Missionaris in openbare dienst

‘ALS JE PROBEERT aandacht te trekken door je manier van doen of door het gebruik van parfum, door je verschijning of door je gebaren, dan bewandel je niet de goede geestelijke weg. Vrouwen mogen met hun verschijning geen aandacht trekken. Op straat, zo is de wet, moeten vrouwen hun ogen strak richten op het trottoir.’ Ziedaar de opvatting van de gewezen Rotterdamse bruggenbouwer Tariq Ramadan over het gewenste gedrag van vrouwen in het openbaar. Niet alleen ‘lichtzinnige’ vrouwen moeten het bij hem ontgelden, ook joden, homoseksuelen en ongelovigen. Ketterse praktijken als gemengd zwemmen en gemengd huwen worden veroordeeld in duidelijke en soms krasse termen, gebaseerd op Gods woord zoals neergelegd in Koran en hadith en doorgegeven door Tariq Ramadan.
Dat we dit weten, is de verdienste van de Franse onderzoeksjournaliste Caroline Fourest die eerder onderzoek deed naar de financiering van het Front National en religieus christelijk rechts in haar land. In haar boek Frère Tariq (2004) citeert zij niet alleen een serie audiotapes waarin Ramadan zich richt tot jonge moslims in Europa, zij analyseert ook ’s mans wereldbeeld zoals dat uit de tapes en uit zijn verdere geschriften en uitlatingen naar voren komt. Met aftrek van alle overdrijving waaraan sommige lezers en ook Fourest zelf zich schuldig maken, verrijst niettemin het beeld van een doorgewinterde propagandist van het geloof. Een man die door de schepping van een ‘Europese islam’ zowel Europa als de islam tracht te redden van de ondergang in een economisch dolgedraaide, door etnische spanningen verscheurde wereld.
In zijn boeken en lezingen spreekt Ramadan graag over die Europese islam alsof het gaat om een godsdienst in volle wording, waarvan we hier en daar al ‘succesvolle experimenten’ kunnen meemaken. Over de aard en locatie van die successen spreekt hij met geen woord. Zijn boek Westerse moslims en de toekomst van de islam (2005) bijvoorbeeld is niet meer dan een gedachteoefening waaruit de Europese islam van zijn dromen als een soort Kopfgeburt te voorschijn komt, niet als een realiteit die we kunnen aanschouwen. Zijn voornaamste stelling luidt dat de ‘universele waarden’ die de islam belichaamt heel wel te rijmen zijn met de democratie en de moderniteit in het huidige Europa. Ook over die waarden spreekt hij niet expliciet. Hij roept slechts op tot vage vernieuwingen, zoals een ‘islamitisch feminisme’, tot een Europa-breed ‘universitair onderwijs dat werkelijk in de islamitische traditie is verankerd’ en een ‘nieuw islamitisch geweten’.
Deze vaagheid, in combinatie met de archaïsche uitspraken die hij deed op tapes en soms in het openbaar, heeft hem de reputatie bezorgd van een wolf in schaapskleren. Het is te gemakkelijk om hem te associëren met zijn grootvader Hassan al-Banna, die in 1928 de radicale Egyptische Moslimbroederschap oprichtte, als zou Ramadan in het geheim diens werk voortzetten door jonge Europese moslims te werven voor de jihad. Dat is intellectueel oneerlijk en ook onjuist. Het probleem met Tariq Ramadan is dat hij een islamitisch theoloog is, een schriftgeleerde met alle bekrompen opvattingen van dien. Zowel de gemeente Rotterdam als de Erasmus Universiteit is voorbijgegaan aan de reputatie van zieltjeswinner die Ramadan in Frankrijk en elders heeft opgebouwd, aan zijn zelfverklaarde missie om de islam in heel Europa te verbreiden en de ‘universele waarden’ van zijn godsdienst te doen zegevieren.
De eerste en vooralsnog enige etnische bruggenbouwer die ons land heeft gekend was uit ander hout gesneden: de Leidse antropoloog André Köbben, die in 1976 van toenmalig premier Den Uyl het verzoek kreeg om te bemiddelen tussen de Nederlandse samenleving en overheid enerzijds en de zeer ontevreden en deels militante Molukse gemeenschap anderzijds. Köbben was geen partij in het conflict, hij was expert in conflictstudies en als zodanig bij uitstek geschikt voor die taak, waaraan hij zich dan ook twee jaar met volle overgave heeft gewijd.
Ramadans godsdienstige missie moest vroeg of laat in botsing komen zowel met de wetenschap als met de publieke functie die Rotterdam hem had toebedacht. In geval van twijfel kiest hij onomwonden partij, al moet hij alle bruggen verbranden. Er is een naar precedent uit 2005, toen Ramadan zich aansloot bij de Britse werkgroep Preventing Extremism Together, opgezet na de aanslagen in de Londense metro. Het eerste rapport van PET stelde dat ‘moslims de voornaamste slachtoffers van de aanslagen’ waren geweest. De eerste publieksactie van de werkgroep was het voorstel om de herdenking van de holocaust af te schaffen aangezien deze ‘kwetsend voor moslims’ was. Tegen zoveel onbenul en ongevoeligheid is geen maatschappelijke dialoog bestand. Net als in Frankrijk is hij daarom in Groot-Brittannië steeds minder welkom.
Tariq Ramadan heeft zijn hart en ziel gewijd aan Allah, wiens opdracht hij tijdens een studie islamitische wetenschappen in Egypte ontdekte, blijkens zijn pamflet Een jihad van vertrouwen uit 2008: ‘Nooit zal ik deze opleidingsperiode vergeten, die intensief en moeilijk was, maar ook veel licht en verheldering bracht. Dankzij God heb ik mijn doelen bereikt en sindsdien bleef ik me ontwikkelen door de ontmoetingen die ik had, door het lezen van boeken en natuurlijk ook door het schrijven van artikelen en boeken over de islam in het algemeen en islamitisch recht en jurisprudentie (fiqh) in het bijzonder.’ Ramadan zou wellicht een voorname rol kunnen spelen als adviseur van islamitische instellingen. Voor de rol van bemiddelaar namens de Nederlandse overheid is hij volledig ongeschikt.