Mission Creep

Minister-president Rutte wil Navo-lidstaten ervan overtuigen dat wapenleveranties aan Libische rebellen niet vallen onder resolutie 1973 van de Veiligheidsraad. Maar wat als ze niet luisteren?

ZEGGEN DAT het tegenwoordig artikel 100- brieven regent in Den Haag klinkt misschien overdreven. Maar twee van die brieven in een week is niet weinig en vijf van die brieven sinds begin dit jaar vinden ook Tweede-Kamerleden veel. Was dat nou vroeger ook zo, verzuchtte een parlementariër laatst, om zelf tot de conclusie te komen dat in de tijd van de Koude Oorlog Nederlandse militairen vooral op oefening waren, maar dat het sindsdien steeds vaker ‘om het echt gaat’.

Het kabinet schrijft een artikel 100-brief als het militairen uitzendt naar het buitenland om daar bij te dragen aan officiële, internationale missies. De twee brieven die de afgelopen weken alle aandacht trokken, gingen over het meewerken aan het handhaven van het wapenembargo tegen Libië en het controleren van de no fly-zone boven dat Noord-Afrikaanse land. Dan is er nog de artikel 100-brief over de politietrainingsmissie in de Afghaanse provincie Kunduz. Over die missie is het laatste woord nog niet gezegd. Het inwilligen van de eisen van GroenLinks en de ChristenUnie mag dan volgens minister-president Mark Rutte op koers liggen, de twee partijen zelf hebben daar nog zo hun vragen bij en zijn wel nodig als het kabinet wil bogen op een meerderheid.

De overige twee artikel 100-brieven zijn voor de buitenwereld welhaast geruisloos gepasseerd. Daarin informeerde het kabinet de Kamer over de verlenging van missies in Zuid-Soedan en Bosnië-Herzegovina. Want formeel hoeft het kabinet slechts te informeren. Brede steun van de kant van de Kamer is echter wel wat elk kabinet zoekt als het Nederlanders uitstuurt om elders hun leven in de waagschaal te stellen om de vrede te handhaven of, zoals in Libië, burgers tegen hun eigen leider te beschermen.

Nu GroenLinks vorige week vond niet te kunnen instemmen met de Nederlandse bijdrage aan het controleren van de no fly-zone boven Libië en zich aansloot bij gedoogpartner PVV en twee andere oppositiepartijen, SP en Partij voor de Dieren, klonk nog iets luider dan daarvoor dat het nu met een minderheidskabinet en al die artikel 100-brieven toch wel een broze zaak is en het beter zou zijn als er een meerderheidskabinet zou zitten.

Knik niet te snel instemmend. Een terugblik leert dat meerderheidskabinetten geen garantie zijn dat het uitzenden van militairen in ieder geval kan steunen op instemming van de coalitiefracties in de Kamer.

In december 2005 stuurde het toenmalige kabinet-Balkenende II een artikel 100-brief over de eerste uitzending van militairen naar de Afghaanse provincie Uruzgan. Coalitiepartner D66 bewoog hemel en aarde om oppositiepartij PVDA mee te krijgen in het afwijzen van die missie. Een opmerkelijke stijlfiguur. Twee jaar later was er wederom een artikel 100-brief over Uruzgan, toen om de missie te verlengen. Inmiddels was de PVDA regeringspartij, ging weer akkoord, maar eiste de toezegging dat het in 2010 écht afgelopen zou zijn in Uruzgan. Begin 2010 probeerde coalitiepartner CDA echter toch om de missie op enigerlei wijze wederom te rekken. Hetgeen leidde tot de val van het kabinet.

Wat in het geval van Libië de steun van de Kamer voor de militaire bijdrage bedreigt, is dat sommige Navo-landen misschien al speciale eenheden in Libië hebben zitten en wapens willen leveren aan de burgers die in opstand zijn gekomen tegen kolonel Kadhafi. Daarmee rekken deze landen de resolutie van de VN-Veiligheidsraad op, in vakjargon mission creep genoemd. GroenLinks vond dat vorige week al te ver gaan, stemde niet in met de Nederlandse bijdrage aan het controleren van de no fly-zone en trok met terugwerkende kracht ook haar instemming in voor het meedoen aan het handhaven van het wapenembargo. Het beschermen van de burgerbevolking onder Navo-commando dreigt volgens GroenLinks, net als destijds in Kosovo, uit te lopen op inmenging in een burgeroorlog. Met alle risico’s van dien.

Twee weken geleden kreeg gedoogpartner PVV hoon over zich heen, omdat het nee zei tegen het inzetten van Nederlandse militairen in Libië. De PVV werd daarvoor hard aangepakt. Dat was uiteraard om te benadrukken dat de PVV totaal anders denkt dan coalitiepartijen VVD en CDA en dus om een zwakte aan te tonen in de gedoogconstructie. Maar een andere reden was, vrij vertaald, dat menigeen in de Tweede Kamer de PVV ervan verdenkt geen helpende hand te willen uitsteken omdat Libië een islamitisch land is. Een opmerking van PVV-Kamerlid Hero Brinkman als 'laat ze het daar toch vooral zelf doen’ versterkte die verdenking, te meer daar de PVV eerder had gezegd de burgerbevolking te willen beschermen.

Twee weken terug zei PVDA-Kamerlid Frans Timmermans dat 'wij met een militaire bijdrage aan de goede kant van de geschiedenis staan’, waarmee hij impliceerde dat de PVV aan de verkeerde kant staat. Grote woorden, die als een boemerang kunnen terugslaan. Want dat Nederland een oorlog in wordt gerommeld, zoals Brinkman het toen uitdrukte, daarvoor zijn inmiddels ook andere fracties bang. GroenLinks verbond daar al consequenties aan. Maar ook CDA en PVDA zeiden vorige week tegen het bewapenen van de opstandelingen te zijn, evenals tegen het aan de grond zetten van troepen.

Wat doet Nederland echter als een Navo-land, zoals de Verenigde Staten, zijn eigen gang blijft gaan en toch wapens levert en speciale eenheden in Libië heeft? Premier Rutte wil daar niet op vooruitlopen. Op als-vragen in de politiek is dat altijd het antwoord. In dit geval is dat extra frustrerend, omdat die opstelling juist kan bijdragen aan mission creep: de zaak zelf loopt immers wél vooruit. Rutte wil echter eerst zijn energie inzetten om de Navo-lidstaten ervan te overtuigen dat wapenleveranties niet vallen onder resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad. Maar wat als dat niet lukt? Trekt Rutte dan alsnog de F-16’s terug?