Mode: De hoofddoek. Dwang of keuze?

Mode als conflictstof

De mode-industrie heeft de moslima als nieuwe consument ontdekt, zo blijkt uit een expositie in Frankfurt. De expositie valt midden in hernieuwde Duitse discussies over de hoofddoek.

Wesaam Al-Badry, Chanel #VII uit de serie Al-Kouture, 2018 © Jenkins Johnson Gallery, San Francisco

Dina Torkia lacht ons in warm softlight toe. In korte filmpjes op haar Instagram-pagina laat ze haar huiselijk leven zien, ze promoot haar nieuwe kledinglijn of die van een groot modehuis, en maakt er een paar streetwise grappen bij.

In niets verschilt de aanpak van deze late twintiger uit Wales met die van andere influencers op Instagram. Eén ding is alleen net wat anders. Torkia, alias Dina Tokio, draagt een hijab, een hoofddoek. Torkia is Engelse, heeft een halve Egyptische achtergrond en is een van de bekendste ‘hijabi-bloggers’ op het internet: ze laat jonge moslima’s uit voornamelijk westerse steden zien hoe ze tegelijk modieus en moslim kunnen zijn.

Het is de belangrijkste reden waarom Torkia op sociale media inmiddels rond de twee miljoen volgers heeft. In 2017 stond ze met haar hoofddoek op een reclame voor YouTube op publieke bussen in Londen, ze was door haar invloed als ‘ambassadeur’ van het merk uitgeroepen. Modehuizen zetten haar graag in om reclame voor hun producten te maken, serieuze kranten vragen haar mening over politiek.

Haar succes past in een opvallende nieuwe trend in de modewereld, schrijft Reina Lewis, hoogleraar cultuurwetenschap in Londen en curator van de expositie Contemporary Muslim Fashions, die nu in het museum voor toegepaste kunst in Frankfurt is te zien. ‘Na [de aanslagen van] 11 september 2001 wilde de kledingindustrie niet met moslima’s in verband worden gebracht, maar in het tweede decennium van de 21ste eeuw blijkt het winst te kunnen opleveren.’ Sinds een paar jaar hebben de grote winkelketens daarom het segment ‘mode voor moslimvrouwen’ ontdekt. H&M had al een Instagram-hijabi als model en vanaf 2017 verkoopt ook het sportmerk Nike een sporthoofddoek: de Pro Hijab.

Modestfashion is de term die hierbij hoort: mode, maar dan ‘bescheiden’, niet uitdagend of suggestief; passend bij de islam, maar volgens de samenstellers ook toenemend geliefd bij vrouwen die zich niet aan een ‘opgelegd ideaal’ van vrouwelijke schoonheid willen onderwerpen. De opkomst van deze mode is volgens Lewis niet te danken aan de gastarbeidersvrouw in haar donkere mantel, maar aan een nieuwe generatie koopkrachtige moslima’s. Vrouwen als Dina Torkia zijn geëmancipeerd, westers georiënteerd en toch moslim.

Alleen: Lewis had haar artikel blijkbaar al geschreven voordat een voorval plaatsvond waarmee Torkia nu vooral wordt geassocieerd. Torkia besloot op 5 november 2018 dat ze haar hijab ook wel eens af wil leggen. Ze liet haar fans het moment direct meebeleven. Want, zei ze erbij: ‘Soms voel ik me prettiger als ik mijn haar bedek en op andere dagen vind ik het prettiger het te laten zien.’ Het gevolg: Torkia kreeg een uitbarsting van online woede over zich heen, van zowel moslimmannen als -vrouwen. Ze vonden dat een hoofddoek niet mag worden afgedaan. Haat, scheldpartijen, bedreigingen. Torkia las ze in een YouTube-filmpje voor, drie kwartier lang, zonder hoofddoek, met blond geverfde haren. Een ‘giftige cultus’ noemde Torkia die week de hijab-community die haar roem en rijkdom had gebracht.

Victoria Kaempfe, Leah Vernon, 2017 © Victoria Kaempfe

Op de expositie in Frankfurt, die in september doorreist naar Rotterdam, heeft men geprobeerd dit soort conflicten rond de hoofddoek buiten de zaal te laten. Er zijn veel kleurige gewaden te zien, variërend van de urban stijl van de mipsters, zoals ‘moslimhipsters’ als Torkia ook wel worden genoemd, tot de op maat gesneden gala-outfits van Sheikha Moza bint Nasser, de vrouw van de voormalige emir van Qatar.

Het blijkt echter onmogelijk om de politiek buiten de deur te houden. Deze naar eigen zeggen ‘eerste grote expositie’ over het thema mode voor moslima’s is in Duitsland, net als in Amerika, waar zij in San Francisco haar eerste station had, direct onderdeel van de politieke polarisatie rond de multiculturele samenleving geworden.

Een paar weken na de opening van de expositie organiseerde de etnoloog Susanne Schröter, directrice van het onderzoeksinstituut Global Islam van de Goethe Universiteit in Frankfurt, een debat over de hoofddoek: Das islamische Kopftuch: Symbol der Würde oder der Unterdrückung? Het was bedoeld als een kritische reactie op de expositie: ‘Indonesië is het eerste land waarin de islamistische mode zo groot werd. Dat liep parallel aan een steeds strenger wordende regulering van wat vrouwen dienen te zijn en te doen’, zegt Schröter. ‘Men kan een hoofddoek in mooie kleuren maken, maar dat verandert niets aan het dwangmatige karakter ervan.’

Het debat werd direct landelijk bekend, omdat groepen studenten er op sociale media tegen protesteerden. Ze zeiden tegen het ‘anti-islamitische racisme’ te zijn dat volgens hen achter de kritiek steekt, en eisten het ontslag van Schröter. De groepen bleven anoniem, maar uit de bedreigingen en mails zou volgens Schröter blijken dat linkse groepen hier een alliantie met islamitische bewegingen waren aangegaan.

Het debat vond uiteindelijk onder politiebewaking plaats. Het toont hoezeer de ontwikkelingen in de mode niet los zijn te zien van de maatschappelijke context. Misschien is dat in West-Europa wel het beste te zien in Duitsland, juist omdat de ‘geëmancipeerde moslima’ er in het openbaar een relatief nieuw verschijnsel is – en nieuwe juridische vragen opwerpt.

In Frankfurt is in 2017 de eerste echte winkel voor modest fashion geopend, de Hijabi Store. Logisch eigenlijk, dit ‘verbindingsstuk tussen westerse mode en islamitische traditie’, zoals de Frankfurter _Allgemeine__ Zeitung_ omschreef, Frankfurt is immers de meest multiculturele stad van Duitsland. De 650.000 inwoners stammen uit 170 naties en 53 procent heeft zelf een ‘migratieachtergrond’ of stamt uit een familie van migranten, zo staat op de stadswebsite te lezen.

In sommige Duitse deelstaten mag het kruis of de kippa wel, maar de hoofddoek niet

Nog niet zo lang geleden zou de nieuwe nadruk op de hoofddoek echter een stuk minder logisch zijn geweest. Hoe beter migranten geïntegreerd zijn, hoe meer ze zich aanpassen aan de westerse cultuur, was de gedachte. Het percentage hoofddoekdraagsters onder moslima’s in Duitsland is de laatste jaren van 41 gedaald naar 21, berekende de universiteit van Münster in 2016. Tegelijk bleek uit dit onderzoek ook dat bij de ‘derde generatie’ de zoektocht naar culturele onderscheidingsvormen juist is toegenomen.

De hoofddoek is voor jonge moslima’s de uitdrukking van een ‘geuzen-identiteit’ geworden, zoals de Nederlandse islamoloog Nora Asrami het uitdrukt. Dit is in Duitsland niet anders dan in Nederland, maar de debatten erover blijken daar veel later te zijn gekomen. Migranten waren langer dan in Nederland, Engeland of Frankrijk minder zichtbaar in het openbare debat, als gevolg van een beperkte staatsburgerschapsregeling. Men had dan ook geen idee hoe precies om te gaan met een moslimvrouw met hoofddoek die in een publieke functie wilde werken.

Precies dat is de reden waarom twintig jaar geleden in Duitsland het debat is begonnen dat als de Kopftuchstreit de geschiedenisboekjes in is gegaan. In haar vorig jaar verschenen boek heeft de docente Fereshta Ludin het nog eens onder elkaar gezet. Op 13 juli 1998 kreeg de net afgestudeerde pedagogiestudente te horen dat ze geen docente mocht worden aan een openbare basisschool in de Zuid-Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Ludin was op haar veertiende uit Afghanistan gekomen, was met goede cijfers afgestudeerd, maar wilde voor de klas haar hoofddoek niet afleggen.

De schooldienst in Baden-Württemberg wees Ludin af omdat de hoofddoek volgens de dienst ‘een uitdrukking van religieuze vooringenomenheid’ is die de kennisoverdracht in Duitsland kan beïnvloeden. Ludin ging in hoger beroep, maar na vijf jaar wachten verbood de rechtbank van Baden-Württemberg officieel het dragen van een hoofddoek voor de klas.

De uitspraak was bepalend voor een typisch Duitse omgang met de hoofddoek. Vijf van de zestien Duitse deelstaten, onder andere de Nederlandse buurdeelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen, besloten als reactie op de uitspraak tot een expliciet verbod voor leraressen op het dragen van hoofddoeken in de klas.

Maar er werd in deze deelstaten een onderscheid gemaakt tussen religieuze symbolen. Het christelijke kruis of de joodse kippa mochten wel gedragen worden, maar de hoofddoek niet. In Baden-Württemberg en Beieren beriepen de deelstaten zich op een heuse ‘Avondland-clausule’: het kruis was een teken van culturele identiteit van de regio. De hoofddoek werd als een ‘politiek symbool’ gezien voor de ‘onderdrukking van de vrouw’, zoals een toenmalige minister het omschreef. Alleen Berlijn verbood álle uitingen van religie in de klas.

Duitsland was in die jaren na 2001 niet het enige land dat de hoofddoek wilde reguleren. In 2004 kreeg ook Frankrijk wetgeving. Daar koos men ervoor om álle uitingen van religie in het klaslokaal te verbieden, zowel bij leraren als leerlingen. In Engeland bleven hoofddoeken wel gewoon toegestaan.

Nederland zat ergens tussen Engeland en Frankrijk in, maar ook hier stond voorop dat alle religieuze uitingen gelijk behandeld moesten worden. In de Leidraad Kleding op Scholen uit 2003 van het ministerie van Onderwijs staat dat confessionele scholen het dragen van een hoofddoek onder bepaalde voorwaarden mogen verbieden; openbare scholen mogen dat niet. Alleen rechters en geüniformeerde ambtenaren, zoals de politie, dienen vrij van religieuze symbolen te zijn.

Twaalf jaar bleef het hoofddoekverbod op scholen in de Duitse deelstaten bestaan. In 2015 kwam de omslag. Het federale grondwettelijk gerechtshof in Karlsruhe verklaarde toen dat een verbod op hoofddoekjes in strijd is met de grondwet. Alleen als er een concrete aanleiding is, als er een ‘gevaar’ bestaat voor de schoolvrede, mag een hoofddoek verboden worden.

Het oordeel uit Karlsruhe is daarom ook wel uitgelegd als een pleidooi vóór de hoofddoek. Het zou passen bij een nieuwe fase van Weltoffenheit die in Duitsland haar intrede zou hebben gedaan. 2015 was immers ook het jaar van ‘wir schaffen das’, en het was het jaar waarin Angela Merkel voor het eerst de beroemde zin ‘de islam hoort bij Duitsland’ uitsprak, zonder de mitsen en maren die ze er eerst nog bij had.

Die interpretatie klopt alleen niet, zegt de rechtsgeleerde Rudolf Steinberg, voormalig rector van de Goethe Universiteit in Frankfurt en na zijn pensioen auteur van twee boeken over de juridische plek van de islam in Duitsland: het hof heeft geen voorkeur uitgesproken, maar de Duitse deelstaten slechts opgeroepen consistent te zijn. De ongelijke behandeling van twee religies is tegen de grondwet van Duitsland. Ook heeft het hof erop gewezen dat in Duitsland de vrijheid van religie geldt; iedereen heeft in principe het recht om zijn geloof uit te drukken.

Desondanks is het directe gevolg van de uitspraak een nieuwe vorm van zichtbare diversiteit: een aantal deelstaten met een specifiek hoofddoekverbod voor docentes heeft dit weer afgeschaft. In Baden-Württemberg geven inmiddels een paar leraressen met hoofddoek les.

Wesaam Al-Badry, Valentino # X, 2018. Uit de serie Al-Kouture. © Jenkins Johnson Gallery, San Francisco
Kiest Duitsland de weg van Nederland en bekijkt men per geval wat de uitkomst wordt?

Een van de voordrachten bij het debat in Frankfurt over de hoofddoek wordt gegeven door de jonge islam-theologe Dina El Omari. Ze is Duitse, gepromoveerd en wetenschappelijk medewerker. Van haar komt een ander geluid dan van de andere spreeksters, zoals Alice Schwarzer, Duitslands bekendste feministe die de hoofddoek als een machtsinstrument van moslimmannen ziet.

Ook El Omari noemt zich een feministe en ze draagt overtuigd haar hoofddoek. Haar argumentatie berust op het argument van de zelfbeschikking: ‘Dat betekent dat vrouwen die geen hoofddoek willen dragen evenzeer ondersteund moeten worden als vrouwen die vanuit een mondige houding vóór een hoofddoek hebben gekozen.’

De hoofddoek kan voor een moderne vrouw een teken van emancipatie zijn, schrijft ook de recensent van het links-liberale weekblad Die Zeit als reactie op de expositie: ‘Een vrouw die zich in een modieuze sluier hult, bekent kleur: ze uit zich in een vaak islamofobe samenleving als moslima – en voelt de samenleving aan de tand, of die zich aan de eigen waarden [van vrijheid] houdt, of dat ze de vrouw tot vrijheid, lees: ontbloting, dwingt.’

Het recht van de persoonlijke keuze blijkt juridisch gezien alleen toch een stuk ingewikkelder. Op dit moment wordt er om die reden in Duitsland over een nieuwe wet gediscussieerd. Het gaat om de vraag vanaf wanneer jonge meisjes zelf kunnen beslissen of ze een hoofddoek willen dragen. Het aantal minderjarige meisjes mét hoofddoek neemt op basisscholen en in Kindergartens (tot zes jaar) namelijk toe, volgens cijfers van de stichting Terre des Femmes. De stichting vraagt docenten dit niet als ‘persoonlijke vrijheid’ goed te keuren: ‘De versluiering van meisjes is geen onschuldige religieuze bedekking van het hoofd. Het gaat hier om discriminatie van een geslacht en haar kansen op een gelijkwaardige deelname aan het gemeenschappelijke leven worden enorm beperkt.’

In Oostenrijk heeft de regering dit jaar een verbod op het dragen van een hoofddoek door basisschoolleerlingen doorgevoerd. In Duitsland wordt nu hardop nagedacht over een verbod, in eerste instantie tot de leeftijd van veertien jaar. De meerderheid van de bevolking (57 procent) blijkt volgens peilingen voorstander van een verbod. De Duitse staatssecretaris voor Integratie Annette Widmann-Mauz (cdu) noemt de hoofddoek bij jonge meisjes ‘absurd’, maar vraagt zich af of een verbod daarvoor de beste oplossing is.

‘De politiek worstelt zich nu van debat naar debat’, zegt jurist Steinberg: ‘Maar de conflicten zullen alleen nog maar toenemen.’ Het laat volgens hem zien dat er in Duitsland nu eindelijk ‘systematisch moet worden nagedacht’ over regelgeving. Moet het land de weg van Engeland opgaan en uitingen van religie in functies zoals docent of politie toestaan? Is er meer te zeggen voor de weg van Frankrijk, waar alle uitingen worden verboden? Of kiest Duitsland de middenweg van Nederland en bekijkt men per geval wat de uitkomst wordt?

De onzekerheid hierover is met name in Berlijn, na Frankfurt de meest multiculturele stad van Duitsland, te merken. Zo kreeg eind vorig jaar een islamitische docente door de rechtbank een schadevergoeding toegezegd, omdat ze op een basisschool was aangenomen maar daar direct op non-actief was gesteld omdat ze op de eerste dag met hoofddoek was verschenen. De lokale rechter beriep zich hierbij expliciet op de uitspraak uit Karlsruhe: ze vormde geen bedreiging voor de schoolvrede.

Volgens politici van de links-groene Berlijnse stadsregering is het daarom tijd om de Berlijnse ‘neutraliteitswet’ aan te passen, omdat het in de praktijk uiteindelijk op ‘discriminatie’ van hoofddoeken uitloopt. Tegenover zich vinden ze uitgerekend Seyran Ates, vrouwelijke imam van de bekendste ‘liberale moskee’ van Duitsland en tevens als advocate in dienst van de stad Berlijn.

Ates, die vanwege haar liberale ideeën al jaren door islamisten bedreigd wordt en die met vier lijfwachten de rechtszaal inkwam, wil voor Berlijn een principiële uitspraak van het grondwettelijk gerechtshof afdwingen. Een dergelijke zwaarwegende beslissing moet niet aan de scholen zelf worden overgelaten, vindt ze. Ates ziet de hoofddoek per definitie als een gevaar voor de schoolvrede, omdat het voor felle discussies onder leerlingen zorgt. ‘Alleen al het dragen van een hoofddoek laat de strenge interpretatie van de islam zien, waarin de vrouw zich voor de blik van de man moet verhullen.’

Het oude dilemma is opnieuw op scherp gezet: de persoonlijke vrijheid van religie tegenover de neutraliteit van de staat. Steinberg verwacht dat Duitsland uiteindelijk de kant van Frankrijk op zal gaan. Hij ziet hiervoor meerdere aanwijzingen: in 2017 besloot het Europese Gerechtshof dat op de werkvloer hoofddoeken mogen worden verboden, als dat onderdeel is van een algemene regelgeving die alle religieuze kleding en symbolen betreft. In Baden-Württemberg is onlangs een wet aangenomen die een hoofddoek bij rechters verbiedt, op grond van dezelfde neutraliteit.

Een ‘bepaalde mate van laïcisme’ is het beste voor een samenleving met zoveel verschillende culturen, zegt Steinberg. Maar: ‘Dat betekent ook dat er geen kruis meer in een rechtszaal mag hangen.’ Steinberg kan zich voorstellen dat een dergelijke verandering voor het traditionele Duitsland, waar de christendemocraten meestal de regering vormen, ‘pijn’ zal doen.

Tot nu toe verzetten opvallend veel cdu’ers zich tegen het laïcisme. Dat doen ze niet omdat ze diversiteit in publieke functies nu zo omarmen, maar omdat men niet af wil van de openbare uitingen van het christelijk geloof. Maar om een verbod op hoofddoeken op scholen door te voeren, zoals veel conservatieven graag willen, moeten ze afscheid nemen van de vooral in Zuid-Duitsland zo gekoesterde christelijke symboliek.

In de modieuze omgang met de hoofddoek – de ene dag wel, de andere dag niet – komt heel goed het belang van de persoonlijke vrijheid tot uitdrukking. Uiteindelijk is het de Instagram-influencer Dina Torkia die de discussies het beste weet samen te vatten. Een paar dagen nadat ze publiekelijk haar hoofddoek heeft afgezet, zit Torkia in een radiostudio: ‘Men zegt dat het dragen van de hoofddoek een keuze is’, zegt ze. ‘Maar als ik zelf beslis het af te doen, en ik word dan door de gehele gemeenschap uitgescholden, is het dan echt nog een keuze?’


Contemporary Muslim Fashions, Museum angewandte Kunst, Frankfurt, t/m 1 september