Modderspetters

De Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong is bekend geworden door Blind paradijs, een roman vol cliches, stereotypen en pathetische fragmenten die het thema - de verwording van het marxistisch-leninistisch paradijs - geen goed deden.

Evenals in Blind paradijs gebruikt de schrijfster in Roman zonder titel een vertelprocede van een tweeledige reis. De achtentwintigjarige Qun keert als frontsoldaat na tien jaar met verlof naar zijn geboortedorp terug. Het is een hongertocht door het Vietnamese landschap en een terugtocht naar zijn kinderjaren waarin zijn moeder het moest afleggen tegen een door jaloezie verteerde vader. De kloof tussen de jonge Qun en de oudere frontsoldaat blijkt onoverbrugbaar. Er is te veel gebeurd, de idylle is bezoedeld: ‘Het was niet meer als vroeger, als de dag van mijn vertrek. Insekticiden hadden ons platteland ontvolkt, alsof een soort goddelijke adem uit ons leven was weggebombardeerd.’ Hoewel dit citaat suggereert dat de Amerikanen in haar roman de boosdoeners zijn, richt Huong zich eerder op de politieke god Marx die heerste over de schoolboekjes, 'de ziel van onze dagelijkse moraal’. Verloren is de natuurlijke gemeenschap, het religieuze ritueel. Het volk is tot een schim verworden, de taal bestaat uit woorden 'glibberig als slangen’: de propagandamachine verplettert de tradities van de voorvaderen. 'Het vergeten weet van geen ideologie.’
Of het zou moeten zijn dat vergeten noodzakelijk is om te kunnen overleven. Dat staat aan het slot van het prachtige titelverhaal uit Nguyen Huy Thieps bundel Tijgerhart, een sprookjesachtige vertelling over de jacht op een tijger met een hart 'doorschijnend als kristal, klein als een kiezelsteen en bezield met een magische kracht: het vermogen om elke vervloeking af te weren en om alle kwalen te genezen’.
Huongs werk is te realistisch, te direct, te gemakkelijk terug te brengen tot een eenduidige boodschap. Dat is niet het geval met de verhalen van Thiep. Hij speelt veel meer met 'het literaire’, met de genres en de verteltradities ('we moeten ons weer eens samen verdiepen in de verhalen van vroeger’, luidt een van zijn motto’s). Hij geeft zelfs bijtend commentaar op de betweterige letterkundigen die eisen dat je je aan 'de regels van het realisme’ houdt. Daardoor ontstaan er in zijn verhalen meer lagen, worden ze, mede door de koninklijke omweg van het geladen beeld of symbool, veel dubbelzinniger. Literatuur kent verschillende functies, bijvoorbeeld die van ontruststoker, maar ze moet vooral 'overal lak aan hebben. In de modder duiken en daar net zo lang in roeren tot de spetters veranderen in kunst, dat is talent!’
De mooiste verhalen van Thiep zijn die waarin dier en mens met elkaar in gevecht raken. In 'Het zout van het bos’ jaagt meneer Di op apen. Hij schiet er een in de schouder, waarna er een lijdensweg begint voor jager en gejaagde. Er ontstaat een subtiele wisselwerking tussen dierlijk en menselijk leed. Het verhaal eindigt met meneer Di staande tussen witte bloemen die maar eens in de dertig jaar bloeien. 'Ze hebben een zoute smaak en daarom worden ze “zout van het bos” genoemd. Als het zout zich verenigt met het bos, is dat een teken van vrede en van een overvloedige oogst.’
Een naieve jongen vraagt zich aan het slot van Thieps verhaal 'Lessen van het land’ af of de argeloosheid de mens vleugels geeft 'om naar het paradijs te vliegen’. Maar wat betekent een ideaal? Een hostie voor de jeugd (Huong in Roman zonder titel) die daarmee soldaat kan worden? Een van Thieps vertellers formuleert het onrustbarender: 'Elke doctrine is summier, naief, belachelijk, ja, oneerlijk. Dat is onvermijdelijk. Het erge is dat zo'n leer als noodzakelijk wordt geaccepteerd. Als een halsketting die iedereen in staat stelt een betrekkelijk acceptabel beeld van zichzelf te koesteren. Zonder dat wordt het een ramp…’