TELEVISIE ’t Vrije Schaep

MJENSELIJKE WARMTE

In de fraaie NPS-operamaand konden we kennis nemen van vijf producties van eigen bodem – van Rameau tot Tan Dun, van Audi tot Johan Simons. Die kans grepen voor tv-begrippen slechts weinigen, maar Mozart, Wagner en Messiaen leverden gedrieën al 140.000 kijkers op, goed voor 88 uitverkochte Muziekgebouw-zalen. Mede voor het bereikbaar maken van dit cultuurgoed hebben we een publieke omroep. Die is niet alleen doorgeefluik van muziekdrama, die produceert dat zelf ook. Rond de jaarwisseling startten maar liefst drie projecten, waarvan er twee dezelfde grote doelgroep beogen: Camping ’t Vrije Schaep (KRO) en Gebak van Krul (Vara). Muzikale comedy – razend moeilijk genre. ’t Schaep borduurt voort op de personages uit een oude serie die als remake nog sterker was dan het origineel, en gebruikt liedjes uit de jaren zeventig die deel uitmaken van het collectief geheugen. ‘Borduren’ niet denigrerend bedoeld, want schrijver Frank Houtappels is ‘een grote’ en de gouden cast had ik al in het hart gesloten zonder een beeld van hun nieuwe avonturen gezien te hebben.
Gebak van Krul komt kakelvers uit de oven. Schrijver Haye van der Heyden, componist Theo Nijland en regisseur Paul Ruven scheppen een wereld in en rond een banketbakkerij die op moet boksen tegen de supermarkt aan de overkant, waarbij concurrerende middenstander en loondienst-filiaalhouder tweelingbroers zijn (Henk Poort in dubbelrol). Dapper stappen ze in een grote Vara-traditie, ooit begonnen met Pension Hommeles. Het is een flitsende, professionele productie – maar Haye is geen Annie (wil dat ook niet zijn, maar van zijn gein moet je houden, wat mij maar beperkt is gegeven), en Theo geen Harry (Bannink), hoe mooi ook vaak Nijlands eigen liedrepertoire is. Voorlopig wint voor mij ’t Schaep van Krul, al was het maar vanwege meer ‘mjenselijke warmte’ (uit te spreken zoals Adèle Bloemendaal dat deed), maar Krul verdient meer dan alleen de vergelijking, die zich opdringt door ongelukkige programmering.
Volstrekt anders is de NPS-muziekserie Flow, die mikt op een jong publiek dat weinig van de publieken moet hebben en houdt van ‘hiphop, soul en r&b’. Flow speelt niet alleen in de muzikanten-scene, de meeste acteurs zijn zelf muzikant – of je Ton Koopman, Johannette Zomer en Louis Andriessen in een dramaserie over de wereld van de klassieke muze laat spelen. Dat levert grote verschillen in acteerprestatie op, maar de kracht van muziek, scenario en regie zou meer dan voldoende moeten zijn om een grote schare fans te trekken. Lijkt me, want als ik ooit twijfelde aan mijn competentie tot oordelen, dan hier: de muziek is de mijne niet; de jongerenstadstaal, die zich in woordkeus en uitspraak even ver van ABN heeft losgezongen als diep-agrarische dialecten, is niet altijd te volgen; en waar ik Janine, Mariss en Gustav onmiddellijk zou herkennen heb ik hier geen benul welke beroemde muzikanten ik voor me heb.
Maar in de allereerste scène moet ik al lachen als een blond meisje op Schiphol steeds wanhopiger elke arriverende zwarte passagier aanspreekt in de hoop dat hij de dj Zulu is die ze gevankelijk naar de Rotterdamse club moet vervoeren waar hij zal optreden: hij is een notoire verdwijner. Het is haar eerste dag bij het impresariaat en bijna alles loopt mis, al meldt hij zich, veel minder zwart dan de naam haar heeft doen vermoeden, uiteindelijk maar zelf nadat hij haar een tijdje heeft zien modderen. Hoe scenarist Franky Ribbens (Fok jou!; Nachtrit) en regisseur Ruud Schuurmans diezelfde Zulu daarna filmisch neerzetten, als iemand die door zijn reizend succesbestaan in totale vervreemding leeft, zonder besef van ruimte en tijd, dat is klasse. Benieuwd of de doelgroep hen weet te vinden. En andersom.

’t Vrije Schaep, KRO, vrijdags 21.15, Nederland 1; Gebak van Krul, Vara, zaterdags 19.25, Nederland 1; Flow, NPS, dinsdags 21.00, Nederland 3