Menno Hurenkamp

Missiedrang

Baby’s zijn weer in the picture. Mijn reisgenoten praatten mij bij. Er was die hoogleraar uit Nijmegen die beweert dat kinderen in een crèche gebrekkig worden. En nota bene Ad Melkert had tot twee keer de verbeterde kinderopvang genoemd, toen men hem naar paarse resultaten vroeg. De oratie van die hoogleraar was toevallig meegekomen naar Zwitserland. Een mooi moment om uit te zoeken of mijn crèchebezoekende zoon voor galg en rad opgroeit.

«Wie het kleine niet eert…» heet het betoog waarmee Marianne Riksen-Walraven onlangs professor in de ontwikkelingspsychologie werd. Ik vermijd even alle jargon — kern van het betoog is dat het voor opvoeders belangrijk is ook heel kleine baby’s actief aandacht te geven. Als je goed getimed tegen ze lacht en praat, ontwikkelt dat deel van de hersenen dat het sociaal gedrag bepaalt zich beter dan wanneer je dat niet doet. Elke opvoeding-voor-dummies zegt dat je vanaf uur u met de wurm aan de slag moet. Over deze ontdekking kon al die heisa niet ontstaan zijn. Het gedoe moet dus worden verklaard uit het feit dat Riksen — op basis van dit inzicht — het opneemt tegen de gewoonte jonge baby’s naar de crèche te brengen. Precies gezegd maakt ze zich zorgen over het feit dat lang niet alle kinderopvang even goed is en sommige zelfs slecht. Een terechte ergernis, maar geen nieuws. Wel presenteert ze het onderzoeksfeit niet exact te weten wat de gevolgen zijn van een verblijf (lang of kort) in een crèche. Dat is het beroemde vriezen-dooienparadigma uit de psychologie. Daar haal je de krant niet mee. Riksen vat die twee boodschappen dus samen door te waarschuwen voor baby’s in de crèche. Een politieke truc.

Je hoeft geen academicus te zijn om het verhaal van Riksen te doorzien. Ze heeft ooit een groep ouders gevraagd hun heel jonge baby extra te stimuleren. Dat schijnen die ouders gedaan te hebben. Op basis van die extra stimulans bleken de kinderen twaalf jaar (!) later een sterker zelfbewustzijn te hebben ontwikkeld. Wat zouden die ouders ondertussen hebben gedaan? De meest onnozele veronderstelling is nog dat die ouders sindsdien als gekken zijn blijven lachen en praten tegen hun kind. De wetenschap had hen immers gezegd dat het goed was voor zijn ontwikkeling. Geen woord daarover.

Riksen citeert Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat langdurig verblijf in de kinder opvang kinderen agressief maakt. Ze zegt dat dit onvergelijkbaar is met Nederland, maar maakt die vergelijking daarna toch. De sociaal-economische en culturele context komt niet ter sprake. Vreemd, want het zal toch verschil maken of je bijvoorbeeld twee rijke ouders hebt of één arme, of je in New York, Amsterdam of Den Briel naar de crèche gaat. Riksen leent ook nog het vocabulaire van de exacte wetenschap, een tragische alfakwaal, en meent vaak dat een ontdekking «iets zou kunnen suggereren». Dat maakt het betoog nog minder overtuigend.

Uit haar slotwoord valt op te maken dat Riksen de universiteit heeft verlaten om kinderen te krijgen en pas jaren later is teruggekomen. Een ironische echo uit de jaren zeventig, toen door de vrouwenbeweging het persoonlijke tot politiek werd verheven, en uit onderzoek steevast bleek dat crèches juist enorm goed waren voor kinderen.