München te gast in Amsterdam

Mit Pauken und Trompeten

Het toneelensemble van de Münchner Kammerspiele bezet een week lang de Amsterdamse Stadsschouwburg. De Nederlander Johan Simons is er artistiek directeur, en dat zullen wij weten ook.

München – Advies aan de toneelliefhebber die reist naar deze stad: keer, staande op de Max-Joseph-Platz in het hartje van het stadscentrum, uw rug toe naar de beroemde Altstadt (met hét symbool van München, de twee torens van de Frauenkirche) en u ziet als het ware in één oogopslag het panorama van de toneelgeschiedenis van deze stad. Schuin links ligt de oude hofresidentie met daarnaast het nationale thea­ter (waar nu de opera en het ballet gevestigd zijn), daartussen ligt het (foeilelijk) herbouwde Residenztheater voor toneel (ruim duizend zitplaatsen) – alles bij elkaar was dat ooit het thea­terdomein van de Zuid-Duitse vorstenhuizen en de landadel, die samen met de krankzinnige koning Ludwig II ruim 125 jaar geleden kopje onder gingen. Langs het operagebouw loopt de Maximilianstrasse, waar op nummer 26-28 het eind-negentiende-eeuwse, grootburgerlijke antwoord ligt op die toen dominante Beierse hofcultuur: het Schauspielhaus van de in 1911 opgerichte Münchner Kammerspiele, het intieme in Jugendstil opgetrokken toneelhuis (540 plaatsen) waarin de gegoede burgerij indertijd de stukken (Hedda Gabler, Freule Julie, Frühlingserwachen) en de auteurs (Henrik Ibsen, August Strindberg, Frank Wedekind) wilde zien die in de zalen van het Beierse staatstheater geen schijn van kans hadden. Aan het eind van de Maximilianstrasse ligt in de Isar het ­Praterinsel, het eiland waar de spilzieke koning Ludwig II het operagebouw voor zijn protégé Richard Wagner had willen bouwen, een plan dat voor de Beierse regering een brug te ver bleek en het begin markeerde van het einde van de koning, die vervolgens tandenknarsend moest toezien hoe ‘zijn’ Festspielhaus in Bayreuth verrees.

München (1,4 miljoen inwoners) heeft dus twee toneelgezelschappen. Het Bayerisches Staatsschauspiel is veruit het grootste gezelschap en wordt sinds medio 2011 geleid door een nieuwe directeur uit Oostenrijk, Martin Kusej, voor in de vijftig, als toneeldirecteur (‘intendant’ heet dat hier) onervaren, hier in Nederland vooral bekend als operaregisseur. Het kleinere gezelschap heet de Münchner Kammerspiele, artistiek altijd haantje de voorste geweest en sinds 2010 onder leiding van de Nederlandse toneelmaker Johan Simons, een ruime zestiger die in de Nederlanden al drie gezelschappen onder zijn hoede heeft gehad. Met vier stukken uit het repertoire, twee geënsceneerde tekstlezingen en een voor de gelegenheid gemaakte eenling-voorstelling staat de Kammerspiele nu een kleine week in volle bepakking in de Amsterdamse Stadsschouwburg, onder de al eerder bedachte, gebruikte en uitgewoonde ­verzameltitel Brandhaarden.

Kusej en Simons openden hun toneelregime aan de onderscheiden Münchner ­toneelhuizen met het ten tonele voeren van twee Beierse helden: de lepe maar over zijn ijdelheid struike­lende politicus van het rechtse zusje in de familie van Duitse christen-democraten, de csu-kanselier en brokkenpiloot Franz Josef Strauss (1915-1988). En de in depressies en waanzin wegkwijnende koning Ludwig II van Beieren (1845-1886). Kusej liet een stuk over Strauss schrijven dat onder de titel Halali (de kreet die het einde van de jacht aankondigt) een gekkenhuisfarce toont waarin de frauduleuze zoon van Franz Josef Strauss een soort tbs ondergaat, in de inrichting een Beier ontmoet die denkt dat hij de reïncarnatie is van fjs zelve, en een oud-journalist tegen het lijf loopt die jarenlang jacht maakte op de ex-kanselier; alles onder toezicht van een geneesvrouw-directeur die nog leiper is dan de meeste van haar patiënten. U raadt het al, Halali werd een toneelavontuur dat evenveel kans op succes had als een sneeuwbal in de hel.

Simons pakte het met zijn Beierse held slimmer aan: hij vroeg in 2010 zijn Nederlandse collega Ivo van Hove het filmscenario van Luchino Visconti over de ondergang van de Beierse koning Ludwig II (de film Ludwig uit 1972) op het toneel na te vertellen, met de in München bewonderde en geliefde Nederlandse toneelspeler Jeroen Willems in de titelrol. En verdomd, de productie Ludwig II viel hier in tamelijk goede aarde en is straks twee avonden in de Amsterdamse schouwburg te zien. Als stuk heeft het niet veel om het lijf, eigenlijk wordt vrij mat het filmscenario naverteld. Wat wel aardig uit de verf komt is de pretentie om in het hoofd van de malende vorst rond te neuzen. Wat goed lukt, zowel in het spel van Jeroen Willems en de hem omringende toneelspelers als in de inktzwarte nachtsfeer die de vormgeving van Jan ­Versweyveld kenmerkt, is het tonen van de fuik van staatsraison en persoonlijke beknotting waarin de koning terechtkomt. Ronduit beklemmend is het moment waarop de politici hem handelingsonbekwaam verklaren, waarna de radeloze vorst een piano aan gort slaat en vervolgens met zijn hofarts uit wandelen gaat. Zoals hij de hele avond door camera’s wordt bespied, zo volgen we hem ook nu: jas en paraplu worden bij de garderobe opgehaald, in de stromende regen wandelen ze de straat uit, op weg naar een duister Niets, de verdrinkingsdood, zo weten we nu. Als de camera ten slotte wijkt zien we dat de stromende regen uit een mobiele douche komt. Arme Ludwig! Alles gelogen, alles kunstmatig en in the end ook nog eens: alles nep.

Johan Simons neemt twee producties van eigen hand mee naar Amsterdam, Winterreise, een nieuwe tekst van Nobelprijs-drager Elfriede Jelinek, en een marathon met de drie laatste stukken van de in 1999 gestorven Britse schrijver Sarah Kane (beide producties zijn uitgebreid besproken in De Groene van respectievelijk 28 september 2011 en 22 februari 2012). Verder brengt het ensemble van de Kammerspiele de eerste twee afleveringen van een eigenzinnige (her)lezing van Geert Maks boek In Europa, getiteld Hotel Europa. Simons wil zich graag profileren als kosmopolitisch en politiek toneelmaker, daarom is het jammer dat hij zijn eerste pan-Europese theaterproject niet mee naar Amsterdam neemt: Three Kingdoms (2011), een ingenieus gemaakte en drietalig gespeelde, lepe thriller over internationale vrouwenhandel, met acteurs uit Londen, Tallin en München. Maar goed, dat is een regie van iemand anders, wat we te zien krijgen is sowieso een selectie, een fractie van wat het gezelschap in huis heeft. Er staan op het moment immers wel zo’n veertig (!) stukken op het repertoire van de Kammerspiele, tien uit de periode van Simons’ voorganger Baumbauer (2001-2009), dertig ontstaan en bedacht in de afgelopen anderhalf jaar. Het leeuwendeel van deze projecten is ontwikkeld voor het Schauspielhaus, een lijsttoneel in een intieme zaal met één (hoefijzervormig) balkon en een speelruimte waarop werkelijk alles lijkt te kunnen, met een enorme technische ploeg die dat mogelijk moet maken en veertig vaste acteurs die het repertoire avond aan avond spelen. De directie van het ensemble stelt ongeveer per twee maanden ook het speelprogramma op van dit Schauspielhaus (en de twee kleinere zalen erachter).

Behalve een enkel Gastspiel (zoals dat in Amsterdam) reist het ensemble niet. Het ontvangt jaarlijks zo’n vijf tot zeven keer de subsidie van een middelgroot stads- of regiogezelschap in Nederland. Het contractueel met de stad München overeengekomen percentage aan eigen inkomsten uit de kaartverkoop ligt rond de zeventien procent (ter vergelijking: in Nederland wordt dat vanaf 2013 ongeveer 25 procent). En een absurde en abrupte korting op de overheidssubsidie van rond de dertig procent, die het Nederlandse toneel vanaf 2013 zal treffen, is in München (in vrijwel heel Duitsland trouwens) politiek volstrekt ondenkbaar. Jaloersmakende voorwaarden voor het toneel. En de mythevorming is navenant. Zo zouden de zalen in München bijvoorbeeld altijd vol zitten. Vergeet het maar! Het aan de man brengen van ‘moeilijk’ toneel is hier net zo’n taai gevecht als in Nederland. Met dit verschil dat er in Duitsland een vangnet van overheidsondersteuning bestaat voor het uitbrengen van een niet hapklaar geserveerd kunstaanbod.

But there’s a flip side to that coin. Spannende toneellaboratoria als Frascati en de Toneelschuur kent men hier niet. Toneelspelerstroepen als ’t Barre Land, Dood Paard en Carver zijn hier net zo ondenkbaar als de wijze waarop Discordia het wereldrepertoire doorzoekt of MC en De Nieuw Amsterdam de rafelranden van de multiculturele samenleving theatraliseert. Wanneer Hein Janssen in de Volkskrant (2 maart) zurig opmerkt dat de Münchner Kammerspiele het godzijdank niet, zoals hier in Nederland, nodig heeft om het ernstige toneel op te leuken met Marc-Marie Huijbrechts, de Ashton Brothers, Niet Uit Het Raam, Raoul Heertje of Ellen ten Damme, dan waag ik daarop te antwoorden: dat type artiesten kénnen ze bij onze oosterburen helemaal niet. En als ze er wel zouden rondlopen, reken maar dat ze heel snel voor producties van het gesubsidieerde toneel werden gecontracteerd. Leer mij de Duitsers kennen. Zeker met van die goocheme Sallie’s als Johan Simons aan het hoofd. Die het overigens goed doet, door de toneelspelers op handen wordt gedragen, zelf twee tot drie ensceneringen per seizoen wil blijven maken, wat overigens lastig te verenigen is met de organisatorische kanten van zijn omvangrijke werkzaamheden. De Kammerspiele reist in mei ook af naar het jaarlijkse toneelfestival Theatertreffen in Berlijn, met twee voorstellingen: de Sarah Kane-marathon, die ook naar Amsterdam komt, en Macbeth (2011) in de regie van Karin Henkel, een enscenering die het op het thuisfront bar moeilijk heeft. Vreemde voorstelling ook: een vrouw in de rol van Macbeth, waarom precies, vraag het me niet, tikje louche tekstbehandeling, veel ruis die men hier postmodernes Getue pleegt te noemen. Niet alleen de pers was er niet dol op, ook het publiek blijft vooralsnog vooral weg; de productie moet de hearts & minds van de Münchenaren nog bereiken en het is zeer de vraag of dat gaat lukken.

De Duitse toneeljournalistiek is niet mals, er lopen ook gehaaide tegenstanders rond van wat Johan Simons hier wil: een theater met een open oog voor jong talent uit heel Europa en met een repertoirekeuze gemaakt met de vinger op de polsslag van de tijd. Maar gezegd moet worden dat theaterkritiek hier ook op hoog niveau wordt bedreven, de dames en heren doen hun huiswerk, men schaamt zich niet voor een zeker academisch niveau in de artikelen en men wentelt zich niet in particulier gemuts en tuttig geneuzel met oordeeltjes, smaakjes en sterretjes. De Duitse theaterkritiek draagt derhalve bij aan een toneelklimaat waarin het discours op prijs wordt gesteld. En dat is het klimaat dat Johan Simons hier moedwillig heeft opgezocht. Mit Pauken und Trompeten zoals de Duitsers zeggen. Daar kun je feestelijk mee ontvangen worden. En je kunt er ook mee durchfallen.◆


Brandhaarden, Stadsschouwburg Amsterdam 15 t/m 20 maart, www.ssba.nl/brandhaarden