Mitte

Toen de Muur viel en wessies Oost-Berlijn begonnen op te kopen, vreesden de ossies voor hun woningen. Maar zelfs nu uit Bonn een leger nieuwe burgers is gearriveerd, staan nog talloze panden in het Oost-Berlijnse centrum leeg.

DE NIEUWE WAGONS van de S-Bahn knarsen bij de scherpe bochten van de Spree. Ze knarsen net zo hard als de oude wagons, waarmee de Oost-Duitse stadstrein tien jaar geleden door het niemandsland rond de Muur raasde. Midden in die modderpoel met wat onbestemde stalen en stenen uitsteeksels stond destijds de Rijksdag als een rots in de branding. Nu wordt het zicht op de Bondsdag, zoals de top van de Berliner Republik het gebouw noemt, verstoord door de riante ambtszetel van de bondskanselier en de bouwputten van de regeringskantoren. Gierend komt de S-Bahn tot stilstand in station Friedrichstrasse, Berlijn-Mitte. Voor de val van de Muur begon hier voor de reiziger een eindeloze dwaaltocht langs gelige tegelmuren en grauwe controleposten. Het traject naar de uitgang is nog even eindeloos, maar loopt nu door gangen van blinkend marmer en met bloeiende fastfood-landschappen.
In de zomer van 1990, toen stoere mannen gaten hakten in de gele tegelwand die het interne Oost-Duitse verkeer in het station van de westelijke bezoekers scheidde, werd op de tegenoverliggende wand al nieuw onheil aangekondigd. KOHLoNIE, stond er met rode verf. En het Rijnlandse Bonn had in 1991 amper beslist het land vanuit Berlijn te komen besturen, of het station verwelkomde de invasie met ferme letters: Ausländer rein - Rheinländer Raus.
In de jaren die volgden bereidde het nieuwe stadscentrum zich voor op de komst van duizenden goedbetaalde ambtenaren. Het stadsdeel Mitte bestrijkt een enorm gebied: met grote lege vlakten, met statige Pruisische gebouwen, met statige DDR-gebouwen en ertussen gekwakte DDR-flats, met restanten van het vooroorlogse vermaakcentrum en van de oude joodse volksbuurt. Ook de grote wijk ten noorden van Mitte, Prenzlauer Berg, is deel van het nieuwe centrum. Hier overheersen panden van rond de eeuwwisseling, die aan de straatkant onderdak boden aan burgers, op het eerste achterhof aan geschoolde arbeiders en op het tweede achterhof aan het lompenproletariaat.
In Mitte en in Prenzlauer Berg waren de afgelopen jaren talloze leuke momentopnamen te maken van oude panden. De ene helft was fraai gerenoveerd, met nieuwe gietijzeren balkonnetjes, en met op de afgerasterde helft van het binnenhof jonge bomen, moderne houten afvalhokken en zitjes. De andere helft van zo'n pand zag eruit alsof de oorlog zojuist was beëindigd, met een provisorisch dichtgeplamuurde voorgevel en een hof waar je een horrorfilm zou willen opnemen. De goed belichte kant stond leeg en was bestemd voor de Bonners, en in de oude duistere opgangen woonden de ossies. Het waren veelal jonge mensen, die de potenties van de vervallen panden in het Oost-Berlijnse centrum al vóór de Wende hadden ontdekt. Een aantal wessies uit de scene had zich na 1989 bij hen gevoegd. ‘Over vijf jaar zijn we allemaal uit onze woningen verdreven’, somberden ze rond 1995. Naast hun illegale kelderbar in de Tucholskystrasse, waarvan de toegang bestond uit een grote tegel op de stoep die ’s avonds laat werd gelicht, was toen al de yuppentent met het parmahamgebeuren verschenen. Bodemspeculatie, prijsopdrijving, woningnood - dat leek het lot van dit deel van Oost-Berlijn.
IK LOOP STATION Friedrichstrasse uit, de Spree-brug met de adelaar over en het nieuwe stadscentrum in, dat het lokkertje moest worden voor de Bonners en hun West-Berlijnse paladijnen. Spandoeken schreeuwen van frisgeverfde gevels: Huur mij! Zo ver als het oog reikt wordt splinternieuwe en chic gerenoveerde kantoor- en woningruimte aangeboden. Hoe dieper in Mitte, des te groter en veelzijdiger wordt het aanbod. DDR-grauwe panden met tientallen woningen smeken met slijmerige teksten om kopers en zelfs lege vlakten strekken de armen uit naar potentiële ko pers. In Prenzlauer Berg is het beeld al niet anders. Is het bruisende nieuwe hart van de hoofdstad, de super A-locatie rondom de regeringsgebouwen, in de uitverkoop?
Erop af! Al aan de Friedrichstrasse, vlakbij het station, kan ik verschillende luxe gerenoveerde maisonnettes met dakterras huren voor twaalf- à dertienhonderd mark - over twee weken op te leveren. Het blijkt zelfs makkelijk genoeg de huurprijs met nog een paar honderd mark te verlagen. We komen er samen wel uit, zegt de Immobilien-firma. Sociale woningbouw is er amper in Mitte, maar voor een sociaal prijsje kan ik op stand wonen: aan het Spui of de Grote Markt van Oost-Berlijn. Nog voor de avond valt, heb ik in de Oranienburger Strasse, vlak naast de synagoge vier appartementen met eikenhouten parket en inbouwkeuken gekeurd. Ze kosten 750 tot twaalfhonderd mark all-in, bij groottes van vijfendertig tot zestig vierkante meter. De tram raast voorbij. De Oranienburger bruist dag én nacht en dat is niet aan iedereen besteed. Wie echt duur en rustig wil wonen, kiest een penthouse op een daketa ge of aan een van de binnenhoven. In Prenzlauer Berg vind ik vele nog goedkopere gerenoveerde huurwoningen, onmiddellijk en zonder vestigingsvoorwaarden te betrekken. Ook staan in de wereldstad appartementen te koop voor prijzen waar een kooplustige in Amsterdam van droomt.
De verkopers en verhuurders van al dit moois hebben hun panden voor een appel en een ei gekocht. De saneringskosten hebben ze met monumentensubsidies, allerlei geintjes als eco- en groensubsidies, en enorme aftrekposten flink kunnen terugbrengen. De staat financiert in feite het pensioen van de huisbezitter, klagen de bezitlozen. Terwijl driekwart van Prenzlauer Berg nog gerenoveerd moet worden en het aanbod dan helemaal gigantisch wordt, zijn de huurprijzen er inmiddels zo gedaald, vertelt de koopster van een oud pand, dat ze zelf geen kans heeft in een van haar opgeknapte appartementen te gaan wonen. De oude huurders kunnen, met subsidie, de nieuwe huur opbrengen en blijven. Ook het aanbod van kantoor- en bedrijfsruimte rijst de pan uit. In heel Berlijn staat naar schatting anderhalf miljoen vierkante meter werkruimte leeg, gerenoveerd en wel.
Waar zijn de massaal toegestroomde Bonners dan gebleven? Schichtig loopt een enkel mantelpakje en gebloemde rok in de buurt van station Friedrichstrasse, om zo gauw mogelijk weer uit het straatbeeld te verdwijnen. Ze vinden het maar griezelig in het Oost-Berlijnse centrum, de BonnerInnen. De meeste van hen zijn in de Speckgürtel gaan wonen, de groene strook om de stad. Ook Oost-Berlijnse ouderen en gezinnen met kinderen kiezen voor een verkassing staduitwaarts, naar de voorsteden en oude dorpen aan de stadsrand. De binnenstad vinden ze na de Wende veel te druk geworden, veel te stads. Deze ossies halen zelfs hun neus niet op voor de gerenoveerde Plattenbau buiten het centrum, de standaardflats die in de DDR-jaren om hun minuscule afmetingen werden aangeduid als ABS, Arbeiter- und Bauernschliessfach.
OOK DE WEST-Berlijners willen maar mondjesmaat wonen in het nieuwe centrum. Toen ze hun stad eindelijk aan de andere kant uit konden rijden, gingen ze massaal op jacht naar leuke stulpjes op het land. Wat moeten ze met een nieuw centrum? Een keertje winkelen misschien. Ze hebben al zoveel centra in West, in elk stadsdeel minstens één. En daarbij herbergt Oost-Berlijn een andere mensensoort. Een die ze, naar de gebeurtenissen van exact tien jaar geleden, met Novemberdeutsche aanduiden. Op de regionale Brandenburgse tv-zender zien ze de herhalingen van het DDR-journaal Aktuelle Kamera van precies tien jaar geleden en constateren ze tot hun verbijstering dat de DDR-nieuwslezer met nauwelijks verholen vreugde meldt dat in de BRD de varkenspest is uitgebroken. Tussen zulke griezels wil je toch niet wonen?
Vanuit de S-Bahn lijkt de 350 vierkante kilometer die Oost-Berlijn beslaat een amorfe massa van bebouwing, leegte, groen, bebouwing, leegte, groen - in een eindeloze reeks. Al hadden alle Bonners er willen wonen, dan waren ze nog onzichtbaar geweest. In de bijna negenhonderd vierkante kilometer die de Duitse hoofdstad groot is, staan een kleine twee miljoen woningen voor drieënhalf miljoen mensen, waarvan tien procent koopwoning. Sinds 1990 zijn in het centrum van Berlijn honderdduizend woningen gebouwd of weer bewoonbaar gemaakt. Omdat er ook honderdduizend mensen zijn weggetrokken uit de binnenstad, is er een overschot van tweehonderdduizend woningen.
De West-Berlijnse yuppen, alleenstaanden en stelletjes die te hard werken om zich te kunnen ergeren aan eventuele ossie-buren, profiteren wel van woonparadijs Oost-Berlijn. Maar hoe rooskleurig is nu precies de positie van die ossie zelf? In Prenzlauer Berg woonden rond de Wende 170.000 mensen, veelal in krotten. Er zijn maar liefst drie gemeentelijke huurderadviesbureaus in de wijk. 'Dat danken we aan de grote angsten die hier begin jaren negentig heersten en aan de vele assertieve Prenzelbergers’, zegt het hoofd van die drie bureaus. 'De hamvraag was: zouden de bewoners de huren in hun opgeknapte woningen nog wel kunnen betalen? We hebben het onlangs onderzocht. De helft is teruggekeerd in de oude woning, gemiddeld met de gunstige huur van nog geen zes mark kaal per vierkante meter. Voor 750 mark heb je dan zo'n tachtig vierkante meter, midden in de stad. Het grootste deel van de andere helft wilde zelf de buurt uit. Ja, dat valt reuze mee, gezien al die schrikverhalen over duizenden guldens huur. Die slaan op de paar trendy pleintjes en de daketages. Berlijn heeft een ongelooflijke hoeveelheid regels in het leven geroepen die de rechten van de huurders in het saneringsgebied Prenzlauer Berg beschermen.’
'Hoho. Het hangt van je perspectief af hoe positief je de situatie inschat’, zegt het hoofd-Berlijn van de Duitse Huurdersbond. 'Vergeleken bij München of Frankfurt zijn hier inderdaad overschotten aan woonruimte en kantoorruimte. In München liggen de prijzen tweemaal zo hoog als in Oost-Berlijn. Maar daar zijn de gemiddelde inkomsten ook hoger. Vijftien procent van de Berlijners is werkloos. Sommigen moeten van duizend mark rondkomen, velen van dertienhonderd. Voor achthonderd mark huur je weinig bijzonders. Natuurlijk, ze krijgen huursubsidie. Maar juist die dreigt door de rood-groene bezuinigingspolitiek in het nauw te komen.’
ALS JE DE CONCLUSIES van beide huurderbelangenorganisaties middelt, moet er flinke armoe heersen onder de Oost-Duitse populatie van Prenzlauer Berg. 'Onzin. Er is hier geen woningnood, ook niet voor mensen met weinig geld.’ De dertigjarige ossie die vóór de Wende in Mitte woonde en nu met zijn vriendin in Prenzlauer Berg, vindt dat hij kan weten hoe het echt zit. 'Wij werken beiden en wonen met zo'n elfhonderd mark relatief heel duur. Onze vrienden in Prenzelberg, en ook die in Mitte, zijn veel goedkoper uit. Voor vijfhonderd mark gerenoveerd, vijftig vierkante meter. Voor zevenhonderd mark ongerenoveerd, 120 vierkante meter. Weet je welke denkfout de Huurderbond maakt? Die hoge prijzen zijn van de sociale-woningbouwsector. Maar die instantie loopt jaren achter de praktijk aan. Het is veel goedkoper om op de vrije markt te huren.’
Horden toeristen worden door de ooit zo pittoreske hoven van Mitte geleid. Ook slenteren ze in die ene straat van Prenzlauer Berg die als pronkstuk door de DDR was gerenoveerd en barst van de 'antiek’-winkeltjes. Zeker, het is gezellig in het nieuwe centrum. De ooit legendarische boulevard Kurfürstendamm in West-Berlijn is een dooie boel vergeleken bij de couturezaken, grand cafés en galeries die tenminste nog enige lege panden vullen in het immense gebied tussen Friedrichstrasse en Unter den Linden, tussen Invalidenstrasse en Danziger-, voorheen Dimitroffstrasse. De beide stadsdelen hebben door dit soort bestemmingen echter veel van hun oude identiteit prijs moeten geven.
'Enkel een blinde spreekt nog van de kunstenaarswijk Prenzlauer Berg’, zegt de eigenaar van de kleine kritische boekhandel in de Rykestrasse. 'Begin jaren negentig was het altijd druk. Nu mag ik blij zijn wanneer ik een ansichtkaart verkoop. Er komen allemaal jonge wessies langs in de buurt, maar enkel voor de cafés. De enige kunst waar ze verstand van hebben is de reclame. Ze scheuren met hun Porsches over straat en parkeren op de stoep. Er is geen parkeerbeleid, er is geen vestigingsbeleid voor cafés, er is überhaupt geen beleid.’
De nieuwe horecagelegenheden van de laatste paar jaren zijn niet alleen ontelbaar, ze zijn ook volstrekt inwisselbaar. Alleen het café naast de boekhandel springt eruit: door zijn naam Seeblick, die onder de stoeptegels het strand doet vermoeden, en door de opvallende roodgroen gekleurde eenheid die de horeca met het woondeel van het pand vormt. 'Ik bof’, zegt de boekhandelaar. 'Dit alles wordt beheerd door de Mietergenossenschaft SelbstBau, een coöperatie van huurders die twaalf panden in bezit of beheer heeft. De bewoners hebben hun huizen zelf opgeknapt, met dank aan een subsidieregeling uit de jaren tachtig die West-Berlijn had gecreëerd om gekraakte huizen uit de illegale sfeer te krijgen. Daardoor zijn de huren laag en blijven ze dat ook.’
ER KOMT EEN klant, maar het blijkt een dame van American Express. De boekhandelaar laat zich willoos lid maken van de creditcardclub, in naam van de vooruitgang. 'Eigenlijk wil ik de types die zo'n ding bezitten hier helemaal niet binnen hebben.’ Van de kleine, alternatieve winkeltjes die vlak na de Wende in Prenzlauer Berg huisden, zijn er bar weinig over. Tussen de cafés zie ik vele smerige, gesloten rolluiken. Ik loop kilometers om een pak melk te vinden - vergeefs. 'Sinds het enorme nieuwe winkelcentrum aan de rand van de wijk is geopend, is hier niks meer te verdienen’, zegt de eigenares van de kapsalon bij de Danziger Strasse, een eenpersoonsbedrijf in zichtbare doodsstrijd. 'Wie wat uit te geven heeft, raast met de auto voorbij en koopt alles tegelijk, eenmaal per week.’
Er wordt inderdaad opvallend weinig gelopen in Prenzlauer Berg. Dat was vroeger wel anders, zegt de kapster. 'Maar al in de eerste vijf jaar na de Wende zijn veel kleine winkeltjes gesneuveld, omdat het voetvolk plaatsmaakte voor de auto en omdat de huren westers werden. Nu zijn ze lager - te laat. Voor de bescherming van kleine bedrijfjes is er helaas geen subsidie.’ Ik moet vijfentwintig mark betalen voor tien dode punten.
Slechts een klein deel van 'oud-Oost’ is saneringsgebied, met alle aandacht en stimuli van dien. Er zijn vele zwakkere oude buurten in Oost-Berlijn met minder economische potenties en minder strijdbare bewoners. Daar woont men slecht en goedkoop. Maar de echte probleemgebieden liggen momenteel in West-Berlijn. Dat zegt het hoofd-Berlijn van de Duitse Huurderbond en dat zegt ook het hoofd van de drie huurderadviesbureaus in Prenzlauer Berg - beiden West-Berlijners. In West-Berlijn is vijftien procent van de mensen werkloos, net als in Oost-Berlijn. Kreuzberg, Wedding en Neukölln, alle in West, dreigen de grootste achterstandswijken te worden. Daar zijn geen extra subsidies, daar zijn geen drie huurderadviesbureaus. In de 'tweede Turkse stad van Europa’ Kreuzberg heeft, na een opleving als alternatieve buurt in de jaren tachtig, de gettovorming nogmaals toegeslagen - heviger ditmaal. Het gemiddelde opleidingsniveau is er erbarmelijk, evenals het niveau van het onderwijs. Berlijn ziet een andere tweedeling tegemoet dan die tussen wessies en ossies.
Deze serie is tot stand gekomen met een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.