Misstap

Als je wakker ligt en hoopt al mijmerend toch in slaap te kunnen vallen, word je bestookt door gedachten die je blijven bezighouden. Over generaties, nieuwe ideeën en het belang van poëzie, bijvoorbeeld.

Vraag niet waarom ik wakker ben, maar wakker ben ik. Ik sluit mijn ogen en probeer nergens aan te denken. Lastiger dan gedacht, denk ik. Het is een uur of drie ’s nachts en dit voelt meer als ontwaken dan als terugzinken in een diepe slaap. Even speel ik met de gedachte maar gewoon op te staan. Een paar uur rommelen in een doodstil huis, wat lezen en misschien een nonchalante e-mail versturen naar iemand die net iets te tevreden is over hoe hard hij wel niet werkt? Erg aanlokkelijk allemaal, totdat ik denk aan dat onvermijdelijke instorten halverwege de dag.

Ik lees op mijn telefoon verder in Sigrid Nunez’ The Friend. In de roman rouwt een naamloze verteller om haar beste vriend, een gevierd schrijver die onverwachts een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Hij heeft haar niet alleen achtergelaten met zijn ondoorgrondelijke en verpletterende afwezigheid, maar haar ook een hond in de maag gesplitst. Een reusachtig exemplaar dat eigenlijk niet met goed fatsoen in haar appartement past.

De schrijver was in alle opzichten succesvol geweest, maar ook op die haast onvermijdelijke wijze een beetje ingehaald door de tijd. Zijn opvattingen strookten niet meer met de nieuwe mores die heersten op de universiteit waar hij doceerde. Dat geldt eigenlijk ook voor de vrouw die ons over hem vertelt. Ze kijkt zonder veel ergernis maar toch met afwisselend verbazing en licht afgrijzen naar de studenten die ze lesgeeft. Het zijn in sommige opzichten vreemde wezens voor haar. Zo scherp als ze hun gevoeligheden kan benoemen, zo onmogelijk blijft het voor haar zich werkelijk in te leven in hun ideeën.

Ook de toekomst, die ons in de vorm van de jeugd tegemoet snelt, is een vreemd land waar ze dingen anders doen.

Het zijn de clichés van onze tijd. Hoe niemand nog iets durft te zeggen uit angst een ander te schofferen. Hoe de vrees onwelkome gevoelens in iemand te doen ontwaken en daarvoor verantwoordelijk te worden gehouden ons ervan weerhoudt vrijuit te spreken. Hoe een beduchtheid die is afgedwongen door de belofte van een publieke afrekening het sociale verkeer lamlegt. Dat je in een klaslokaal waar je over literatuur van gedachten wisselt niet meer over seks kunt beginnen omdat je het gevaar loopt dat iemand het onderwerp zelf als intimiderend zal ervaren – en daarbij geen onderscheid zal maken tussen fysieke of geestelijke intimidatie en de hoogst persoonlijke ervaring te worden geconfronteerd met iets wat ongemakkelijk, overweldigend of beangstigend is voordat het kan worden begrepen of bedwongen.

Je mag verdomme niet eens meer flirten!

Hoe niemand nog iets durft te zeggen uit angst een ander te schofferen

Als ze over haar studenten vertelt klinkt de protagonist niet als een Nederlandse boomer die zich opwindt over de jeugd van tegenwoordig en het grote woke-gevaar. Ze ziet slechts het veranderen van de mores en lijkt te beseffen dat nieuwe ideeën en omgangsvormen altijd op een wezenlijke manier vreemd voor ons zullen blijven omdat ze een andere generatie toebehoren.

Er zit een jongen in haar klas die ze Carter noemt en die iets weg heeft van een cro-magnon. Hij werkt aan een roman, geïnspireerd door het werk van zijn grote held George R.R. Martin, inclusief het gratuite geweld maar zonder de gratuite seks. Althans, dat denkt ze. Want als hij op een dag in haar kantoortje staat vertrouwt hij haar toe dat het er allemaal wel in zit, hoor. En veel ook. ‘Most of it is violent. There is rape. There is gang rape. There is incest.’

Hij peinst er niet over het aan zijn klasgenoten te laten lezen. Hij zou van school getrapt worden, zegt hij. ‘But trust me, it’s all there, he says. All the rough stuff’, zegt hij.

Als de vrouw in een nieuwsbericht leest dat 32 miljoen Amerikaanse volwassenen niet kunnen lezen en dat het potentiële publiek voor poëzie sinds 1992 met twee derde is afgenomen, denk ik aan wat ik een paar dagen eerder op Twitter zag gebeuren. Een dichteres genaamd Danielle Rose verzuchtte dat dichters hun eigen positie in de wereld hopeloos overschatten – dat het grotere publiek geen enkele interesse heeft in wat ze doen en dat ze alleen met elkaar praten. ‘The delusion that poetry is something powerful is a straight line to all kinds of toxic positivities that are really just us lying to ourselves’, schreef ze.

Wat mij vooral toescheen als een open deur werd door honderden mensen opgevat als onvergeeflijk cynisme. Ze waren zo boos dat je je bijna ging afvragen of Rose misschien meer op haar kerfstok had, dierenmishandeling of zo. Alsof dit niet genoeg was deed de hoofdredacteur van een klein literair tijdschrift waar Rose op vrijwillige basis redacteur was weten dat beide partijen in goed overleg uit elkaar waren gegaan. In fictie was zo’n stompzinnige opeenvolging van gebeurtenissen niet alleen ongeloofwaardig maar ronduit ergerniswekkend geweest.

Rose zelf nam het allemaal luchtig op, zo bleek een paar dagen later. De hele affaire was volgens haar sterk overtrokken. Haar was geen leed berokkend en er waren geen slechteriken in dit verhaal, alleen mensen die het niet met elkaar eens waren en de discussie was zelfs vruchtbaar geweest. Maar poëzie, schreef ze, hoeft geen maatschappelijke invloed te hebben om de moeite waard, betekenisvol en belangrijk te zijn.

Ik zou willen zeggen dat ik zo, tevreden mijmerend over relativeringsvermogen en productieve onenigheid, in slaap viel. Maar in plaats daarvan klikte ik op een linkje naar een pijnlijk oppervlakkig essay over cancelcultuur en ‘de nieuwe puriteinen’ in The Atlantic en lag ik nog uren woedend wakker.