Ger Groot

Misverstand-mail

Een vriend stuurt me een mailbericht: «Nare eikel». De schrik slaat me om het hart. Sinds ik in mijn eigen dagblad als een «onaangenaam mens» ben ontmaskerd, kan ik tegen een stootje, maar toch dringt een snel gewetensonderzoek zich op. Iets verkeerds gezegd, gedaan, beloofd? Het bericht, eenmaal binnengelopen, stelt goddank gerust. Vriend is allerhartelijkst en de nare eikel is Theodor W. Adorno, wiens biografie hij aan het lezen is.

Je moet oppassen met e-mails, en niet alleen met de titels daarboven. Voor je het weet zit aan gene zijde van de lijn een gekwetst, verbijsterd of wanhopig mens te puzzelen op de onschuldigste verspreking. Ik zou het aantal vriendschappen niet willen tellen dat spaak is gelopen op het medium dat permanente bereikbaarheid en globale communicatie beloofde, vrijwel gratis en dus binnen handbereik.

Dat is niet de enige paradox van de elektronische post, die het door de telefoon verdrongen briefschrijven onverwacht actueel maakte, zoals in de muziek het obsoleet geachte recitatief plots weer opdook in de rap. Onbeschadigd zijn beide niet uit de strijd gekomen. Vooral de kenmerkende rust is hun gaan ontbreken. Rap werd ademloos onverstaanbaar, de elektronische brief onleesbaar van veelduidigheid.

Je zou bij die laatste het omgekeerde verwachten. Snelle en trefzekere communicatie laat weinig twijfels toe. Krullen, plichtplegingen en versieringen moesten eraan geloven, en vervolgens ook de integriteit van de woorden. Wat korter kon, moest korter ter wille van de effectiviteit. Twee weken geleden heeft Rob van Erkelens dat nog in een Groene-essay laten zien. In de e-mail kwam de brief dan ook alleen maar schijnbaar terug. In werkelijkheid is hij de transcriptie van een telefoongesprek. En dus is een ongelukkig woord daarin geen verschrijving maar verspreking.

En daarmee begonnen de problemen. Niet zozeer omdat dat gesprek altijd eenzijdig is of omdat een verspreking zich zonder de intonatie van de stem, alle inventieve pictogrammetjes ten spijt, maar moeilijk laat onderkennen. Maar omdat taal zelf helemaal niet het heldere en directe medium is waar we haar voor houden. En hoe meer we streven naar eenduidige beknoptheid, des te cryptischer worden de woorden. Niets is veelduidiger dan een korte zin. Dat is het geheim van het orakel.

Sprekend zijn we ons daar niet zo van bewust. Dan zijn we er als de kippen bij om elke ontsporing te herstellen. Maar schrijvend weten we hoe onhandelbaar de woorden zijn en hoeveel we ervan nodig hebben om duidelijk te zijn. De uitvoerigheid van een brief is niet de luxe van een langzaam levende tijd waarvoor ze vandaag gehouden wordt.

Ik heb die wijsheden niet zelf bedacht. De filosoof Derrida formuleerde ze al in de jaren zestig. Maar de waarschuwingen ervan worden eens te actueler met de elektronische post die geschreven wordt alsof ze gesproken woord was en zo het slechtste van beide samenbrengt. E-mail is schrift dat onmiddellijk arriveert en van de weeromstuit vergeet dat zijn betekenis daarmee nog geen onmiddellijke, fout- en weerstandsloze communicatie is, naar het model van de telepathie.

Die droom is deels de sleutel van zijn succes en tegelijk de oorzaak van zijn catastrofe. Wie aan de traagheid van de woorden denkt te zijn ontsnapt, zoekt bij een verontrustende toon in de boodschap de oorzaak niet snel meer in het feilen van het medium. Dan moet er aan de andere kant van de lijn iets grondig mis zijn.

Wanneer e-mail onbekommerd de brief vervangt, wordt de beknoptheid van de mededeling («Over half uur thuis») het model van de gedachte-expressie, die vraagt om tijd en omhaal. Zelfs in romans wordt vandaag de dag weinig meer gecorrespondeerd. José Manuel Prieto, van oorsprong Cubaan, heeft in Nachtvlinders van het Russische Rijk (Anthos) alsnog geprobeerd een roman te schrijven rond een briefwisseling. Clandestiene handel en clandestiene liefde aan de zuidrand van de vroegere Sovjet-Unie zijn nu eenmaal geen setting voor e-mail of een chatroom.

Maar ook daar gebeurt op een terras het onvermijdelijke: een jongen met een laptop. «Ik zag hem», vertelt Prieto, «vijf brieven schrijven in minder tijd dan ik nodig had om een alinea van de Brieven van Sint-Hiëronymus over te nemen. ‹Ik heb even een paar vrienden geantwoord›, zei hij.»