waarom. In het tweede boek, Bad News (ook 1992), wordt een 22-jarige Patrick naar New York gesommeerd om de as van zijn plots overleden vader op te halen, die dat in een waas van harddruggebruik maar net aankan. Het derde boek, Some Hope (1994) zou het laatste van de reeks zijn, en is met stip het grappigste van het stel, waarin Patrick, dertig inmiddels, op een feestje in een landhuis aan zijn beste vriend opbiecht, in een poging in het reine te komen met zijn verleden, dat hij als kind is misbruikt. St Aubyn voert zijn aristocraten op als figuren uit een sketch; twee van hen klagen als de bandleider naar goed gebruik zijn musici voorstelt aan het publiek. Who cares, zegt de een, als wij op ons landgoed gingen jagen moesten we een koude rivier oversteken, en dan gingen onze drijvers in het water staan om een soort brug te maken. ‘Niemand had het gevoel dat hij hun naam hoefde te kennen om over hun hoofd te lopen.’

In veel recensies werden Oscar Wilde en Evelyn Waugh genoemd – terecht, maar je doet St Aubyn met die vergelijking te kort. Of tenminste: dat suggereert alsof St Aubyn in een begin-twintigste-eeuwse traditie past, terwijl hij juist de meest klassieke romantechnieken overhoop haalt en ermee wegkomt. Je leest het hele hoofdstuk vanuit één personage en dan opeens, nog geen twee alinea’s lang, lees je vanuit een ander passerend personage. Het snelle schakelen heeft een cumulatief effect, alsof in elke voorbijgaande blik hetzelfde sarcasme zit. Het maakt het upperclass milieu claustrofobisch, nergens komt een straaltje licht door de donkere muur van virulent snobisme en cynisme heen.

In de trilogie (gebundeld uitgegeven als Wat heet hoop, ook bij Meulenhoff) leeft Patrick in de schaduw van zijn tirannieke vader, die dood of levend blijft domineren (op elk feestje komt er wel iemand naar hem toe om te zeggen dat hij Melrose senior zo’n slimme, grappige man vond). Zijn moeder is meestal absent, of zoals Patrick opmerkt, ze is iemand die liever kinderen in Afrika redt dan haar eigen kinderen, iemand die alleen in liefdadigheid geïnteresseerd is als het in de vorm van een galafeestje komt.

De missende moeder keerde terug in het vierde deel (waarvan St Aubyn zei dat hij niet van plan was dat te schrijven, maar toch) uit 2006, Mother’s Milk, dat de shortlist van de MAN Bookerprize haalde (Kiran Desai’s The Inheritance of Loss won) en St Aubyn een groter publiek gaf. Mother’s Milk, of Moedermelk, was een grote sprong voorwaarts, thematisch en psychologisch: nu ging St Aubyn verder dan mooi geschreven, vileine satire, en toonde hij twee ouders, Patrick en zijn vrouw Mary, die wanhopig niet de fouten van ouders willen herhalen, en toch hun eigen opvoeding niet kunnen loslaten. Terwijl Mary haar aan nanny’s overgelaten opvoeding probeert te overtreffen door haar eigen kinderen te verstikken met liefde vecht Patrick om de Zuid-Franse vakantievilla waar hij opgroeide (en misbruikt werd) niet te verliezen aan de bespottelijke Ierse sjamaan die er zijn ‘Transpersonal Foundation’ heeft opgericht waar zijn door beroertes getroffen moeder deel van uitmaakt, en vecht om in zijn teleurstelling zich niet aan het gifzwarte cynisme van zijn vader over te geven. Hij kan zichzelf niet ontslaan van de verplichting voor zijn half verlamde en volledig incontinente moeder te zorgen en kan tegelijk niet anders dan toekijken hoe ze zijn erfenis weggeeft aan New Age-praatjes. Zelfs nu is zijn moeder een monument van passief-agressiviteit, ze laat haar zoon naar euthanasie-opties zoeken in Zwitserland, en dan, als het moment daar is en Patrick door duizend-en-één hoepels is gesprongen om het zo ver te krijgen, ziet ze er maar weer van af.

En nu is er dan Eindelijk, of At Last, de uitroep die Patrick gedaan moet hebben als ze dan toch bezweken is. Mijn moeders dood is het beste wat me is overkomen sinds… mijn vaders dood, denkt hij. De roman speelt zich af binnen het tijdsbestek van een paar uur, op Eleanors uitvaart. De tijd is gekomen om de balans op te maken. Patrick heeft altijd geprobeerd zijn vader te vergeven, door in te zien dat het uiteindelijk een eenzame, alcoholistische depressieve man was. Is dat niet je taak als kind, vraagt hij zichzelf af: je ouders hun fouten te vergeven? Maar kan hij dat ook bij zijn moeder, die wist van het gevaar van zijn vader en bij hem vandaan was gevlucht, maar haar enige kind had achter­gelaten? Toen hij haar vertelde te zijn misbruikt, was haar reactie niet afschuw of medelijden, maar riep ze dat ook zij door hem verkracht was. Haar medelijden ging primair uit naar zichzelf, niet naar haar zoon.

Tijdens de uitvaart moet Patrick zich groot houden en overdenkt hij zijn leven en dat van zijn moeder, terwijl de muziek klinkt en de sprekers hun grafrede houden en hij de woorden van de snobs en de New Age-prutsers van de Transpersonal Foundation (‘Ze had besloten alle frustratie van de mens als individu te verruilen voor het opwindende vooruitzicht een Transindividu te worden’) aan moet horen en weet hoe leeg en onoprecht ze zijn.

Net als de voorgaande romans is Eindelijk een bitterzoete roman die je niet zonder lachen kunt lezen. Ondanks al zijn trauma’s, of juist dankzij zijn trauma’s, blijft Patrick Melrose opnieuw een zeldzaam intelligent en zeldzaam grappig personage. De vertaling van Nicolette Hoekmeijer is voortreffelijk, even elegant als het origineel, al gaan er onvermijdelijk dingen verloren. De Nederlandse lezer zal wellicht missen wat St Aubyn bedoelt met ‘… schreeuwde hij, als Henry II die een moordenaar zocht om hem te verlossen van de lastige priester’, terwijl de Engelse lezer (‘… he shouted, like Henry II requesting an assassin for his troublesome priest’) waarschijnlijk de beroemde frase herkent waarmee Henry II aanzette tot de moordaanslag op aartsbisschop Thomas Becket (‘will no one rid me of this troublesome priest?’). Dit niet ten nadele van de vertaling – het zegt iets over de compromisloze belezenheid die St Aubyn laat botvieren.

Doorgaans zijn de romans door Engelse critici met lof ontvangen, maar als er al kritiek was, was dat het, dat hij té mooi schrijft, te veel literaire verwijzingen maakt, dat zijn personages, tot de kinderen aan toe, bijna ongeloofwaardig erudiet oreren. Maar juist dat constante highbrow geouwehoer dient niet als literair trucje, of intellectuele duurdoenerij – het is een overlevingsmechanisme van de personages. Het is de kunst van het zo veel mogelijk praten om zo min mogelijk te hoeven zeggen. Al in Some Hope merkt Patrick het op, ‘All his life he’d used words to distract attention’, en in Eindelijk bedenkt Patrick dat dit de link is met zijn moeder: ‘Voor iemand die had geprobeerd zich overal uit te kletsen, uit alles wat hij ooit had gedacht en gevoeld, was het een schok om te merken dat er iets enorms was wat hij nooit had benoemd. Misschien was dat wel wat hij ooit echt met zijn moeder gemeen had, een kern van ­onverwoordbaarheid.’ Wat kan hij niet verwoorden, welke vraag durft hij niet te stellen? Misschien is het wel de oervraag voor elke ouder: hoe kun je voor jezelf leven als je ook kinderen hebt om voor te leven?

Het is de angst om je vast te leggen, de angst om een concrete waarde aan iets te geven, omdat als je die waarde erkent je hem ook moet ondergaan. Uiteindelijk is het Patrick zelf die zijn toestand weet te kwalificeren, in gesprek met een voormalige minnares:

‘“Zodra de gelegenheid tot ironie zich voordoet…”

“Grijp je die met beide handen aan.”

“Dat is de hardnekkigste verslaving”, zei Patrick. “Heroïne is kinderspel. Probeer maar eens te stoppen met ironie, dat diepe verlangen om twee dingen tegelijk te verwoorden, om op twee plekken tegelijk te zijn, om je te kunnen onttrekken aan de catastrofe wanneer zich een vaste betekenis voordoet.”’