TONEEL

Mitten im Whisky

Mahagonny

Songspiel Mahagonny (1927) was een scandaleus product uit de in de jaren twintig snel groeiende ‘fabriek’ voor anti-opera en antitoneel van de dichter Bertolt Brecht (geboren in 1898) en de componist Kurt Weill (hij was van 1900). Het Songspiel duurt nog geen half uur en is samengesteld uit de 'Mahagonny-Lyriek’ in Brechts dichtbundel Hauspostille (zijn poëzie uit 1916-1925, uitgekomen in april 1927). Weill schreef de muziek zo snel dat de wereldpremière van Mahagonny kon plaatsvinden op 17 juli 1927, tijdens het festival Deutsche Kammermusik Baden-Baden, een zomertreffen voor kuuroordchique, die het in een boksring gespeelde stuk met veel misbaar weg-boe-de. Het zou de basis vormen voor de volgroeide opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny (1929), de opvolger van het veruit beroemdste muziektheater van het tweetal, Die Dreigroschenoper (1928), binnenkort door het Nationale Toneel opgevoerd.

Songspiel en opera gaan over een verzonnen stad voor gedesillusioneerde patjepeeërs, een nep-metropool die zich net zo vaak vermenigvuldigt als het teleurgestelde plebs en waar dus nooit iemand in wat dan ook bevredigd wordt. Een puik thema voor nu, moet toneelmaker Matthijs Rümke hebben gedacht. Hij verbond zich met vertaler/tekstschrijver Tom de Ket en componist en Weill-kenner par excellence Willem Breuker (1944-2010) en diens muziekensemble, en zo ontstond de double bill Mahagonny Songspiel & Het lied van de stad, een mooie investering in modern muziektheater en ook een initiatief dat we onder het kunstregime van Halbe Zijlstra niet meer zullen zien, want dat wordt onbetaalbaar. Dus dames & heren, neem het ervan zo lang het nog kan!
'An einem grauen Vormittag/ Mitten im Whisky/ Kam Gott nach Mahagonny/ Mitten im Whisky/ Bemerkten wir Gott in Mahagonny’. Van die geweldige teksten dus. Op topmuziek! Songspiel Mahagonny is een uitermate inventief half uurtje muziektheater op twee karren, voor zes zangers, zes met tekstborden manipulerende stofjassen en het Breuker Kollektief, waarbinnen de altijd wat monkelend-stralende aanwezigheid van Willem nog immer node wordt gemist. Daarna zetten de karren zich in beweging en blijken onderdeel van een soort hobbelende trein uit een attractiepark, die rondjes rijdt en ons voert langs het leven van de ontevredenen, de aan-de-kant-gezetten, de uit de boot gevallen mensenkinderen anno 2011, vormgegeven door de toneelspelers van het producerende Zuidelijk Toneel en door amateurs uit de steden die de productie aandoet.

Het lied van de stad, want zo heet dat tweede deel, is een modern wagenspel-in-afleveringen, zoals we dat kennen uit de late Middeleeuwen tijdens het carnaval. Effectief, sterk gedaan, recht voor z'n raap, geen flauwekul of verspilde energie en nog steeds met mooie composities van het Willem Breuker Kollektief en de maestro zelf. Han Kerckhoffs vervangt in dit deel het licht nostalgische chagrijn van Breuker, het deel dat ik zag (Breda) eindigde met een mooi ingeleid trommelduet van hem met een Bredaas pubermeisje binnen het overweldigende slotnummer. Verder speelden onder anderen Nanette Edens en José Kuijpers mooie potjes mimicry-toneel en reed het dameskoor Bocca Bella ('mooie mond’) voorbij en een schoolklas onder leiding van Lucas De Man. Deze ongetwijfeld zeer arbeidsintensieve formule werkt ook erg goed als klantenbinding en in dat opzicht zou Halbe Zijlstra eens een kijkje moeten nemen. Ze komen nog bij hem in de buurt.

Nog in Utrecht (18 en 19 februari), Den Haag (25 en 26 februari) en Rotterdam (1 maart). www.hzt.nl