Mode moet 2

Afgelopen week speelde ik, als figurant, in twee films mee. Een film van Theo van Gogh en een film van Quinten Smith. Beide films maakten gebruik van een ‘kabelsjouwer’. Beide kabelsjouwers hadden hun overhemd uitgetrokken, want het was warm. Ze hadden hun hemd als een rokje over hun broek geknoopt, zoals ik dat wel eens doe met mijn jas op lange wandelingen. Dus ik vroeg aan de tweede kabelsjouwer waar hij het overhemd had gekocht.

‘Is geen overhemd. Het is een…’ Ik kon het niet verstaan. Hij liet het zien; het rokje leek inderdaad op een overhemd, maar was speciaal ontworpen als rokje voor mannen die dat over de broek heen kunnen dragen. De jas en het overhemd over het middel moeten de modeontwerper als voorbeeld hebben gediend.
Ik dacht aan Sandra Beusekom, met wie ik wel eens in de collegezalen zat; zij kwam uit Hilversum en droeg een 'ontworpen’ punkbroek. Waar wij de gaten zelf hadden gemaakt, waren ze in haar broek onderdeel van het ontwerp.
Ik dacht aan mezelf. Ik wilde als tiener een witte spijkerbroek. Ik kreeg een witte terlenka uit een winkel die adverteerde met: 'Net als een spijkerbroek, maar zit beter en valt mooier.’
Mode - de vraag waarom iets aanslaat zal altijd onbeantwoord blijven. Zeker is, dat het 'het denken’ vergemakkelijkt. Immers: je draagt/ doet/ zegt iets waarvan de waarde zich al heeft bewezen.
Hoe dommer de mens, hoe meer hij zich aan de mode houdt. Mode is namelijk niet een teken van goede smaak, het is eerder een teken van niet weten wat goede smaak is. Wie anders is dan anderen maakt die anderen onzeker. Mode geeft dus zekerheid. Mode geeft vriendschap; je bent immers hetzelfde als de ander. Mode vult in wat ik niet weet, en spaart dus tijd. Mode is dus handig. Het is de verworvenheid van een groep: datgene waarover niet meer gedacht hoeft te worden.
Met taal is dat idem dito. Zodra we iets hebben benoemd en betekenis hebben gegeven, hoeft er niet meer over nagedacht te worden. Niemand zal bij het woord tafel vragen: 'Wat is dat?’ Tafel kunnen we bijschrijven in onze cultuur.
Vervelender is het met woorden die een proces of een actie beschrijven en tot een zelfstandig naamwoord zijn geworden. Vrijheid, liefde, eenzaamheid, depressie. (Ik vind dat Ik en God hier ook onder vallen.) Deze woorden veranderen voortdurend van betekenis en zijn daardoor bijzonder modegevoelig.
Zulke woorden werken als de spijkerbroek: je kan hem altijd dragen, maar je weet niet hoe hij staat.
De woorden tafel, stoel, huis, zullen nooit modewoorden worden, maar depressie, godsdienst, melancholie, zelf, evenwichtigheid et cetera kunnen van tijd tot tijd dienst doen als modewoorden, teneinde ons denken te verlichten. 'Ik ben depressief, dus ik ben okee.’
En hoe zit het met een woord als gezelli? Nogmaals: waarom dat opeens in zwang komt, is onverklaarbaar. Feit is dat juist woorden die voortdurend van betekenis veranderen, zelf ook moeten veranderen. Denk hierbij aan een ouder echtpaar dat tegen elkaar zegt: 'Ik hou van jou.’ Na verloop van tijd wordt dan niet meer bedoeld: 'Ik wil je neuken’, maar: 'Zorg goed voor me nu de dood nadert.’
Gezellig voldoet niet meer. Gezelli weer wel.
Volgende week meer hierover.
Extra: De Engelsen kennen het begrip grachtengordel niet, maar hebben daar wel een mooi eigen begrip voor gevonden: 'Glitterati’. 'He belongs to the Glitterati’ - alsof het een mafiafamilie is.
Nieuw is ook: 'Doe niet zo morelig.’
Verder hoor je tegenwoordig te pas en te onpas de uitdrukking: 'Hij heeft gisteren chinees gegeten’, nadat iemand iets aforistisch, wijsneuzigs of semi-filosofisch heeft gezegd. 'Heb je Opheffer gelezen?’ 'Ja, die had zeker Chinees gegeten.’