Economie

Missers

Nadat ik vorige week in de Volkskrant had geschreven over de vele dubieuze duidingen die economen in de afgelopen vijf jaar debiteerden, stroomde mijn mailbox vol. Lezers blijken behoorlijk gefrustreerd over media-economen.

Niet ten onrechte, want economen zaten er gruwelijk naast. Topeconoom Sweder van Wijnbergen adviseerde in 2007 om aandelen te kopen, omdat de beurs ‘hysterisch’ was geworden. Nederlandse banken bezaten volgens hem bovendien ‘bijna geen hypotheek­leningen uit de VS of daarvan afgeleide producten’. Of neem Mathijs Bouman, die in 2010 beweerde dat bezuinigingen als ‘een verjongingskuur’ voor de economie zouden werken. ‘In veel gevallen blijkt een bezuinigingsronde juist het startsein van een periode van relatief hoge economische groei’, aldus Bouman. En last but not least Sylvester Eijffinger, die al zes jaar ronkt over draaiende geldpersen en inflatiespoken, een inflatiegevaar dat zich maar niet wil materialiseren.

Maar het economengilde is niet de enige beroepsgroep die blaam treft voor zoveel dubieuze duiding. De journalistiek bevordert zelf ongefundeerde uitspraken door perverse prikkels af te geven. Voor een geslaagd media-econoom zijn eloquentie en stelligheid belangrijker dan inhoud en nuance. Stellige uitspraken over de toekomst kunnen echter onmogelijk recht doen aan de complexe economische werkelijkheid. Zeker in tijden van crisis waarin de economie in constante flux verkeert. Er zijn zoveel factoren om rekening mee te houden dat elke uitspraak al snel ongenuanceerd is. Maar waar vraag is komt aanbod. Aan de Van Wijnbergens van deze wereld de taak om de illusie te wekken dat ze wel weten wat onweetbaar is.

Maar de rot zit dieper. Economen wekken nogal eens de indruk dat ze verkeerde uitgangspunten hanteren. Neem de Europese Commissie die in 2010 nog prognosticeerde dat Griekenland een jaar later ‘licht aan het einde van de tunnel’ zou zien en dat de groei weer positief ging uitvallen. In 2011 noteerde Griekenland een onbescheiden krimp van 7,1 procent. In de daaropvolgende jaren zat de commissie er steeds opnieuw naast.

Dat is ook een kwestie van een verkeerd model. Volgens de commissie gaat er van ‘permanente bezuinigingsrondes’ een positief vertrouwens­effect uit. Mensen verwachten door de bezuinigingen dat ze in de toekomst minder belasting hoeven te betalen en gaan daarom meteen meer uitgeven. Op basis van dit soort exotische veronderstellingen, alleen begrijpelijk voor mensen die er lang voor gestudeerd hebben, gaat de Europese Commissie ervan uit dat voor elke euro aan ‘permanente bezuinigingen’ de groei met slechts 0,5 tot 0,7 euro afneemt. Volgens het IMF echter kostte een euro aan bezuinigingen Europese landen eerder tussen de 0,9 en 1,7 euro aan groei. Een enorm verschil, dat een groot deel van de verkeerde prognoses verklaart.

Ook hier spelen de media een kwalijke rol, want deze blunders zijn geen aanleiding om het halfjaarlijkse voorspellingsritueel van de Europese Commissie van zijn plechtige karakter te ontdoen. De ongefundeerde prog­noses van eurocommissaris Olli Rehn komen de volgende dag gewoon netjes in de krant. De kwaal van de media is dat het al snel ‘te opinië­rend’ is om duidelijk op te schrijven dat Olli stierenschijt verkondigt. Veiliger is het om stenografisch verslag te doen van de persconferentie, en de prognoses zonder context aan de lezers voor te schotelen.

Journalisten interpreteren waarheidsvinding in de economie vaak als het verslaan van een discussie. Econoom A zegt zus en zo, maar econoom B is het daar niet mee eens. Zo’n discussieframe werkt vaak niet verhelderend. Als een meerderheid van de astronomen zich onverhoopt mocht bekeren tot de ptolemaeïsche sterrenkunde is het nieuws niet ‘meningen verdeeld over centrum heelal’, maar ‘collectieve psychose onder astronomen’. Objectiviteit is niet een evenwicht van autoriteiten, maar een evenwichtige afweging van feiten en argumenten.

In de jaren dertig vond de meerderheid van de economen dat vast­gehouden moest worden aan de gouden standaard en dat begrotingsevenwicht bereikt moest worden. Economische historici zijn het er inmiddels over eens dat honderdduizenden Nederlanders door het rigide valuta- en bezuinigingsbeleid van de regering-Colijn onnodig tot werkloosheid werden veroordeeld. Had men daar als journalist indertijd droogjes het evenwicht moeten bewaren tussen de zeer geleerde heren in het kamp Colijn die het ‘zedelijke begrotingsbeleid’ bepleitten en John Maynard Keynes en anderen die actieve recessiebestrijding voorstonden? Is dat dan waarheidsvinding?

Door alle economische controverse in een discussieframe te gieten stellen de media zich een te beperkte taak. Waarheidsvinding vereist meer dan dat, zeker omdat economische ideeën zulke verstrekkende gevolgen hebben. Economen kunnen wegkomen met stupide uitgangspunten en verkeerde voorspellingen, júist omdat deze naar goed journalistiek gebruik nooit in twijfel worden getrokken. Onwenselijk. Ook voor media-economen zou de meritocratie moeten gelden.